Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:6110

De rechtbank is van oordeel dat het college de bijstandsuitkering van eiseres terecht heeft herzien en teruggevorderd. Sprake is geweest van meerdere kentekens die kortstondig op naam van eiseres hebben gestaan. Ook hebben meerdere bijschrijvingen op de bankrekening van eiseres plaatsgevonden door middel van kasstortingen. Het beroep is ongegrond.

Rechtbank Amsterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:6110 text/xml public 2026-08-03T07:18:44 2026-06-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-06-18 AMS 25/6620 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6110 text/html public 2026-07-31T09:47:36 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6110 Rechtbank Amsterdam , 18-06-2026 / AMS 25/6620
De rechtbank is van oordeel dat het college de bijstandsuitkering van eiseres terecht heeft herzien en teruggevorderd. Sprake is geweest van meerdere kentekens die kortstondig op naam van eiseres hebben gestaan. Ook hebben meerdere bijschrijvingen op de bankrekening van eiseres plaatsgevonden door middel van kasstortingen. Het beroep is ongegrond.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/6620
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens en voert aan dat het college ten onrechte geconcludeerd heeft dat sprake is van inkomsten en vermogen dat de vermogensgrens overstijgt. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de bijstandsuitkering terecht heeft herzien en teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 31 maart 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres herzien en € 9.522,09 te veel betaalde bijstandsuitkering teruggevorderd.
2.1.
Met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is het college daarbij gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres ontvangt sinds 21 mei 2001 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een signaal van de RDW op 10 oktober 2024 heeft het college een onderzoek verricht naar het recht op bijstand van eiseres. In het kader van dit onderzoek heeft het college op 3 februari 2025 eiseres op het kantoor van de gemeente Amsterdam gesproken. Het college heeft vastgesteld dat eiseres in de maanden mei 2023, september 2023, oktober 2023, januari 2024, maart 2024 en september 2024 acht kentekens op haar naam heeft gehad. De tenaamstelling van zeven kentekens is van korte duur geweest. Daarnaast hebben in de periode 1 april 2023 tot en met 31 juli 2024 meerdere bijschrijvingen op de bankrekening van eiseres plaatsgevonden door middel van kasstortingen.
3.1.
Het college heeft de bijstand herzien, omdat met de tenaamstelling van de kentekens aannemelijk is geworden dat er met betrekking tot die voertuigen handelstransacties hebben plaatsgevonden. Het college heeft geen verband gevonden tussen de contante kasstortingen en de bedragen die eiseres opneemt. De herkomst van de kasstortingen is dus onduidelijk. Eiseres kon over deze bedragen beschikken en hiermee in de kosten van levensonderhoud voorzien. Daarom rekent het college deze bedragen als inkomen en brengt het college deze in mindering op de uitkering. Van beide omstandigheden heeft eiseres het college niet op de hoogte gesteld. Vanaf 1 april 2025 houdt het college elke maand € 67,27 in op de bijstandsuitkering van eiseres (5%).
3.2.
Eiseres voert aan dat zij geen inkomsten heeft ontvangen uit handelsactiviteiten met auto’s. De waarde van de auto’s ligt beneden het vrijlatingsbedrag voor vermogen dat het college hanteert voor auto’s. Gelet op de geringe waarde van de auto’s kan niet worden gesproken van handelsactiviteiten waarmee een inkomen kan worden verworven dat boven de bijstandsnorm uitkomt. Eiseres heeft de auto’s voor een kennis met een exportbedrijf in Montenegro kortdurend op haar naam laten zetten, totdat de kennis weer in Nederland was en de voertuigen kon exporteren. Verder merkt het college de bijschrijvingen door middel van kasstortingen ten onrechte aan als inkomsten.
Overwegingen
4. Op grond van artikel 17 van de Participatiewet geldt de verplichting van een bijstandsgerechtigde om aan het college mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op bijstand.
4.1.
Wanneer een bijstandsgerechtigde niet aan zijn of haar inlichtingenplicht voldoet, en iemand hierdoor onterecht te veel bijstand ontvangt, moet het college de bijstandsuitkering herzien of intrekken. Ook moet het college het teveel aan bijstand ontvangen geld terugvorderen. Dit staat in artikel 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet.
4.2.
Bij de beoordeling van het recht op algemene bijstand van een betrokkene wordt beoordeeld of de betrokkene over (financiële) middelen beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken, wat de aard is van deze middelen en in welke mate deze middelen in aanmerking moeten worden genomen, dan wel buiten beschouwing (vrij) gelaten moeten worden bij de bijstandsverlening. In artikel 31 van de Participatiewet is opgenomen met welke middelen rekening moet worden gehouden bij de bijstandsverlening. Het aanvullend karakter van de bijstand brengt mee dat een ruime definitie van het begrip middelen wordt gehanteerd. In artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet is als hoofdregel bepaald dat tot de middelen in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen worden gerekend die kunnen worden gebruikt voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. In artikel 32 staat wat onder inkomen verstaan, bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid of vermogen. Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, wordt onder vermogen verstaan middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomen betreffen.

Stortingen
4.3.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet worden beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet. In dat geval ligt het op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat het bedrag van de kasstorting geen inkomen is in de zin van de Participatiewet.
4.4.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van inkomsten. Zij onderbouwt dit echter niet. Vaststaat dat in de periode van 1 april 2023 tot en met31 juli 2024 meerdere bedragen zijn bijgeschreven en gestort op de bankrekening van eiseres. Daarom is sprake van stortingen en bijschrijvingen met een terugkerend karakter. Daarnaast kon eiseres de stortingen aanwenden om in haar levensonderhoud te voorzien, althans dit is door haar niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college op basis van de in het bestreden besluit gegeven motivering terecht geconcludeerd heeft dat de bijschrijvingen door middel van kasstortingen aan te merken zijn als inkomsten.

Tenaamstelling voertuigen
4.5.
Wat betreft de tenaamstellingen van de voertuigen overweegt de rechtbank dat het vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is dat het aannemelijk is dat er handelstransacties hebben plaatsgevonden als een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een betrekkelijk korte periode. De datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling – met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van de bijstandsgerechtigde is geëindigd – wordt aangemerkt als de datum waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden.
4.6.
Niet in geschil is dat in de periode maanden mei 2023, september 2023, oktober 2023, januari 2024, maart 2024 en september 2024 meerdere kentekens van auto’s die op naam van eiseres geregistreerd stonden van haar naam zijn afgeschreven. Het is ook niet in geschil dat zeven tenaamstellingen van korte duur zijn geweest. Vanaf 21 september 2024 heeft eiseres het voertuig met kenteken [kenteken 1] op haar naam staan. Ten slotte heeft eiseres een bromfiets met kenteken [kenteken 2] op haar naam vanaf 22 mei 2021. Van deze voertuigen heeft eiseres geen aan- en verkoopbewijzen geleverd.
4.7.
De enkele stelling van eiseres dat zij de auto’s voor een kennis met een exportbedrijf in Montenegro kortdurend op haar naam heeft laten zetten, totdat de kennis weer in Nederland was en de voertuigen kon exporteren, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet om het bewijsvermoeden dat er handelstransacties hebben plaatsgevonden te ontzenuwen. De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit terecht heeft besloten dat niet mogelijk is te bepalen hoeveel financieel voordeel eiseres heeft gegenereerd met deze transacties. Als gevolg is eisers recht op bijstand niet vast te stellen. Nu sprake is van handelstransacties had het college, anders dan eiseres meent, daarnaast niet hoeven beoordelen of onder het vrijlatingsbedrag voor auto’s wordt gebleven. Er is namelijk geen sprake van vermogen maar van inkomen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:83.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2025 ECLI:NL:CRVB:2025:1572.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:29.

Artikel delen