Afwijzing van de aanvraag om een huisvestingsvergunning. Het huishouden waarvoor eisers een huisvestingsvergunning aanvragen voldoet niet aan de definitie van een huishouden conform de Hvv. Beroep ongegrond.
Rechtbank Amsterdam 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6117
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
AMS 25/1573
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBAMS:2026:6117text/xmlpublic2026-08-03T07:20:442026-06-17Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-06-16AMS 25/1573UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLAmsterdamBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6117text/htmlpublic2026-07-31T09:55:082026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:6117 Rechtbank Amsterdam , 16-06-2026 / AMS 25/1573 Afwijzing van de aanvraag om een huisvestingsvergunning. Het huishouden waarvoor eisers een huisvestingsvergunning aanvragen voldoet niet aan de definitie van een huishouden conform de Hvv. Beroep ongegrond.
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/1573
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen
[eisers], uit [woonplaats], eisers (gemachtigde: mr. B.A.S. van Leeuwen), en het college van burgemeester en wethouders, verweerder (gemachtigden: [gemachtigde] en mr. M. ten Doesschate). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een huisvestingsvergunning. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag om een huisvestingsvergunning mocht afwijzen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een huisvestingsvergunning voor de woning aan de [adres]. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 februari 2025 afgewezen, omdat het huishouden waarvoor eisers een huisvestingsvergunning aanvragen niet voldoet aan de definitie van een huishouden conform de Huisvestingsverordening 2024 (Hvv). Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de persoon 1] namens eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van verweerder. 2.3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eisers de kans te geven de principeverklaring te overleggen. Eisers hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Verweerder heeft hier vervolgens op gereageerd. 2.4. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder een nadere zitting. Achtergrond en besluitvorming 3. [de persoon 2] woont sinds 2012 samen met [de persoon 1], [de persoon 3], [de persoon 4] en [de persoon 5] in de woning aan de [adres]. Het betreft een 5-kamer appartement en werd door de moeder gehuurd van Ymere. De moeder van eisers is overleden op [datum] 2022. Eisers willen graag in dezelfde samenstelling blijven wonen op het adres. Op 21 december 2023 hebben zij een aanvraag voor een huisvestingsvergunning gedaan. 3.1. In het primaire besluit heeft verweerder overwogen dat het huishouden waarvoor een huisvestingsvergunning is aangevraagd niet voldoet aan de definitie van een huishouden conform de Hvv. [de persoon 2] broer [de persoon 1] is gehuwd met [de persoon 6] en vormt een huishouden met [de persoon 6]. De civiele rechter heeft geoordeeld dat [de persoon 2] met zijn moeder een gemeenschappelijke huishouding voerde in het gehuurde. Hij heeft geen minderjarige kinderen en voldoet daarmee niet aan artikel 2.8.3, eerste lid, van de Hvv. 3.2. Op het aanvraagformulier staat [de persoon 2] vermeld als zijnde de aanvrager. Als medeaanvrager wordt benoemd [de persoon 1]. Daarnaast zijn namen van drie kinderen opgegeven: [de persoon 3], [de persoon 4] en [de persoon 5]. Op de zitting bij de rechtbank is toegelicht dat deze kinderen niet voortdurend woonachtig zijn in de woning, maar er om het weekend zijn. 3.3. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de aanvraag terecht is afgewezen. Ten eerste is het voorgestelde huishouden groter dan twee personen. Ten tweede is er in eisers geval geen sprake van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en waarbij de intentie bestaat om voor onbepaalde periode samen te wonen. [de persoon 2] vormt geen huishouden met zijn broer en aanhang. Verder stelt verweerder dat het om een sociale huurwoning gaat waarvoor een huisvestingsvergunning vereist is. In het kader van het passend toewijzen oordeelt verweerder verder dat de in het geding zijnde woning een oppervlakte van 78m2 heeft en vijf kamers telt zodat de woning op grond van de Hvv met voorrang zou moeten worden toegewezen aan een gezin met minderjarige kinderen. [de persoon 2] komt als alleenstaande dus niet in aanmerking voor de woning. Verder slaagt het beroep op de hardheidsclausule niet. De situatie van eisers is in een bepaald opzicht bijzonder, maar helaas niet uniek afgezet tegen de situatie van een aanzienlijk aantal andere Amsterdammers. De broer van eiser vormt een huishouden met zijn echtgenote [de persoon 6], aldus verweerder. Beoordeling door de rechtbank Nieuwe stukken 4. Eiser heeft op de zitting bij de rechtbank een principeverklaring van de gemeente in het geding gebracht en heeft nadat de rechtbank het onderzoek heeft geschorst, opnieuw deze principeverklaring en hiermee verband houdende correspondentie met de gemeente ingebracht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval deze laatste nadere stukken wegens strijd met de goede procesorde niet meegenomen zouden moeten worden bij de beoordeling.
De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De principeverklaring is genoemd in het vonnis van de kantonrechter over de vordering van eisers de huur voort te zetten na het overlijden van hun moeder die de woning huurde. De principeverklaring is dus onderdeel van het dossier bij de kantonrechter en omdat het vonnis van de kantonrechter in het dossier aanwezig is, is dit niet een geheel nieuw stuk waarvan het bestaan voor verweerder en de rechtbank onbekend was. Bovendien betreft het een document dat door de gemeente zelf is afgegeven. De principeverklaring is zoals gezegd tijdens de zitting door de rechtbank ingenomen en verweerder is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. De stukken die eisers vervolgens hebben ingediend na de zitting, vormen geen nieuwe of aanvullende gronden, zoals verweerders gemachtigde betoogt, maar houden verband met de principeverklaring en zijn ingebracht ter nadere onderbouwing van het al eerder naar voren gebrachte standpunt dat eisers aan de principeverklaring het vertrouwen mochten ontlenen dat zij in aanmerking zouden komen voor een huisvestingsvergunning. Het in de beroepsprocedure indienen van nadere stukken ter onderbouwing van reeds eerder ingenomen standpunten is toelaatbaar, mits de wederpartij voldoende gelegenheid wordt geboden om hierop te reageren en de procedure niet onnodig wordt vertraagd. Verweerder heeft de benodigde reactietijd gekregen, hiervan gebruikgemaakt en ook inhoudelijk gereageerd op de door eisers ingebrachte stukken. Er is daarom geen sprake van strijd met de goede procesorde. De rechtbank zal de stukken dan ook betrekken bij de beoordeling van het beroep. Hoe is de aanvraag door verweerder opgevat? 5.1. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit enkel is gericht aan [de persoon 2]. Hij is aanvrager van de huisvestingsvergunning, maar is dat niet alleen geweest. Medeaanvragers zijn [de persoon 1] en [de persoon 7]. Verweerder heeft ten onrechte de aanvraag vernauwd tot één aanvrager. 5.2. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de besluitvorming blijkt duidelijk dat verweerder zich bewust is geweest van de feitelijke situatie en de betrokken personen. Zowel de volwassenen als de kinderen die bij de zaak betrokken zijn, zijn door verweerder meegenomen in de besluitvorming. Dit blijkt niet alleen uit het besluit zelf, maar ook uit het verweerschrift. Verweerder heeft zich dus zorgvuldig rekenschap gegeven van de omstandigheden en de groep personen waarop de aanvraag betrekking heeft. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Sociale huurwoning/vrije sector 6.1. Eisers stellen zich op het standpunt dat gelet op de puntentelling sprake is van een vrijesectorwoning waarvoor in feite geen huisvestingsvergunning benodigd is. Van het illegaal doorverhuren door een hoofdbewoner is geen sprake. 6.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat wel sprake is van een sociale huurwoning. Dit blijkt volgens verweerder uit het vonnis van de kantonrechter waarin de huurprijs op 24 maart 2023 € 669,19 was, ruim onder de huurliberalisatiegrens van € 808,06 in 2023. Bovendien zijn huurovereenkomsten die voor 1 juli 1989 zijn aangegaan altijd niet-geliberaliseerd, ongeacht de aanvangshuurprijs. 6.3. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting verklaard zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Eisers hebben het standpunt van verweerder op dit punt niet concreet weerlegd. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat in dit geval wel degelijk sprake is van een huurwoning. De beroepsgrond slaagt niet. Definitie huishouden 7.1. Eisers zijn van mening dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet als huishouden in de zin van de Hvv hebben te gelden en daardoor niet in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. Verwezen wordt naar artikel 2.4.2 van de Hvv. Dat het voorgestelde huishouden meer dan twee personen telt maakt nog niet dat de huisvestingsvergunning geweigerd kan worden. Het aantal personen betreft geen harde weigeringsgrond. Uit de toelichting volgt dat een huishouden kan bestaan uit een "vaste groep van personen" zonder dat hierbij wordt vermeld dat deze groep uit maximaal twee (volwassen) personen bestaat. Er is volgens eisers wel degelijk sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding waarbij sprake is van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en waarbij de intentie bestaat om voor onbepaalde periode samen te wonen. 7.2. Het begrip huishouden is in artikel 1 onder k van de Hvv als volgt gedefinieerd: “een alleenstaande, dan wel twee personen met of zonder kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren waarbij er sprake is van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en waarbij de intentie bestaat om voor onbepaalde periode samen te wonen”. Uit vaste rechtspraak volgt dat hierbij relevant zijn de mate van continuïteit in de samenstelling en de mate van onderlinge verbondenheid. 7.3. De rechtbank constateert dat het in dit geval gaat om verschillende gezinnen die de woning bewonen waarbij de betrokken kinderen niet altijd, maar slechts een deel van de tijd in de woning verblijven omdat hun moeder elders woont en de kinderen ook een deel van de tijd bij de moeder zijn. Het gaat hier verder om drie volwassen broers, waarvan twee broers ieder een eigen gezin hebben. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het samenlevingsverband zoals dat hier bestaat uit meerdere gezinnen bestaat en daardoor niet onder de definitie huishouden van de Hvv valt. Verweerder heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat met het begrip huishouden vooral een gezin bedoeld is bestaande uit volwassenen die (huwelijks)partners zijn met kinderen of zonder kinderen. In het geval van eisers gaat het om meerdere gezinnen waarbij de kinderen bovendien niet permanent in de woning zijn omdat de moeder elders woont. Hoewel de rechtbank vanuit menselijk oogpunt begrip heeft voor de wens van eisers om in deze woning te kunnen blijven wonen na het overlijden van hun moeder, begrijpt de rechtbank gelet op de nijpende woningkrapte in Amsterdam ook dat verweerder dit soort samenlevingsverbanden niet onder de definitie van huishouden wil scharen en vindt de rechtbank de uitleg die verweerder van de definitie huishouden geeft, redelijk. De beroepsgrond slaagt niet. Vertrouwensbeginsel 8.1. Eisers doen een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij hebben een principeverklaring van de gemeente gekregen waaruit volgens eisers blijkt dat zij in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. 8.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. 8.3. De rechtbank is van oordeel dat er in de principeverklaring geen toezegging is gedaan dat de huisvestingsvergunning daadwerkelijk zou worden verleend. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt is in de betreffende principeverklaring expliciet opgenomen dat niet is getoetst aan alle voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning. Zo is bijvoorbeeld nog niet getoetst aan de passendheidscriteria. De afgifte van een principeverklaring houdt slechts in dat in beginsel aan een aantal basisvoorwaarden voor een huisvestingsvergunning wordt voldaan zoals het ingeschreven staan in de BRP en het hebben van rechtmatig verblijf, maar alvorens een huisvestingsvergunning daadwerkelijk kan worden verleend moet ook nog getoetst worden aan een aantal andere voorwaarden, waaronder de passendheidscriteria. Dit maakt dat het verlenen van een principeverklaring nog geen garantie vormt voor het daadwerkelijk in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. De afgifte van een principeverklaring kan daarom ook niet gelden als toezegging dat er een huisvestingsvergunning komt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Hardheidsclausule en evenredigheidsbeginsel 9.1. Eisers voeren aan dat zij dakloos zullen raken als zij niet aanmerking komen voor de gevraagde huisvestingsvergunning. 9.2. Verweerder kan een uitzondering maken op de regels en deze buiten toepassing laten in gevallen waarbij sprake is van een schrijnende situatie en waaraan niet is gedacht bij het opstellen van de regels. In dat geval past verweerder de zogenoemde hardheidsclausule toe. Vanwege de huidige woningnood, past verweerder de hardheidsclausule alleen toe bij hele hoge uitzondering. Het beleid van verweerder is daarbij gericht op gezinnen met minderjarige kinderen, die door overmacht dakloos zijn of dakloos dreigen te worden en op personen met ernstige medische of sociale problematiek gerelateerd aan de woonsituatie. Bij medische problematiek moet er dan sprake zijn van een acuut levensbedreigend probleem. 9.3. De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting hebben eisers verklaard niet op zoek te zijn naar (een) andere woning(en). Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de kinderen niet permanent in de woning verblijven, de kinderen wonen ook bij hun moeder die een eigen woning heeft. Voor de kinderen dreigt dus in ieder geval geen dakloosheid. Ook is de gestelde dreigende dakloosheid van de betrokken volwassen eisers onvoldoende concreet gemaakt. Zoals gezegd begrijpt de rechtbank dat eisers in de woning willen blijven wonen, nu dit de huurwoning van hun moeder was en in ieder geval een van de eisers tot aan haar overlijden lange tijd met haar samen in de woning heeft gewoond. Toch is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers op grond van de hardheidsclausule niet alsnog een huisvestingsvergunning hoeft te verlenen. De situatie van eisers kan (ook in vergelijking met andere gevallen) niet worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schrijnend. Niet gesteld of gebleken is dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem of dat er ernstige medische problemen spelen bij eisers dan wel bij hun kinderen. 9.4. Gelet op het eerdere oordeel over de hardheidsclausule is de rechtbank van oordeel dat in deze situatie geen sprake is van een onevenredige beslissing. Artikel 6 EVRM – redelijke termijn 10.1. Eisers doen een beroep op vergoeding voor de termijnoverschrijding in de zin van artikel 6 van het EVRM. Het gaat hier om een kennelijk onrechtmatig besluit uit 2020, aldus eisers. Toetsingskader 10.2. De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. 10.3. Als een zaak wordt beslecht door middel van een uitspraak van een rechtbank, is de redelijke termijn twee jaar. Als een zaak wordt beslecht door middel van een uitspraak van een hogerberoepsinstantie, is de redelijke termijn vier jaar. 10.4. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren, de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren en de behandeling van het hoger beroep maximaal twee jaar duren. 10.5. Voor elk half jaar (of gedeelte daarvan) dat de redelijke termijn wordt overschreden, wordt een schadevergoeding van € 500,- toegekend. Beoordeling 10.6. De redelijke termijn is gestart vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eisers op 26 februari 2024. Met de uitspraak van de rechtbank van 26 mei 2026 is de procedure geëindigd, zodat de procedure in totaal meer dan twee jaar heeft geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn met 3 maanden is overschreden. Eisers hebben daarom recht op een schadevergoeding van € 500,-. 10.7. De volgende vraag die moet worden beantwoord is aan wie deze overschrijding moet worden toegekend. Verweerder heeft na bijna 11 maanden na het indienen van bezwaar een besluit genomen. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur van bezwaar met 5 maanden is overschreden. 10.8. De termijnoverschrijding is geheel toe te rekenen aan verweerder. Dit leidt ertoe dat verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding aan eisers van een bedrag van € 500,- als vergoeding voor de voor hen geleden immateriële schade. Conclusie en gevolgen11.1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. 11.2. Eisers krijgen wel een vergoeding van hun proceskosten in verband met van het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eisers hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten bestaan uit het indienen van het verzoek (1 punt = € 934,-). De rechtbank zal hierbij de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder om aan eisers een schadevergoeding van € 500,- te betalen wegens geleden immateriële schade;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van bij eisers in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Basisregistratie Personen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.