Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:6132

Institutionele vooringenomenheid maar geen recht op compensatie Wht wegens evident geen recht op KOT; niet aannemelijk dat gekwalificeerde kinderopvang afgenomen is; bewijslast ligt bij aanvrager; beroep ongegrond.

Rechtbank Amsterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:6132 text/xml public 2026-08-03T07:23:44 2026-06-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-28 AMS 25/4497 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6132 text/html public 2026-07-31T10:27:15 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6132 Rechtbank Amsterdam , 28-05-2026 / AMS 25/4497
Institutionele vooringenomenheid maar geen recht op compensatie Wht wegens evident geen recht op KOT; niet aannemelijk dat gekwalificeerde kinderopvang afgenomen is; bewijslast ligt bij aanvrager; beroep ongegrond.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/4497
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigden: mr. J.S. Vlieger en mr. E.J. Prakke),

en
de Dienst Toeslagen
(gemachtigde: mr. S. Maachi).
Samenvatting
1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om compensatie vanwege institutionele vooringenomenheid op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor het jaar 2014 afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met een besluit van 9 maart 2023 (UHT-DCH) heeft de Dienst Toeslagen voor de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 aan eiseres compensatie toegekend vanwege institutionele vooringenomenheid. Met een ander besluit van 9 maart 2023 (UHT-O OGS B) heeft de Dienst Toeslagen voor toeslagjaar 2014 een vergoeding toegekend vanwege een onterechte opzet/grove schuld (O/GS) kwalificatie.
2.1.
Met het bestreden besluit van 2 juli 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het definitieve compensatiebedrag verhoogd. De Dienst Toeslagen is echter bij het standpunt gebleven dat eiseres terecht een O/GS vergoeding heeft gekregen voor toeslagjaar 2014 en dat zij geen recht heeft op compensatie wegens institutionele vooringenomenheid voor dit jaar.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft twee kinderen: een dochter, geboren in 2002, en een zoon, geboren in 2008. Op 18 januari 2021 heeft eiseres zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
3.1.
De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat, hoewel in 2014 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, aan eiseres toch geen compensatie kan worden toegekend. Volgens de Dienst Toeslagen was namelijk sprake van evident geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat eiseres in 2014 geen gekwalificeerde opvang heeft afgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank merkt allereerst op dat in de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in voorgaande jaren fouten zijn gemaakt, waarvan ouders de dupe zijn geworden. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om burgers te compenseren voor deze fouten. De compensatie wordt door de Dienst Toeslagen toegekend. De uitvoering van deze regelingen is belegd bij de UHT.
4.1.
Op 5 november 2022 is de Wht in werking getreden. Hiermee is de wet- en regelgeving over de hersteloperatie toeslagen in één wet ondergebracht. Belangrijke bepalingen uit de Wet hardheidsaanpassing Awir zijn naar deze wet verplaatst. Op grond van het overgangsrecht worden beschikkingen ter zake van compensatie, aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, tegemoetkoming O/GS-tegemoetkomingen, aanvullende O/GS-tegemoetkomingen voor de werkelijke schade of andere tegemoetkomingen of vergoedingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen voor de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens deze wet.
4.2.
Voor deze zaak is van belang dat uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat de Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.
4.3.
Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening.
4.4.
Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht bepaalt dat compensatie niet wordt toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat van een ernstige onregelmatigheid in ieder geval sprake is indien uit het dossier blijkt dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat in het onderzochte toeslagjaar. Dit is bijvoorbeeld het geval als in het geheel geen opvang is genoten. Uit de memorie van toelichting volgt ook dat de bewijslast voor compensatie formeel bij de aanvrager van de compensatie ligt.

Had eiseres in 2014 evident geen recht op kinderopvangtoeslag?

5. Tussen partijen is in geschil of eiseres over 2014 evident geen recht had op kinderopvangtoeslag omdat zij, zoals de Dienst Toeslagen stelt, geen gekwalificeerde opvang heeft afgenomen.
5.1.
Eiseres stelt dat zij in 2014 wel degelijk kinderopvang heeft afgenomen, haar dochter ging in dat jaar namelijk naar de buitenschoolse opvang bij [naam]. Ter zitting heeft eiseres erkend dat zij dit niet met documenten heeft onderbouwd. Zij stelt dat sprake is van bewijsnood aangezien het opvragen van informatie bij de kinderopvanginstelling en andere betrokken instanties, zoals de bank en jeugdzorg, zinloos is. Eiseres betaalde de kinderopvang in 2014 vanaf haar eigen bankrekening. Zij is nadien van bank gewisseld en kan daardoor bij haar oude bank geen informatie opvragen over 2014. Bij [naam] heeft eiseres geen navraag gedaan omdat algemeen bekend is dat dit geen zin heeft voor informatie van zo lang geleden. Eiseres vindt dat onder deze omstandigheden niet van haar kan worden verwacht dat zij aannemelijk maakt dat zij in 2014 opvang heeft afgenomen. Daarom vindt zij dat de bewijslast naar verweerder verschuift. Eiseres verwijst daartoe naar het Handboek Integrale Beoordeling - Vaktechniek (het Handboek) waarin staat dat als de Dienst Toeslagen stelt dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat, hij zeker moet weten dat er in de desbetreffende periode geen opvang is geweest. Uit het enkele feit dat in de KOI-viewer geen gegevens staan over door eiseres genoten opvang in 2014, kan niet worden afgeleid dat die er niet was.
5.2.
De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij in 2014 opvang heeft afgenomen. Dit heeft zij niet gedaan. De rechtbank ziet niet in dat het aan de Dienst Toeslagen is om te onderbouwen dat eiseres in 2014 geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat de bewijslast bij verweerder zou moeten liggen. De verwijzing door eiseres naar het Handboek op dit punt kan niet worden gevolgd, nu daarin geen bewijslast voor verweerder kan worden gelezen, ook niet als sprake is van bewijsnood aan de zijde van eiseres. Dat sprake is van bewijsnood, zoals eiseres stelt, is ook niet aannemelijk geworden. Ter zitting is gebleken dat eiseres geen informatie heeft opgevraagd bij haar vroegere bank of bij de kinderopvanginstelling. De Dienst Toeslagen heeft er verder terecht op gewezen dat eiseres ook geen begin van bewijs heeft geleverd, bijvoorbeeld door het overleggen van foto’s of e-mailcorrespondentie waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de dochter in 2014 naar de buitenschoolse opvang is gegaan. Bij deze stand van zaken en bij het ontbreken van opvanggegevens in de KOI-viewer mocht de Dienst Toeslagen concluderen dat eiseres in 2014 geen opvang heeft afgenomen en dat hiermee evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat.
5.3.
Eiseres heeft aangevoerd dat voor voorgaande jaren ook geen opvanggegevens in de KOI-viewer aanwezig waren en dat zij over die jaren wel is gecompenseerd. Compensatie in een ander jaar maakt echter niet dat automatisch recht op compensatie bestaat in opvolgende jaren. Daarbij geldt dat niet het ontbreken van informatie in de KOI-viewer doorslaggevend is voor de besluitvorming, maar dat het erom gaat dat eiseres geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij in 2014 opvang heeft afgenomen.
5.4.
De discussie over het in 2018 gevoerde telefoongesprek, waarin eiseres tegen een medewerker van de Dienst Toeslagen zou hebben gezegd dat haar kind in 2014 niet naar de opvang ging, behoeft geen bespreking. De Dienst Toeslagen heeft zijn besluit immers al kunnen baseren op het feit dat eiseres haar stelling dat zij in 2014 opvang heeft afgenomen niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat, zoals eiseres stelt, de kinderen in de besluitvorming zijn verward en dat verklaringen en registraties verkeerd zijn geduid, en dat daardoor sprake is van onzorgvuldigheden en een motiveringsgebrek, is niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet vergoed. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. van de Kar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

griffier

Rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Kamerstukken 2, 2021-2022, 36 151, nr. 3, pagina 72.

Artikel delen