Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:6144

Woo-verzoek. Zoekslag voldoende inzichtelijk en eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten zouden moeten zijn. Terechte weigering openbaarmaking namen van ambtenaren die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden. Onvoldoende gemotiveerd dat het noodzakelijk om 'aard van de werkzaamheden' van advocatenkantoor niet openbaar te maken omdat het gaat om zeer algemeen besc...

Rechtbank Amsterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:6144 text/xml public 2026-08-03T07:25:44 2026-06-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-29 AMS 24/5258 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6144 text/html public 2026-07-31T10:31:55 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6144 Rechtbank Amsterdam , 29-05-2026 / AMS 24/5258
Woo-verzoek. Zoekslag voldoende inzichtelijk en eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten zouden moeten zijn. Terechte weigering openbaarmaking namen van ambtenaren die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden. Onvoldoende gemotiveerd dat het noodzakelijk om 'aard van de werkzaamheden' van advocatenkantoor niet openbaar te maken omdat het gaat om zeer algemeen beschreven werkzaamheden, zeker in combinatie met weigeren openbaarmaking uren en uurtarieven.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 24/5258
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen Amstelkroon Vastgoed B.V., uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. R. Ridder),

en
de minister van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigden: mr. T.P.R.M. Varenhorst en mr. J. Groenendijk).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] uit 's-Gravenhage (hierna: [bedrijf]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van eiseres. Eiseres is het niet eens met de mate van openbaarmaking door de minister. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een Woo-verzoek (het verzoek) ingediend. De minister heeft met het besluit van 19 februari 2024 (het primaire besluit) besloten om de gevonden documenten gedeeltelijk openbaar te maken.
2.1.
Met het bestreden besluit van 26 september 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard en besloten meer onderdelen van de documenten openbaar te maken.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [de persoon] en de gemachtigden van de minister. [bedrijf] was, met bericht van verhindering, niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Het verzoek dat eiseres op 16 januari 2024 heeft ingediend, is een vervolg op een eerder verzoek van 3 februari 2022. Eiseres heeft in deze procedure verzocht om openbaarmaking van alle facturen die betrekking hebben op door advocaten, waaronder in ieder geval van het advocatenkantoor [bedrijf], en andere derden verrichte werkzaamheden ten behoeve van de staat en vier met naam genoemde personen. Onderhavig verzoek is specifiek gericht op facturen over de periode van 1 december 2021 tot 16 januari 2024. Verder heeft eiseres verzocht om openbaarmaking van opdrachtbevestigingen die betrekking hebben op dezelfde aangelegenheid als waarop het informatieverzoek van 3 februari 2022 betrekking had.

4. Met het primaire besluit heeft de minister meegedeeld dat acht documenten zijn aangetroffen en dat deze gedeeltelijk openbaar gemaakt worden. Het betreft acht facturen van [bedrijf] uit 2022 en 2023. De minister heeft met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e en f van de Woo geweigerd delen van deze documenten openbaar te maken.

5. Met het bestreden besluit heeft de minister besloten om meer informatie uit de gevonden documenten openbaar te maken, namelijk alle namen van advocaten op de facturen.

Het oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de minister een zorgvuldige en volledige zoekslag heeft gemaakt naar de verzochte documenten en of de minister openbaarmaking van delen van de documenten mocht weigeren. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de proceskostenvergoeding in bezwaar.

7. Bij de beoordeling is het volgende kader van belang. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet (meer) bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. Het onderzoek dat een bestuursorgaan naar documenten moet verrichten, dient zorgvuldig te zijn.
7.1.
De vaste jurisprudentie van de Afdeling houdt niet in dat een verzoeker in elk geval aannemelijk moet maken dat een stuk bij het bestuursorgaan berust. Pas indien een bestuursorgaan na onderzoek stelt dat een document niet meer bij het bestuursorgaan berust en die stelling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het aan een verzoeker om aannemelijk te maken dat het document wel bij het bestuursorgaan berust. De rechter beoordeelt of het door het bestuursorgaan verrichte onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest, waarbij het bestuursorgaan moet aangeven hoe naar de documenten is gezocht. Voor zover openbaarmaking wordt verzocht van documenten die niet (meer) bij het bestuursorgaan berusten maar bij het bestuursorgaan hadden behoren te berusten, mag van dit bestuursorgaan worden verwacht dat het al het redelijkerwijs mogelijke doet om deze documenten alsnog te achterhalen.

De zoekslag

8. Eiseres heeft aangevoerd dat de zoekslag onvoldoende inzichtelijk is gemaakt en onvoldoende is gemotiveerd. Uit het bestreden besluit volgt onvoldoende concreet in welke systemen is gezocht en de minister heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe zijn opdrachten aan derden tot stand komen en worden geregistreerd. Daarnaast heeft de minister [bedrijf] niet bevraagd omtrent het bestaan van opdrachtbevestigingen. Eiseres wijst op twee e-mails, één van 15 augustus 2014 en één met een onbekende datum, waaruit volgens haar volgt dat er contact is geweest tussen het Parket-Generaal en het ministerie van Financiën omtrent de verdeling van de kosten van de gefactureerde werkzaamheden. Het is volgens eiseres aannemelijk dat de opdrachtbevestiging tussen [bedrijf] en de minister niet uitsluitend bestaat uit deze correspondentie. Eiseres verwijst daarvoor naar de wijze waarop advocatenkantoren geacht worden opdrachten aan hun cliënten te bevestigen. Ook wijst eiseres op een e-mail van 18 november 2019 waaruit volgt dat de FIOD nog geen facturen heeft, omdat zij ‘op basis van bijgevoegde mail van het OM (...) zit te wachten op een nog te maken afspraak en mogelijke verdeling van de gemaakte c.q. te maken kosten’. De bijgevoegde mail van het Openbaar Ministerie, die gelet op het bovenstaande betrekking moet hebben op betaalafspraken en dus onderdeel moet zijn van een opdrachtbevestiging, ontbreekt. Mailverkeer hierna ontbreekt ook, maar er is daarna wel gefactureerd. Het is aannemelijk dat vervolgcorrespondentie aanwezig is en dat deze een opdrachtbevestiging moet inhouden.
8.1.
De minister heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift een nieuwe zoekslag verricht. Hij stelt dat deze zoekslag en de toelichting daarop in het bestreden besluit voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld in de rechtspraak. De minister heeft de zoekslag als volgt omschreven: er is gezocht binnen de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken (BJZ) van het Parket-Generaal, alsook bij de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie (DVOM). Medewerkers van BJZ hebben hun mailboxen, persoonlijke mappen en een bijgehouden overzicht van alle facturen van [bedrijf] doorzocht op de gevraagde informatie. Bij de DVOM is gezocht door een senior Adviseur Audit en Control in het systeem ‘Leonardo’, waarin alle facturen geregistreerd worden. Hierbij is het grootboek met betrekking tot [bedrijf] als crediteur geraadpleegd.
8.2.
De minister heeft in de beroepsfase contact opgenomen met [bedrijf] over de opdrachtbevestigingen. [bedrijf] heeft vervolgens in haar administratie gezocht en heeft hierbij geen opdrachtbevestigingen aangetroffen. De minister benadrukt dat gezien de overkoepelende afspraken tussen de staat en [bedrijf] niet noodzakelijk is dat in elke individuele zaak een opdrachtbevestiging wordt gestuurd. In de zaken waarop het verzoek van eiseres ziet, zijn geen opdrachtbevestigingen aangetroffen.
8.3.
Naar aanleiding van deze uitvraag in de beroepsfase heeft eiseres op de zitting meegedeeld dat zij de beroepsgrond laat vallen voor zover deze ziet op het verwijt dat de minister niet opnieuw contact heeft opgenomen met [bedrijf].
8.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister met de beschrijving als hiervoor weergegeven, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de zoekslag is uitgevoerd. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat facturen alleen in het systeem Leonardo worden geregistreerd en dat er dus geen andere systemen zijn waarin gezocht had moeten worden. Ook naar de bevestiging van een opdracht aan een advocatenkantoor is afdoende gezocht. In het verlengde daarvan acht de rechtbank het aannemelijk dat er geen opdrachtbevestigingen bij de minister berusten die onder de reikwijdte van het verzoek vallen. De minister heeft voldoende overtuigend toegelicht dat gelet op de overkoepelende afspraken tussen de staat en [bedrijf], niet noodzakelijkerwijs opdrachtenbevestigingen aanwezig zijn voor elke individuele zaak. Dit wordt onderstreept door het feit dat ook [bedrijf] in haar administratie gezocht heeft en geen opdrachtbevestigingen heeft aangetroffen. De gestelde wijze waarop advocatenkantoren geacht worden opdrachten aan hun cliënten te bevestigen, evenals de verwijzing naar de e-mail van 18 november 2019, leveren naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete aanknopingspunten op waaruit volgt dat er opdrachtbevestigingen aanwezig moeten zijn. De e-mail bevat immers alleen verwijzingen naar afspraken over de kostenverdeling, daaruit kan niet concreet worden afgeleid dat er een schriftelijke opdrachtbevestiging is. Dat nadien is gefactureerd maakt evenmin aannemelijk dat er een opdrachtbevestiging is. De beroepsgrond betreffende de zoekslag slaagt niet.

Weigering op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo

9. Eiseres stelt dat de minister de weigering om namen en gegevens van ambtenaren in de documenten openbaar te maken vanwege de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer, ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De minister moet de weigering op deze grond immers afzetten tegen het algemene belang van openbaarmaking. De minister neemt hierbij ten onrechte aan dat eiseres slechts een persoonlijk belang heeft bij openbaarmaking. Eiseres stelt dat wel degelijk een algemeen of publiek belang bestaat bij openbaarmaking van de namen van de ambtenaren die zijn vermeld in de documenten. Het gaat er in deze zaak immers om hoe eiseres door de staat is bejegend, dit is een wijze van bejegening ‘die niet thuishoort in een democratische rechtsstaat’.
9.1.
De minister heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat in de facturen sprake is van ambtenaren die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden en dat volgens vaste rechtspraak de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer zich dan verzet tegen openbaarmaking van hun namen en gegevens.
9.2.
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo, blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Op grond van deze uitzonderingsgrond heeft de minister geweigerd de namen van ambtenaren openbaar te maken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling verzet het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt.
9.3.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kennisgenomen van de vertrouwelijk overgelegde ongelakte versie van de acht facturen. Daarbij is de rechtbank niet gebleken dat daarin namen en gegevens van ambtenaren zijn vermeld die wegens hun functie in de openbaarheid treden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het belang van openbaarmaking desalniettemin zwaarder weegt dan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de ambtenaren. Wat zij heeft aangevoerd over hoe zij door de staat is bejegend is daartoe onvoldoende. De minister heeft daarom de openbaarmaking van de namen en gegevens van ambtenaren in de facturen op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo mogen weigeren.

Weigering op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo

10. Eiseres voert aan dat de minister de in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo opgenomen weigeringsgrond, die dient ter bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegevens, onjuist heeft toegepast. De minister heeft volgens eiseres ten onrechte in de facturen opgenomen informatie onder het kopje ‘aard van de werkzaamheden’, alsmede tarieven en gewerkte uren aangemerkt als concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens. Door de bijzondere relatie tussen [bedrijf] en de staat is niet zonder meer sprake van een open markt met veel concurrentie. Daarnaast zijn de uurtarieven over 2022 en 2023 eenvoudig vast te stellen, waardoor het te beschermen belang hierbij niet aanwezig is. Eiseres stelt verder dat de minister niet heeft gemotiveerd dat alle weggelakte informatie concurrentiegevoelig is. Eiseres betwist dat informatie zoals zaakkenmerken, declaratienummers en opdrachtnummers moeten worden aangemerkt als concurrentiegevoelige informatie. In ieder geval ten aanzien van de omschrijving van de ‘aard van de werkzaamheden’ is niet goed voorstelbaar op welke wijze dit potentiële concurrenten een voordeel zou geven.
10.1.
De minister heeft in dit verband aangevoerd dat openbaarmaking van de specificaties, waaronder de verrichte werkzaamheden, uurtarieven en aantallen gewerkte uren, leidt tot onevenredige benadeling omdat concurrerende advocatenkantoren en juridische dienstverleners hierdoor inzicht kunnen krijgen in de gehanteerde methodieken en bedrijfsstrategieën van [bedrijf]. Dat [bedrijf] met de staat het ‘landscontract’ heeft afgesloten maakt niet dat [bedrijf] niet in een markt met concurrerende aanbieders opereert. Zowel de Afdeling als de rechtbank Amsterdam hebben aangenomen dat bedrijfsinformatie van [bedrijf] kan worden aangemerkt als concurrentiegevoelige informatie.
10.2.
Bij de beoordeling in de raadkamer van de ongelakte facturen heeft de rechtbank vastgesteld dat niet alles wat daarin onder het kopje ‘aard van de werkzaamheden’ is vermeld en met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo is weggelakt, in zijn algemeenheid als ‘aard van de werkzaamheden’ kan worden aangemerkt. Voor zover stukken tekst die zijn weggelakt niet zien op de aard van de werkzaamheden, is voor de rechtbank niet begrijpelijk waarom openbaarmaking onder deze grond is geweigerd. Voor zover wat is geweigerd wel valt onder de noemer ‘aard van de werkzaamheden’, geldt dat sprake is van zeer algemeen beschreven werkzaamheden, waarvan in zijn algemeenheid bekend is dat advocaten deze werkzaamheden uitvoeren. De minister heeft niet voldoende concreet toegelicht dat het openbaar maken van voor advocaten gangbare werkzaamheden de concurrentiepositie van [bedrijf] schaadt. De omschrijving is zodanig abstract, dat hieruit geen informatie kan worden gehaald over gehanteerde methodieken of bedrijfsstrategieën. De uitspraak van de Afdeling van 5 december 2018 waarnaar de minister heeft verwezen ging over specificaties met daarop vermeld de hoeveelheid uren en uurtarieven van [bedrijf], en niet om de aard van de werkzaamheden. De uitspraak is in dit verband niet aan de orde. De slotsom is dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd.
10.3.
Eiseres heeft ter zitting meegedeeld dat zij niet specifiek geïnteresseerd is in de weggelakte getallen. Voor zover eiseres zich nog verzet tegen de weigering om de uurtarieven en de gewerkte uren openbaar te maken volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat deze informatie, zoals de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak van 5 december 2018 heeft geoordeeld, dient te worden aangemerkt als concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens.
10.4.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat de minister niet concreet heeft toegelicht in hoeverre de weggelakte declaratienummers en andere administratieve gegevens kunnen worden aangemerkt als concurrentiegevoelige informatie. De enkele verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling is daarvoor onvoldoende nu daarin niet is geoordeeld over informatie van administratieve aard zoals declaratienummers, zaakskenmerken en opdrachtnummers. In zoverre is het bestreden besluit daarom eveneens onvoldoende gemotiveerd.
10.5.
De slotsom is dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat voor zover het gaat om de weigering om de informatie openbaar te maken die in de facturen is vermeld onder het kopje ‘aard van de werkzaamheden’ en de declaratienummers, zaakskenmerken en opdrachtnummers. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

De proceskostenvergoeding in bezwaar

11. Eiseres stelt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beslist over het toekennen van de in bezwaar verzochte proceskostenvergoeding. Eiseres stelt verder dat de minister in het verweerschrift ten onrechte uitgaat van een wegingsfactor ‘licht’.
11.1.
De minister heeft in reactie op deze beroepsgrond erkend dat in bezwaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend. Hij stelt dat moet worden uitgegaan van een wegingsfactor ‘licht’, omdat eiseres dezelfde argumenten in meerdere zaken heeft aangevoerd en omdat het om een beperkt aantal documenten gaat. De proceskostenvergoeding komt volgens de minister uit op € 647,- (twee punten met een waarde van € 647,- met een wegingsfactor 0,5).

12. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit niet heeft beslist op de in bezwaar verzochte proceskostenvergoeding. Ook in dat opzicht is het bestreden besluit dus gebrekkig gemotiveerd. De rechtbank volgt de minister niet in zijn in de beroepsfase ingenomen standpunt voor wat betreft de wegingsfactor. In wat de minister heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een wegingsfactor ‘licht’. Dat meerdere zaken van eiseres over hetzelfde onderwerp lopen en dat eiseres daarbij ook overeenkomende gronden aanvoert, is daarvoor niet van belang.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat sprake is van gebreken in de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit. Het is aan de minister na een zorgvuldig onderzoek het bestreden besluit nader te motiveren. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
13.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
13.2.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

draagt de minister op het betaalde griffierrecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W. van de Kar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.

Griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:922.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:263.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:122.

Uitspraak van de Afdeling van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3994, r.o. 8.1.

Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2025, AMS 24/1662 (niet gepubliceerd), r.o. 13-14.

Artikel delen