Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:6231

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang. Eiseres heeft ondanks een uitdrukkelijk verzoek van de rechtbank niet inhoudelijk gereageerd om het verzoek om het procesbelang toe te lichten. Het procesbelang kan om die reden niet worden vastgesteld.

Rechtbank Amsterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:6231 text/xml public 2026-08-03T07:28:14 2026-06-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-06-16 AMS 21/5820 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6231 text/html public 2026-07-31T10:42:39 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6231 Rechtbank Amsterdam , 16-06-2026 / AMS 21/5820
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang. Eiseres heeft ondanks een uitdrukkelijk verzoek van de rechtbank niet inhoudelijk gereageerd om het verzoek om het procesbelang toe te lichten. Het procesbelang kan om die reden niet worden vastgesteld.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/5820
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen de besloten vennootschap Greenboats B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. L.W. Tellegen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college)

(gemachtigden: mrs. B.S. Jaasma en M.H.A. Bakkum).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aanvragen uitgifteronde 2024 voor exploitatievergunningen voor de passagiersvaart. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiseres geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft drie aanvragen ingediend voor een exploitatievergunning voor de vaartuigen [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Het college heeft deze aanvragen met de verschillende besluiten van 16 maart 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2021 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvragen gebleven en is het bezwaar tegen alle aan andere reders verleende exploitatievergunningen binnen het segment ‘klein en middelgroot’ niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een algemeen en een specifiek verweer.
2.2.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025 in deze zaak en de zaken genoemd in bijlage 1 bij deze uitspraak. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. Op die zitting is het volumebeleid besproken en zijn met partijen afspraken gemaakt over het verdere verloop van de procedure. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting in alle zaken gesloten. De rechtbank heeft op 1 december 2025 in alle zaken het onderzoek heropend en bepaald dat in alle zaken het onderzoek op 13 januari 2026 wordt voortgezet.
2.3.
Vervolgens heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 13 januari 2026 in deze zaak en de zaken genoemd in bijlage 1. De zaken zijn gelijktijdig behandeld waarbij het welstandsbeleid is besproken. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
2.4.
Bij brief van 16 januari 2026 in alle zaken heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat er geen nadere zittingen zullen plaatsvinden.
2.5.
Op 22 januari 2026 heeft de rechtbank aan eiseres een aantal vragen gesteld over de rol van [bedrijf 1] en of de aanvragen van eiseres zagen op nog te bouwen vaartuigen of op bestaande vaartuigen. De aanleiding hiervoor was de brief van 16 oktober 2025 van eiseres. In deze brief is antwoord gegeven op de brief van 2 oktober 2025 waarin de rechtbank heeft verzocht om opgave te doen van de aanvragen die nog voorliggen in de onderhavige procedures.
2.6.
De rechtbank heeft op 1 februari 2026 een reactie ontvangen van eiseres. De rechtbank heeft aanleiding gezien om op 6 februari 2026 het onderzoek in deze zaak alsnog te heropenen en het college om een reactie te vragen. Het college heeft op 20 februari 2026 gereageerd op de reactie van eiseres. Vervolgens heeft de rechtbank verzocht aan eiseres om te reageren op de brief van het college, waarbij tevens expliciet is gevraagd om duidelijkheid te verschaffen over het procesbelang. Eiseres heeft op 31 maart 2026 gereageerd op de brief van het college. Het college heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot reactie op deze brief.
2.7.
Partijen hebben de rechtbank desgevraagd niet laten weten dat ze op zitting willen worden gehoord. Daarom zal de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht een nader onderzoek ter zitting achterwege laten. De rechtbank sluit het onderzoek en doet meteen uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiseres procesbelang bij haar beroep?

3. De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft bij deze procedure.

4. Procesbelang is het belang dat eiseres heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat eiseres voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor eiseres van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvragen voor de vaartuigen [naam 1] en [naam 2] zien op bestaande vaartuigen met een herleefde vergunning. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of de aanvraag voor het vaartuig [naam 3] een bestaand vaartuig betrof. Volgens eiseres ziet de aanvraag voor het vaartuig [naam 3] op een nog te bouwen vaartuig waarvoor zij een nieuwe vergunning heeft aangevraagd. Volgens het college gaat het om een bestaand vaartuig met een herleefde vergunning.

6. De rechtbank stelt vast dat eiseres op de aanvraagformulieren heeft aangegeven dat de betreffende vaartuigen al een exploitatievergunning hebben. Daarbij heeft eiseres in het kader van het beschikkingscriterium voor alle drie de aanvragen een leaseovereenkomst overgelegd. Hieruit volgt dat eiseres ten tijde van de aanvragen al beschikte over de vaartuigen. Indien de aanvragen zouden zien op nog te bouwen vaartuigen, zou eiseres, zoals het college terecht heeft gesteld, hebben moeten aantonen dat de bouw van de vaartuigen gefinancierd kon worden en dat het vaartuig daadwerkelijk, bijvoorbeeld bij een werf, gebouwd kon worden. Daarvan is geen sprake. Hetgeen eiseres heeft verklaard brengt de rechtbank niet tot een andere vaststelling van de feiten.

7. De rechtbank stelt dan ook vast dat alle drie de aanvragen van eiseres bestaande vaartuigen betroffen. De rechtbank stelt ook vast dat deze exploitatievergunningen herleefden na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2024.

7. De rechtbank heeft expliciet aan eiseres gevraagd wat haar procesbelang is. De exploitatievergunningen van de vaartuigen waarvoor eiseres de aanvragen heeft gedaan, zijn immers al herleefd. Eiseres heeft in reactie daarop uitsluitend gereageerd op de feitelijke vragen rondom de vaartuigen. Eiseres heeft desgevraagd niet onderbouwd waaruit het procesbelang (nog) bestaat. De rechtbank kan het procesbelang dan ook niet vaststellen en zal om die reden het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Het college moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit omdat het beroep tegen het bestreden besluit wel terecht is ingesteld. Ten tijde van het instellen van het beroep was er wel procesbelang, omdat de bestaande vergunningen nog niet waren herleefd. Eiseres krijgt daarom ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 360,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. M.H. van Haeften, leden, in aanwezigheid van mrs. N. van der Kroft en C. Simonis, griffiers.

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage 1: overzicht zaaknummers
1. B.S.V. Amsterdam, (21/4914)

2. Holy Boat B.V. (21/4918)

3. Rederij Nassau B.V. (21/4919)

4. Flagship Holding B.V. (21/4920)

5. Rederij Lovers B.V. (21/5147)

6. Algemene Amsterdamse Rederij Noord-Zuid B.V., h.o.d.n. Blue Boat

Company en Dobber Amsterdam Canal Cruises B.V., (21/5187)

7. Rederij Amsterdam B.V. (21/5310)

8. [de persoon], (21/5679)

9. Join our Cruise B.V. (21/5787)

10. Greenboats B.V. ([bedrijf 1]), (21/5820)

11. Stromma Nederland B.V., (21/5937)

12. Rederij Belle B.V., (22/518),

13. Rederij P. Kooy B.V., (23/2726 en 23/2728)

14. Reederij E.E. Plas B.V., (23/3080 en 23/3083)

15. [bedrijf 2] (eenmanszaak), (23/6964)

ECLI:NL:RVS:2024:3732.

Artikel delen