Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:6269

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van de Wet WIA. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet slaagt

Rechtbank Amsterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:6269 text/xml public 2026-08-03T07:30:44 2026-06-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-25 AMS 25/2106 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6269 text/html public 2026-07-31T10:47:16 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6269 Rechtbank Amsterdam , 25-02-2026 / AMS 25/2106
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van de Wet WIA. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet slaagt

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/2106
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Als derde-partij heeft aan de zaak deelgenomen: [stichting] uit Amsterdam, die te kennen heeft gegeven alleen een kopie van de uitspraak te willen ontvangen.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Inleiding
2. Eiser ontvangt vanaf 19 augustus 2021 een uitkering op grond van de Wet WIA, in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering. Op 18 augustus 2023 heeft eiser de maximale duur van deze uitkering bereikt. Het UWV heeft eiser bij beslissing van 13 juni 2023 (de primaire beslissing) vervolgens per 19 augustus 2023 een loonaanvullingsuitkering toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 – 100%. Eiser en de werkgever hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

3. Op 19 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van de werkgever gegrond verklaard en de beslissing van 13 juni 2023 gewijzigd. Daarbij is eiser per 19 augustus 2023 niet langer 80 – 100%, maar 71,33% arbeidsongeschikt geacht. Met inachtneming van een uitlooptermijn van 24 maanden, wijzigt de uitkering van eiser vanaf 1 februari 2027.

4. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Datum in geding

5. Eiser voert allereerst aan dat het UWV ten onrechte geen beoordeling heeft gedaan per 27 januari 2025, de datum dat het UWV het voornemen tot wijziging van de uitkering aan eiser heeft gestuurd. Het bestreden besluit is namelijk mede gebaseerd op de rapportage per die datum door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep waarbij nieuwe functies zijn geduid. Als gevolg daarvan is de mate van arbeidsongeschiktheid in bezwaar gewijzigd en dient deze datum als datum in geding te gelden, aldus eiser. Omdat het gaat om een wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage in het nadeel van eiser, geldt de zogenoemde aanzegjurisprudentie. Aangezien op 27 januari 2025 meerdere nieuwe functies zijn geduid, heeft het UWV ook de belastbaarheid van eiser op de datum moeten vaststellen.

6. Deze grond slaagt niet. Het UWV heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser in de beslissing op bezwaar op de oorspronkelijke datum in geding lager vastgesteld dan in de primaire beslissing. De datum in geding is de datum van de overgang van de loongerelateerde WGA-uitkering naar de WGA-loonaanvullingsregeling. Het UWV heeft hierbij een uitlooptermijn van 24 maanden gehanteerd, vanaf de eerste dag van de maand na de aanzegging, dus tot 1 februari 2027, wat betekent dat de uitkering van eiser pas na 24 maanden wijzigt. Hiermee heeft het UWV eiser de gelegenheid gegeven om zich op de nieuwe situatie in te stellen, zoals de aanlooprechtspraak vereist. De omstandigheid dat het UWV na de heroverweging in bezwaar tot een ander (lager) arbeidsongeschiktheidspercentage concludeert, wijzigt niet de datum in geding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat de datum in geding in dit geval onveranderd 19 augustus 2023 is.

7. De uitspraak waar eiser naar verwijst, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat in die uitspraak sprake was van een andere situatie, namelijk een herbeoordeling.

De arbeidsongeschiktheid

8. De rechtbank moet daarom in deze procedure de vraag beantwoorden of het UWV eiser terecht per 19 augustus 2023 71,33% arbeidsongeschikt heeft geacht. Dit beoordeelt de rechtbank aan de hand van de argumenten van eiser.

9. Het uitgangspunt hierbij is dat het UWV zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat deze rapporten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of inhoudelijk onjuist zijn. Aan de hand van de argumenten van eiser gaat de rechtbank hieronder in op de vraag of eiser dit aannemelijk heeft gemaakt, te beginnen met het medisch onderzoek.

De medische grondslag

Hand- en vingerklachten

10. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij meer beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. Uit de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken blijkt dat er een beperking moet worden aangenomen voor fijn motorische hand- en vingerbewegingen en repetitieve hand- en vingerbewegingen, aangezien eiser trillende handen en vreemde trekkingen in het gelaat heeft. Dit past bij Quervain, aldus eiser. Verder zijn (verdergaande) beperkingen in de rubrieken hand- en vingerbewegingen aannemelijk gelet op de objectieve waarnemingen van de verzekeringsarts in combinatie met een operatieve ingreep die eiser in 2006 heeft gehad aan zijn pols. Dit heeft restbeperkingen veroorzaakt. Deze beperkingen kunnen ook gelieerd zijn aan de vastgestelde hypochondrie en psychische klachten. Eiser gebruikt zeer veel medicatie om de pijn enigszins te kunnen onderdrukken. Eiser kampt al sinds 2021 met het carpaal tunnelsyndroom. Hiervoor is eiser in 2025 nog doorverwezen naar de plastisch chirurg.

11. In het rapport van 10 februari 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat trillende handen geenszins impliceert dat de handbewegingen of repetitieve bewegingen gestoord zouden zijn. De primaire verzekeringsarts heeft beschreven dat hij verder geen afwijkingen kon waarnemen. Uitgaande van een mogelijke Quervain volstaat het om zwaarder tillen/dragen te beperken. De gemiddelde normaalwaarde bij een score van 10 kg is dan zo hoog, dat er gekozen is voor gemiddeld 5 kg en expliciet daarnaast is aangegeven dat eiser vijf keer tien kg mag tillen. Aldus wordt voorkomen dat de polsen van eiser te zwaar worden belast. In het rapport van 29 september 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat de ingreep in 2006 ongecompliceerd is verlopen en dat eiser nadien gewoon heeft gefunctioneerd. Dit gegeven maakt niet dat hij beperkt moet worden geacht ten aanzien van hand- en vingergebruik.

12. De rechtbank kan deze motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen. De rechtbank is hierbij ook van oordeel dat de door eiser overgelegde medische informatie niet leidt tot twijfel aan deze motivering. Uit de informatie van de orthopedisch chirurg van 9 oktober 2006 volgt immers niet dat eiser op de datum in geding (ruim 17 jaar later) verder beperkt was. Verder volgt uit de informatie van de huisarts niet dat eiser op de datum in geding medicatie gebruikte om de pijn te kunnen onderdrukken. De genoemde medicatielijst gaat immers terug tot 26 juni 2024, hetgeen meer dan een half jaar na de datum in geding is.

Rugklachten

13. Eiser voert verder aan dat verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn rugklachten en een verdergaande beperking heeft moeten aannemen in de rubriek lopen, staan tijdens het werk en buigen. Eiser verwijst naar een rapport van de orthopedisch chirurg, waarin hij rapporteert dat bij eiser sprake is van forse discusruimteversmalling ter hoogte van L4/L5 met reactieve spondylofytvorming. Ook is sprake van facetartrose laaglumbaal en op de lumbosacrale overgangen. Uitlokkende factoren voor deze rugklachten zijn lang staan en bukken. De aanvullende MRI toont aan dat het voor eiser niet mogelijk is om 150 keer per uur 90 graden te buigen. De rubriek buigen moet daarom beperkt worden naar 45 graden. Eiser kan verder door de rugklachten, die uitstralen naar zijn benen, niet naar behoren knielen en hurken. Daarnaast is in 2011 een scan gemaakt van de bekkenbodem van eiser, waarin afwijkingen zijn geconstateerd door de radioloog. Tot slot is het dragen van braces en het vervangen zijn knie een laatste redmiddel.

14. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 september 2025 toegelicht dat al bekend was dat sprake was van degeneratieve afwijkingen. De specialist beschrijft een beperkte rugfunctie, maar geen neurologische uitvalsverschijnselen en normale spierkracht in de heup/benen. De afwijking kan in bepaalde houdingen compressie geven op de wortel L5 links. De verzekeringsarts heeft eiser daarom beperkt geacht voor zwaarder tillen, langer aaneen staan, gebogen en/of getordeerd actief zijn, geknield of gehurkt actief zijn en traplopen. Dat eiser 150 keer 90 graden kan buigen is, anders dan eiser stelt, niet gesteld. Bij nader inzien en gezien de beperkte buigfunctie die de primaire verzekeringsarts heeft beschreven, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangevuld en buigen beperkt geacht tot maximaal 60 graden. De rugklachten en de beschreven radiologische afwijking in het linker bovenbeen maakt dat eiser niet zou kunnen knielen of hurken.

15. Ook wat betreft de rugklachten ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De rechtbank betrekt hierbij dat de verzekeringsartsen hebben onderkend dat eiser klachten heeft, maar dat de informatie van de orthopedisch chirurg van 7 februari 2025 geen aanleiding geeft om verdergaande beperkingen op te nemen. Het tegendeel volgt niet uit de medische stukken die eiser heeft overgelegd.

Psychische klachten

16. Eiser betoogt tot slot dat de psychische klachten nog altijd onverminderd aanwezig zijn. Eiser maakte een ernstig verwarde indruk tijdens de hoorzitting van het UWV, zo voert hij aan. Zijn medische situatie is ten opzichte van 2021 alleen maar verslechterd. Dit wordt ook onderschreven door de curatieve sector. Eiser heeft behandeling gezocht voor zijn psychische klachten. Dit toont aan dat de psychische klachten nog altijd onverminderd aanwezig zijn, aldus eiser.

17. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 september 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat niet wordt bestreden dat bij eiser sprake is van diverse trauma’s. Hij was in 2021 dusdanig depressief dat de verzekeringsarts hem toen niet belastbaar beschouwde. Bij de latere beoordeling was dit anders. Dat nog steeds sprake is van psychische problemen betekent niet dat eiser niets kan of mag doen. De informatie van de huisarts levert geen nieuwe inzichten op en ook de informatie van de psychotherapeut werpt geen nieuw licht op de zaak, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

18. Ook hier ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderkend dat eiser aan psychische problemen lijdt en heeft hiervoor beperkingen opgenomen. Dat deze beperkingen onvoldoende zijn, is niet gebleken, ook niet uit de medische informatie van de psychosomatisch oefentherapeut.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Er is geen aanleiding om het UWV te op te dragen het griffierecht of proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

Werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 februari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:344.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4202.

Artikel delen