ECLI:NL:RBAMS:2026:6364text/xmlpublic2026-08-03T10:31:122026-06-23Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-06-23AWB - 25 _ 4730UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLAmsterdamBestuursrecht; SocialezekerheidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6364text/htmlpublic2026-07-31T12:25:392026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:6364 Rechtbank Amsterdam , 23-06-2026 / AWB - 25 _ 4730 Stopzetting WIA.
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/4730 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats] (Turkije), eiseres (gemachtigde: mr. M.I. Bal), en De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Kok). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [stichting] uit [vestigingsplaats] (de voormalig werkgever). Procesverloop Met het besluit van 6 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 13 september 2024 beëindigd. Met het besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder en mr. A. Bal, waarnemend kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres. Geen toestemming 1. Eiseres heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan de voormalig werkgever. De rechtbank heeft om die reden besloten, onder verwijzing naar artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat de kennisneming van medische stukken in deze zaak is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. Gelet hierop zal de rechtbank bij de motivering van haar beslissing medische terminologie zoveel mogelijk vermijden om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog bij de voormalig werkgever bekend raken. Termen uit de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) zijn wel opgenomen. Wat aan deze procedure voorafging 2. Eiseres was laatstelijk werkzaam als begeleider bij haar voormalig werkgever voor gemiddeld 21,60 uren per week. Op 28 maart 2014 heeft eiseres zich ziekgemeld. Aan eiseres is met ingang van 25 maart 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, die per 25 oktober 2017 is omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. In 2016 is eiseres met haar gezin geremigreerd naar Turkije. Op 8 mei 2019 heeft de voormalig werkgever verzocht om een herbeoordeling van de WIA-uitkering van eiseres. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan besloten dat het recht van eiseres op een WIA-uitkering ongewijzigd blijft. Op 17 maart 2022 heeft de voormalig werkgever nogmaals verzocht om een herbeoordeling. Dit heeft geleid tot de onder het procesverloop hierboven genoemde besluiten. 2.1. Met het primaire besluit is de WIA-uitkering van eiseres per 13 september 2024 beëindigd. Aan dit besluit heeft verweerder een rapport van een verzekeringsarts van
15 november 2023 met een op dezelfde dag opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML) en een rapport van een arbeidsdeskundige van 1 maart 2024 ten grondslag gelegd. 2.2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 mei 2025 ten grondslag gelegd, een op 16 juni 2025 opgestelde FML en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 30 juni 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende beperkingen gesteld voor arbeid met veelvuldige deadlines of productiepieken en voor het houden van het hoofd in een bepaalde stand tijdens het werk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft drie eerder geduide functies laten vervallen en in plaats daarvan twee andere functies geselecteerd. De mate van arbeidsongeschiktheid heeft hij gewijzigd in 32,59 %. Omdat dit minder is dan 35%, heeft verweerder de afwijzing van de WIA-aanvraag met het bestreden besluit gehandhaafd. 3. Eiseres is het daarmee niet eens en is in beroep gegaan bij de rechtbank. Beoordeling door de rechtbank 4. In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden de WIA-uitkering van eiseres per 13 september 2024 heeft beëindigd, omdat zij voor 32,59% arbeidsongeschikt is. De rechtbank beantwoordt deze vraag aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 5. Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Medische beoordeling Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek 6. De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd met de daarin aanwezige medische informatie. De verzekeringsarts heeft de resultaten van dit onderzoek bij zijn beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres op het spreekuur van 14 mei 2025 psychisch en lichamelijk onderzocht en heeft ook het dossier bestudeerd en informatie van derden bij de beoordeling betrokken, waaronder een medisch rapport van 9 oktober 2023 opgesteld op verzoek van verweerder door artsen in Turkije. Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle medische gegevens op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. De rapporten zijn inzichtelijk, bevatten geen tegenstrijdigheden en het onderzoek kan de getrokken conclusies dragen. Medische grondslag van het bestreden besluit 7. Eiseres voert aan dat haar beperkingen zijn onderschat en haar belastbaarheid is overschat. Zo valt volgens eiseres onder meer op dat er geen beperking is gesteld voor één van de fysieke klachten waar eiseres al enige tijd last van heeft. 7.1. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in zijn rapport van 22 september 2025 op gewezen dat de betreffende klacht bekend is en dat uit informatie van de behandelend sector niet blijkt dat deze klacht ernstig is. Uit de anamnese van eiseres blijkt dit echter niet. Uit de resultaten van het lichamelijk onderzoek op 9 oktober 2023 blijkt dat op dit punt ook geen afwijkingen zijn gevonden. Hooguit is eiseres vanwege deze klacht aangewezen op het vermijden van een erg zware energetische belasting en daarmee is in de FML al rekening gehouden, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn standpunten voldoende heeft gemotiveerd en ziet geen reden om aan zijn oordeel te twijfelen. 8. Verder stelt eiseres dat zij bepaalde psychische klachten ervaart, maar dat dit onvoldoende is meegewogen, terwijl in een eerdere beoordeling meer beperkingen gesteld zijn voor persoonlijk en sociaal functioneren vanwege deze klachten. Eiseres wijst er in dit verband op dat uit het onderzoek de indruk ontstaat dat een bepaald medicijn uitsluitend is voorgeschreven voor één klacht, terwijl dit medicijn ook voor een andere klacht wordt voorgeschreven. Dit maakt dat voor de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren ruimere beperkingen gesteld hadden moeten in de FML. 8.1. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst erop dat het betreffende medicijn inderdaad bij beide genoemde klachten kan worden voorgeschreven. Eiseres heeft op de hoorzitting echter verklaard dat zij het medicijn alleen gebruikt voor één van de genoemde klachten en dus niet voor de andere klacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst erop dat uit een brief van een behandelaar van 11 maart 2024 blijkt dat zij dit medicijn ook niet gebruikt vanwege de andere klacht, die volgens haar maakt dat ruimere beperkingen in de FML gesteld hadden moeten worden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op wat eiseres aanvoert, gewezen op zijn rapport van 20 mei 2025. Hierin is toegelicht waarom in verband met verschillende klachten van eiseres in bezwaar (net als bij de WIA-beoordeling in 2016 en in 2020) aanvullende beperkingen zijn opgenomen. Bovendien is in het rapport van 20 mei 2025 toegelicht dat verdergaande beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren niet noodzakelijk zijn, omdat bij psychisch spreekuuronderzoek geen afwijkingen zijn gevonden en geen sprake is van intensieve behandeling voor deze klachten. In dit rapport is verder toegelicht dat de eerder gestelde beperking voor hoog handelingstempo is vervallen omdat bij eiseres geen (medische) aanwijzingen bestaan voor een verlaagd handelingstempo in het dagelijks leven of een aandriftverlies. Al deze standpunten acht de rechtbank inzichtelijk en voldoende gemotiveerd. Eiseres heeft geen stukken overgelegd die daarop een ander licht werpen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 9. Daarnaast stelt eiseres dat zij verschillende (andere dan hiervoor bedoelde) medicijnen gebruikt. Op grond daarvan hadden beperkingen moeten worden gesteld voor het beroepsmatig bedienen van een voertuig en het werken met verhoogd persoonlijk risico. 9.1. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie hierop verwezen naar informatie van het Instituut Verantwoord Medicijngebruik. Daaruit blijkt dat voor twee medicijnen die eiseres op de datum in geding (mogelijk) gebruikte het advies is om slechts in de eerste week van het gebruik geen auto te rijden. Dit heeft dus geen invloed op de rijvaardigheid bij langdurig gebruik. De andere medicatie van eiseres heeft geen dan wel weinig invloed op autorijden. De rechtbank acht al deze standpunten voldoende gemotiveerd. 10. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres nog aangevoerd dat ook had moeten worden onderzocht of eiseres last heeft van bijwerkingen van voornoemde medicatie, omdat die mogelijk van invloed zijn op de mogelijkheid om auto te rijden. Dat is iets wat de verzekeringsarts normaal gesproken wel onderzoekt, aldus de gemachtigde van eiseres. 10.1. De gemachtigde van verweerder heeft in dit verband gesteld dat uit de medische informatie niet gebleken is van bijwerkingen. Daaruit volgt ook dat het medicatiegebruik niet maakt dat eiseres is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. De rechtbank ziet geen grond om deze stelling onjuist te achten. Gelet op de toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in 9.1, hoefde hij naar het oordeel van de rechtbank ook geen (nader) onderzoek naar de (gevolgen van eventuele) bijwerkingen te verrichten. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt daarom niet. 11. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat onduidelijk is waarom geen beperking is aangenomen voor het maken van hoofdbewegingen, vanwege een bepaalde klacht die eiseres ervaart. 11.1. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 september 2025 overwogen dat uit informatie van de behandelend sector en informatie verkregen tijdens het onderzoek dat is uitgevoerd op verzoek van verweerder (waaronder een MRI-scan), niet blijkt van een diagnose die noopt tot het vaststellen van een beperking voor het maken van hoofdbewegingen. Eiseres heeft ook geen nadere medische informatie overgelegd waaruit wel van een dergelijke diagnose blijkt. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het achterwege laten van een beperking voor het maken van hoofdbewegingen niet valt te rijmen met de omstandigheid dat er wél een beperking is gesteld om het hoofd in een bepaalde stand te houden tijdens het werk. Die laatste beperking heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld vanwege wat blijkt uit (andere) medische informatie van 14 mei 2025. Het gaat om de beoordeling van een andere beperking, waaraan andere medische informatie ten grondslag ligt. Het is de rechtbank niet gebleken dat deze conclusies onjuist of inconsistent zijn. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. 12. Het bestreden besluit berust dus op een deugdelijke medische grondslag. Arbeidskundige beoordeling 13. Eiseres voert aan dat de functie wikkelaar (SBC-code 267053) haar belastbaarheid overschrijdt, omdat zij niet boven schouderhoogte kan werken. Volgens de functieomschrijving kan met een opstapje gewerkt worden, maar niet duidelijk is hoe hoog het opstapje en de kasten zijn. Ook is deze functie ongeschikt, omdat daarbij dampen vrijkomen en hiermee is onvoldoende rekening gehouden gelet op een van de fysieke klachten (bedoeld onder overweging 7) van eiseres. 13.1. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in reactie hierop aangevoerd dat de beperking zich slechts aan één kant voordoet, dat het gaat om een kortdurende en niet dagelijks voorkomende belasting en dat het tillen van kratten van niet meer dan vijf kilogram binnen de belastbaarheid van eiseres blijft. Daarnaast wordt boven schouderhoogte werken in het geheel vermeden door het gebruik van het opstapje. Daarom wordt de belastbaarheid van eiseres niet overschreden in deze functie. De rechtbank is van oordeel dat hiermee de geschiktheid van deze functie voldoende is gemotiveerd. 13.2. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geeft verder aan dat eiseres niet beperkt geacht wordt voor dampen en dat er bovendien directe afzuiging aanwezig is. De rechtbank stelt vast dat de stelling van eiseres dat zij deze functie (met vrijkomende dampen) gezien haar klachten en beperkingen niet kan verrichten, in feite gericht is tegen de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde FML. Hierover is in overweging 7.1 al geoordeeld dat er geen reden is om aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. 14. Verder acht eiseres de functie administratief medewerker notaris (SBC-code 532040) ongeschikt, omdat zij beperkt is op conflicthantering en duidelijk is dat in het vakgebied conflicten kunnen ontstaan tijdens klantgesprekken. 14.1. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat in de functie inderdaad sprake is van conflicthantering, maar dat dit alleen voorkomt in telefonisch en schriftelijk contact. Daarop is eiseres volgens de FML niet beperkt. De geschiktheid van deze functie acht de rechtbank daarmee voldoende gemotiveerd. 15. Wat eiseres aanvoert over de functie administratief medewerker, correspondent (SBC-code 515100) kan ook niet slagen. Deze is namelijk niet ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres. 16. Het bestreden besluit berust gelet op het voorgaande dus op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. Conclusie 17. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat verweerder de WIA-uitkering van eiseres terecht per 13 september 2024 heeft beëindigd. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uitkering op grond van de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten krachtens de Wet WIA. In het kader van het medisch onderzoek dat ziet op het medisch rapport van 9 oktober 2023.