ECLI:NL:RBAMS:2026:6661text/xmlpublic2026-08-03T13:10:432026-07-01Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-07-01AWB - 25 _ 600UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLAmsterdamBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6661text/htmlpublic2026-07-31T15:17:292026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:6661 Rechtbank Amsterdam , 01-07-2026 / AWB - 25 _ 600 Aanvraag bewonersparkeervergunning, stallingsplaats, gelijkheidsbeginsel, gegrond
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/600 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen
[eisers], uit [woonplaats], eisers en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. D.R. de Vries). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers gericht tegen de weigering van verweerder om aan hen een bewonersparkeervergunning te verlenen. 1.1. Op 12 februari 2024 hebben eisers een aanvraag ingediend voor een bewonersparkeervergunning voor het adres [adres]. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing gebleven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. 1.2. De rechtbank heeft het beroep eerst op 21 augustus 2025 op een zitting behandeld. De rechtbank heeft toen besloten om het onderzoek te schorsen en partijen in de gelegenheid te stellen om schriftelijk nader te reageren. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De zaak is vervolgens op verzoek van eisers opnieuw op een zitting behandeld op 20 mei 2026. Hierbij waren alleen eisers aanwezig. Verweerder had zich afgemeld voor de zitting. Overwegingen Achtergrond en besluitvorming 2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag om een bewonersparkeervergunning terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 3. Het adres van eisers is gelegen in deelvergunningengebied [deelvergunninggebied]. In dit gebied kunnen per adres maximaal twee bewonersvergunningen worden verleend. Voorwaarde is dan wel dat de bewoner(s) van dat adres over twee motorvoertuigen beschikken. Verder wordt het aantal stallingsplaatsen waar bewoner(s) van een adres over beschikken of kunnen beschikken afgetrokken van het maximum te verlenen bewonersvergunning per adres. Een vergunning wordt geweigerd als het maximumaantal vergunningen per adres is bereikt. Deze bepaling heeft een dwingend karakter wat betekent dat verweerder niet anders kan dan weigeren. Er bestaat daarbij geen ruimte voor een belangenafweging. Verweerder kan alleen nog een vergunning verlenen als sprake is van bijzondere hardheid. 4. Verweerder heeft de aanvraag geweigerd, omdat eisers volgens verweerder niet aan de voorwaarden voldoen. Eisers kunnen op eigen terrein beschikken over twee stallingsplaatsen, aldus verweerder. De plaatsen zijn gelegen buiten de openbare weg en zijn niet voor het openbaar verkeer toegankelijk. Volgens verweerder is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel en geen bijzondere hardheid. Beoordeling door de rechtbank Stallingplaatsen 5. De eerste vraag die beoordeeld dient te worden, is of eisers kunnen beschikken over twee stallingsplaatsen. 5.1. In de Parkeerverordening is stallingsplaats omschreven als plaats, juridisch, feitelijk of planologisch bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is bij de vraag of sprake is van een stallingsplaats de bestemming of bedoeling van de ruimte van doorslaggevende betekenis en niet de maatvoering of het oppervlak dat daarvoor feitelijk beschikbaar is. Evenmin is van betekenis of in een individueel geval een bepaald voertuig ook daadwerkelijk past. Voor de beoordeling is verder van belang dat het niet alleen gaat om stallingsplaatsen waarover bewoners al beschikken, maar ook om stallingsplaatsen waarover in theorie kunnen beschikken. 5.2. De rechtbank stelt vast dat uit openbare bronnen blijkt dat op het perceel van eisers twee plaatsen zijn die bestemd of bedoeld zijn om motorvoertuigen te stallen, namelijk de oprit en de ruimte gelegen daarnaast aan de voorzijde van de woning. Dit betekent dat de plaatsen feitelijk en planologisch bedoeld zijn als stallingsplaatsen. Dat de plaatsen niet zo gebruikt worden is, gelet op hetgeen overwogen in 5.1, niet van belang. Als eisers de ruimte naast de oprit willen herinrichten, staat dit hen vrij, maar komt voor hun eigen rekening en risico en dat maakt niet dat de oprit niet langer als stallingsplaats kan worden aangemerkt. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de foto’s overgelegd door verweerder ook blijkt dat er op de oprit feitelijk auto’s worden geparkeerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eisers beschikken over twee stallingsplaatsen en was verweerder in beginsel gehouden de aanvraag af te wijzen. Beroep op het gelijkheidsbeginsel 6. Eisers doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Allereerst voeren eisers aan dat de vorige bewoners van 2018 tot en met 2023 twee bewonersvergunningen toegewezen hadden gekregen, terwijl de feitelijke situatie van het eigendom van het perceel en de relevante regelgeving exact hetzelfde is gebleven. 6.1. In beginsel strekt het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat eventuele gemaakte fouten in het verleden dienen te worden herhaald. Dat de vorige bewoners in strijd met de regelgeving mogelijk beschikte over bewonersvergunningen betekent dus niet dat aan eisers ook een vergunning dient te worden verleend. In zoverre slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. 7. Daarnaast beschikken volgens eisers vele buurtbewoners over een of meerdere bewonersvergunningen, ondanks de aanwezigheid van stallingsplaatsen. Verweerder heeft in het verweerschrift erkend dat er op twee adressen bewonersvergunningen zijn verleend, ondanks de aanwezigheid van stallingsplaatsen en dat deze vergunningen mogelijk foutief zijn verleend. Verweerder gaf toen aan deze vergunningen mogelijk te gaan intrekken, maar ontkent dat sprake is van een uitvoeringpraktijk dat in strijd met de regels bewust vergunningen verleent. 7.1. Eisers hebben ter onderbouwing van dit standpunt 22 voorbeelden ingebracht in reactie op het verweerschrift. Dit betreffen 9 voorbeelden in de directe omgeving en 13 in de bredere omgeving, maar wel hetzelfde vergunninggebied. Op de tweede zitting is door eisers een nieuw voorbeeld aangedragen van een buurman die expliciet heeft bevestigd dat hij een bewonersvergunning heeft in een soortgelijke situatie. Eisers stellen daarbij dat het niet aannemelijk is dat al die voorbeelden waarvan foto’s zijn overgelegd op een parkeerplaats staan, terwijl zij geen vergunning hebben en daarmee constant parkeergeld moeten betalen. 7.2. Hiertegenover heeft verweerder in zijn nadere reactie gesteld dat onderzoek is gedaan naar de vergunningen binnen “het buurtje” en in de straten waarvan foto’s zijn overgelegd en dat uit dit onderzoek naar voren komt dat in de genoemde straten geen bewonersvergunningen zijn verleend. 7.3. De rechtbank overweegt dat tegenover het veelvoud aan ingebrachte voorbeelden en beeldmateriaal door eisers, de reactie van verweerder onvoldoende onderbouwing is voor de stelling dat geen sprake is van gelijke gevallen. Onduidelijk is wat voor onderzoek precies is verricht door verweerder. Zonder nadere concrete toelichting aan de kant van verweerder is de rechtbank met eisers eens dat niet aannemelijk is dat aan geen van de bewoners in de genoemde straten vergunningen zijn verleend en al deze bewoners betaald op straat parkeren. Eisers hebben in elk geval een begin van bewijs overgelegd dat medebewoners in strijd met de regelgeving en onder dezelfde omstandigheden wel een bewonersvergunning hebben gekregen. Het lag op de weg van verweerder om meer concreet te reageren op de ingebrachte voorbeelden. Verweerder heeft dit ook niet nader kunnen toelichten op de nadere zitting, gelet op zijn afwezigheid. 7.4. Gezien het voorgaande is het beroep gegrond en moet verweerder een nieuw besluit op bezwaar nemen. Verweerder moet hierbij alle relevante feiten en omstandigheden betrekken en zo nodig nader onderzoek doen. Conclusie en gevolgen 8. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Verweerder moet een nieuw besluit op bezwaar nemen binnen zes weken met inachtneming van deze uitspraak. 9. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden. Voor vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden; Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. van Egmond, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026. griffier
rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c van het uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013 Amsterdam. Artikel 9, vierde lid, van de Parkeerverordening Amsterdam 2013 (de Parkeerverordening). Bestemmingplan [bestemmingsplan]