Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:6932

Huur bedrijfsruimte; verhuurder vordert betaling en ontruiming. Onderzoek stellingen, ondanks verstek. Afwijzing dubbele schadevergoeding (contractuele boete en wettelijke handelsrente).

Rechtbank Amsterdam 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:6932 text/xml public 2026-07-09T16:42:38 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-07-06 12270180 KK EXPL 26-374 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Proceskostenveroordeling Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6932 text/html public 2026-07-09T16:41:24 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6932 Rechtbank Amsterdam , 06-07-2026 / 12270180 KK EXPL 26-374
Huur bedrijfsruimte; verhuurder vordert betaling en ontruiming. Onderzoek stellingen, ondanks verstek. Afwijzing dubbele schadevergoeding (contractuele boete en wettelijke handelsrente).

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12270180 KK EXPL 26-374

Vonnis in kort geding van 6 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

niet verschenen.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 juni 2026 met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 29 juni 2026. Namens [eiser] is de gemachtigde verschenen. [gedaagde] is niet verschenen, hoewel de dagvaarding op de juiste manier is uitgebracht. Tegen haar is daarom verstek verleend. De gemachtigde van [eiser] heeft vragen van de kantonrechter beantwoord en een brief overgelegd van 25 juni 2026 van mr. J. Goeman, de advocaat van [gedaagde]. De gemachtigde van [eiser] heeft op verzoek van de kantonrechter gegevens uit het kadaster getoond ten aanzien van de eigendom en eigendomsverkrijging door [eiser] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
In maart 2022 is een huurovereenkomst tot stand gekomen ten aanzien van de bedrijfsruimte op de begane grond en kelder van het pand aan [adres] (kadastraal bekend [gemeente], [sectie] , [nummer] ). Het huurcontract is gesloten tussen Kantoor Keizer als vertegenwoordiger van de eigenaressen van het pand als verhuurder en [gedaagde] als huurder.
2.2.
Op de huurovereenkomst zijn “de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW” uit 2012 (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. In de algemene bepalingen is onder meer het volgende bepaald:

Betalingen

(…)
25.3
Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand. (…)”.
2.3.
De huurprijs bedraagt momenteel per maand € 2.549,93 exclusief btw (€ 3.085,42 inclusief btw) en is maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigd. Vanaf oktober 2025 is een betalingsachterstand ontstaan die vervolgens is opgelopen tot een bedrag van € 25.268,78 (inclusief btw) per 29 juni 2026.
2.4.
Ondanks betalingsherinneringen en sommaties van de beheerder en vervolgens de gemachtigde van [eiser] is de betalingsachterstand blijven bestaan en ook nog verder opgelopen.
<nr>3</nr>De beoordeling 3.1.
[eiser] vordert betaling van de achterstand, te vermeerderen met rente en kosten, en tevens de ontruiming van het gehuurde.

Verhuurder
3.2.
De huur is aangegaan door de (toenmalige) eigenaren van het pand als gezamenlijk verhuurders, zonder dat uit het huurcontract duidelijk is om welke (rechts)personen het gaat. De verhuur viel daardoor in een gemeenschap zoals bedoeld in art. 3:166 BW. [eiser] heeft ter zitting voldoende gemotiveerd onderbouwd dat hij op grond van de kadastrale eigendomsregistratie en een notariële akte van verdeling van 2 november 2023 als de verhuurder van het pand moet worden aangemerkt. Verdeling van de gemeenschap zoals bedoeld in art. 3:182 BW en de levering zoals bedoeld in art. 186 lid 1 BW vormen een geldige verkrijging. Uit artikel 3:186 lid 2 BW volgt dat, hoewel voor de overgang op de deelgenoot een leveringshandeling is vereist, sprake is van overgang onder algemene titel. [eiser] is daarom zelfstandig (met uitsluiting van de overige deelgenoten) als verhuurder en contractspartij van [gedaagde] aan te merken. Doordat [gedaagde] niet is verschenen is dat overigens ook niet betwist.

Spoedeisend belang
3.3.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is.

Betaling en ontruiming
3.4.
[gedaagde] heeft de gestelde betalingsachterstand van € 25.268,78 niet betwist. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van dat bedrag toe.
3.5.
De vraag is daarnaast of de door [eiser] gestelde tekortkomingen zodanig zijn dat in hoge mate waarschijnlijk is dat de kantonrechter in een eventuele bodemprocedure de huurovereenkomst zal ontbinden. Daarvoor geldt dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure wordt toegewezen als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen (artikel 6:265 lid 1 BW). Deze beoordelingsruimte heeft de rechter ook indien tegen de huurder verstek is verleend. Dat ligt besloten in de in art. 7:231 lid 1 BW dwingend voorgeschreven rechterlijke tussenkomst voor de ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot woon- of bedrijfsruimte (Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810). Gelet op de hoogte van de huurprijs, het aantal maanden waarin geen betaling heeft plaatsgevonden en de totale som van de betalingsachterstand is voldoende aannemelijk dat de huur in een bodemprocedure zal worden ontbonden. De vordering tot ontruiming wordt daarom toegewezen.

Contractuele boete, wettelijke handelsrente, incassokosten en proceskosten
3.6.
[eiser] heeft op grond van artikel 25.3 van de algemene bepalingen een contractuele boete(rente) van € 1.500,00 gevorderd. De verschuldigdheid en de hoogte van dat bedrag zijn door [gedaagde], ook in de overgelegde correspondentie voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding, niet betwist. De vordering wordt daarom toegewezen.
3.7.
[eiser] vordert ook wettelijke handelsrente over de verschuldigde huurprijs. De wettelijke (handels)rente betreft een schadevergoeding voor vertraging in de voldoening van een geldsom. Met het boetebeding van artikel 25.3 van de algemene bepalingen zijn partijen een regeling overeengekomen voor de schade door vertraging in de betaling van de huurprijs. Artikel 6:92 lid 2 BW bepaalt dat hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats treedt van de schadevergoeding op grond van de wet. Dit is slechts anders als partijen zijn overeengekomen dat zowel de wettelijke schadevergoeding als de boete verschuldigd is. [eiser] heeft niet gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat zowel de wettelijke handelsrente als de contractuele boete(rente) kan worden gevorderd. Artikel 6:92 lid 2 BW brengt dus mee dat [eiser] alleen aanspraak kan maken op de contractuele boete. De vordering tot vergoeding van wettelijke (handels)rente over de achterstallige huursom wordt afgewezen.
3.8.
[eiser] vordert betaling van € 1.027,69 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, berekend op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De verschuldigdheid en de hoogte van dat bedrag zijn door [gedaagde] niet betwist. De vordering wordt daarom toegewezen.
3.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



125,57

- griffierecht



753,00

- salaris gemachtigde



577,00

- nakosten



144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.599,57
<nr>4</nr>De beslissing
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte op de begane grond en kelder van het pand aan [adres] (kadastraal bekend [gemeente], [sectie] , [nummer] ) te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] :

a. a) € 25.268,78 aan achterstallige huur tot en met 29 juni 2026,

b) € 3.085,42 per maand vanaf 1 juli 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.500,00 aan contractuele boete,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.027,69 aan buitengerechtelijke kosten,
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.599,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.

67982

Artikel delen