Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:6946

Kantonrechter; artikel 5 WVW; aanrijding van voetganger door fietser; onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag bewezen; materiële en immateriële schadevergoeding toegewezen.

Rechtbank Amsterdam 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:6946 text/xml public 2026-07-09T16:54:08 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-07-08 Parketnummer 13-241810-25 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Schadevergoedingsuitspraak NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6946 text/html public 2026-07-09T16:53:33 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6946 Rechtbank Amsterdam , 08-07-2026 / Parketnummer 13-241810-25
Kantonrechter; artikel 5 WVW; aanrijding van voetganger door fietser; onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag bewezen; materiële en immateriële schadevergoeding toegewezen.
Rechtbank Amsterdam
Kantonrechter

Parketnummer: 13-241810-25

Datum uitspraak: 8 juli 2026

Tegenspraak

Vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] (Nederland) [geboortedag 1] 1994,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

raadsvrouw mr. J. Wildevuur, advocaat te Amsterdam.
<nr>1</nr>Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2026, welk onderzoek op 24 juni 2026 is gesloten.
<nr>2</nr>Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding (overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994). Kort gezegd wordt hem verweten dat hij op een fiets een aanrijding heeft veroorzaakt waarbij letsel aan een persoon is toegebracht. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
<nr>3</nr>Eis officier van justitie
De officier van justitie, mr. B. Klap, heeft gevorderd:

bewezenverklaring van het ten laste gelegde in die zin dat sprake is van onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag;

veroordeling van de verdachte tot een boete van € 200,00, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
<nr>4</nr>Waardering van het bewijs
Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde op grond van het volgende. De in de tenlastelegging opgenomen verwijten, te weten dat verdachte onvoldoende aandacht zou hebben gehad voor de verkeerssituatie doordat hij het slachtoffer niet (tijdig) heeft waargenomen en dat hij zijn snelheid niet zodanig zou hebben geregeld dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen, vinden geen steun in de feitelijke gang van zaken. Ten aanzien van het ten laste gelegde verwijt dat verdachte zijn snelheid niet zodanig zou hebben geregeld, dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien, dient zonder meer vrijspraak te volgen. Voor dit verwijt ontbreekt immers een feitelijke grondslag in het dossier, nu geen onderzoek is verricht naar de snelheid van cliënt of naar de mogelijkheid om tijdig tot stilstand te komen. Vaststaat enkel dat cliënt het slachtoffer niet heeft waargenomen, waardoor hij geen aanleiding heeft gehad om te remmen. Dat gegeven staat echter los van zijn snelheid en kan reeds daarom niet dragen tot de conclusie dat sprake zou zijn van het verwijt dat hij zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast, dan wel niet onder controle had. Uit het dossier volgt immers dat sprake is geweest van een enkele waarnemingsfout. Er is geen sprake van een duidelijk aanwijsbare, objectief gevaarlijke gedraging van cliënt. Verdachte droeg een helm en zijn telefoon bevond zich in een daarvoor bestemde houder op zijn fiets. Uit de camerabeelden blijkt dat hij beide handen aan het stuur had, op het fietspad reed en niet is uit te sluiten dat externe omstandigheden, zoals lichtomstandigheden, andere verkeersdeelnemers en het onverwachte gedrag van het slachtoffer, een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Daar komt bij dat het slachtoffer het fietspad overstak buiten een daartoe bestemde oversteekplaats. Dit alles brengt met zich dat niet kan worden gesproken van gevaarlijk rijgedrag in de zin van artikel 5 WVW.

Subsidiair heeft de raadsvrouw een schuldigverklaring zonder strafoplegging (artikel 9a Wetboek van Strafrecht) op te leggen. Verdachte heeft het ongeval als zeer traumatisch ervaren en de zaak hangt als een donkere wolk boven zijn leven.

Beoordeling

De verdachte reed op 22 april 2025 op zijn fiets op de Marnixstraat te Amsterdam komende vanaf het Leidseplein richting de Elandsgracht op het aldaar gelegen fietspad. Dit fietspad bestaat uit een naast de rijbaan gelegen rijstrook. Het slachtoffer liep met hulp van een rollator op de Marnixstraat. Zij stak de rijbaan en het fietspad over komend vanaf het trottoir bij het Amsterdam Dance Center in de richting van de Passeerdersstraat. Het slachtoffer bleek later te zijn: [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1939 te [geboorteplaats 2] (Nederland).

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op camerabeelden is te zien dat het slachtoffer de rijbaan oversteekt en het fietspad bereikt op de Marnixstraat in de richting van de Elandsgracht. Een fietser rijdend op dit fietspad en uit dezelfde richting komend als verdachte ziet het slachtoffer oversteken en wijkt voor haar uit. Direct daarna komt verdachte in beeld. Te zien is dat verdachte met twee handen aan het stuur enigszins vooroverbogen rechtdoor richting het slachtoffer rijdt. Op dat moment bevinden zich geen andere verkeersdeelnemers tussen verdachte en slachtoffer. De afstand tussen verdachte (bij het in beeld komen) en slachtoffer wordt later door de verbalisant gemeten op minimaal 16,40 meter. De verdachte is vervolgens op het fietspad met zijn fiets met onverminderde vaart tegen de overstekende voetganger aangereden, waardoor het slachtoffer ten val is gekomen en zwaar letsel heeft opgelopen.

De kantonrechter is van oordeel dat de verdachte met dit rijgedrag onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. De verdachte had voldoende aandacht moeten houden voor de verkeersituatie, maar heeft dat niet gedaan. Als gevolg hiervan is het ongeval ontstaan. Het ongeval is daarmee aan de verdachte te wijten. Het enkele feit dat het slachtoffer geen gebruik maakte van een verderop gelegen zebrapad maakt dit niet anders. Van een verbod om de Marnixstraat daar over te steken, zoals de raadsvrouw van verdachte suggereert, is geen sprake. Aldus is sprake van een zekere mate van verwijtbaarheid bij verdachte, voldoende voor het kunnen bewijzen van een overtreding als bedoeld in artikel 5 WVW.

Op grond van de ter zitting getoonde beelden in samenhang bezien met de in het proces-verbaal van bevindingen, stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van externe omstandigheden die maken dat verdachte het slachtoffer niet tijdig heeft kunnen zien: de lichtomstandigheden waren goed en het slachtoffer was goed zichtbaar, er waren geen andere verkeersdeelnemers die het zicht op de overstekende voetganger anderszins belemmerden en het slachtoffer vertoonde geen plotselinge onverwacht gedraging. Slachtoffer is een hoogbejaarde vrouw met een rollator die de Marnixstraat langzaam overstak. Verdachte had ook kunnen zien dat de fietser die enige tientallen meters voor hem fietste uitweek voor het slachtoffer. Uit de beelden volgt dat verdachte het slachtoffer niet heeft opgemerkt. De verdachte stelt zelf ook dat hij de overstekende voetganger niet heeft gezien. Dat verdachte zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij niet had kunnen stoppen als hij het slachtoffer wel had gezien kan niet vastgesteld worden. Naar het oordeel van de rechtbank doet dit niets af aan de schuld van de verdachte. Verdacht had kunnen en moeten uitwijken of tijdig moeten stoppen voor het slachtoffer. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 22 april 2025 te Amsterdam alsbestuurder van een voertuig (fiets), daarmee rijdende op de weg, de Marnixstraat,zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt immers:- heeft hij, verdachte, onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatieter plaatse, immers heeft hij een voetganger niet (tijdig) gezien,

immers is hij, verdachte, tegen voornoemde voetganger gereden waarbij letsel aan personen (te weten: [slachtoffer] ) is ontstaan of schadeaan goederen is toegebracht;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
<nr>5</nr>Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
<nr>6</nr>Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
<nr>7</nr>Motivering straf
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is tegen een 85-jarige vrouw aangereden die lopend het fietspad overstak. De verdachte heeft een verkeersongeval met ernstig lichamelijk letsel veroorzaakt door zich onvoorzichtig en onoplettend te gedragen in het verkeer. Daarmee is bij het slachtoffer veel leed veroorzaakt, zoals door het slachtoffer in een schriftelijke verklaring op indringende wijze is verwoord.

De rechtbank houdt er rekening mee dat, zoals blijkt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie, de verdachte niet eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten.

Ter zitting is verder gebleken dat de verdachte de aanrijding nooit heeft willen veroorzaken en erg onder de indruk is van de ernstige gevolgen voor het slachtoffer. Het ongeval heeft ook grote impact op zijn leven.

De rechtbank houdt ook rekening met de volgende persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft geen betaald werk, leeft van een uitkering, kampt met forse schulden (verdachte heeft schuldenbewind aangevraagd) en heeft geen aansprakelijkheidsverzekering zodat hij de vergoeding van de schade van het slachtoffer zelf moet dragen.

De kantonrechter acht, zoals door de officier van justitie gevorderd, een geldboete van € 200,00, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.
<nr>8</nr>Vorderingen benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
Benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd het slachtoffer, ter zake van het ten laste gelegde feit waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, daarbij aanvankelijk vertegenwoordigd door haar dochter [naam 1] en later door raadsvrouw mr. A. Schijns, advocaat te Amsterdam. Het slachtoffer is in de nacht van [overlijdensdatum] 2026 overleden. De raadsvrouw is ter zitting verschenen, vergezeld door de dochter, om de belangen van het slachtoffer te behartigen.

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 8.500,00 aan immateriële schade en een vergoeding van € 11.088,22 aan materiële schade.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

Vergoeding voor periode in het ziekenhuis en revalidatiecentrum € 1.900,00

Reiskosten mantelzorg € 1.576,00

Kleding € 500,00

Verhuiskosten € 2.060,00

Eigen bijdrage zorgkosten € 1.391,22

Buitengerechtelijke kosten € 3.660,25

Wettelijke rente p.m.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partij dienen te worden toegewezen met daaraan gekoppeld de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente vanaf de pleegdatum.

Standpunt verdediging

Primair stelt de verdediging dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden want er blijkt nergens uit dat de nabestaande de erfenis heeft geaccepteerd en dus erfgenaam is die behoort tot de kring van begunstigden van de schadevergoedingsmaatregel zoals aangehaald in de jurisprudentie.

Subsidiair stelt de verdediging dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat deze te complex, onvolledig en te kort voor de zitting is ingediend. De raadsvrouw voert aan niet in de gelegenheid gesteld te zijn om deugdelijk verweer te kunnen voeren. De onderbouwing van vier posten is pas de avond voor de zitting om 21:50 uur verstrekt. Daarbij speelt mee dat het om een kantonrechterzitting gaat waar beperkte tijd voor is uitgetrokken. Er is sprake van een onevenredige belasting van het strafgeding.

Beoordeling

Aan de benadeelde partij is door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële en materiële schade toegebracht. Bij leven heeft het slachtoffer zich als benadeelde partij in de strafprocedure gevoegd.

De raadsvrouw van het slachtoffer heeft aangegeven dat de procedure na haar overlijden op naam van de overleden partij wordt voortgezet. Nu van een indeplaatsstelling in de procedure door de erfgenamen geen sprake is, ontbreekt de noodzaak om vast te stellen wie de erfgenamen zijn.

De kantonrechter is voorts van oordeel dat, zoals door de raadsvrouw van het slachtoffer is bepleit, de vordering geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De vordering is derhalve ontvankelijk.

Zoals door de raadsvrouw van verdachte is aangevoerd is de onderbouwing van de vordering benadeelde partij pas kort voor de zitting aangeleverd en stelt zij onvoldoende tijd te hebben gehad om zich hiertegen te verweren. Aangezien dit formeel niet in de weg staat aan een toewijzing van de vordering benadeelde partij is het slachtoffer ontvankelijk in haar vordering, maar zal de kantonrechter hier wel rekening mee kunnen houden bij de beoordeling.

Immateriële schade

Als onweersproken en onderbouwd met onder meer een brief van het OLVG aan de huisarts en een brief van Geriatrische Revalidatiezorg (GRZ) Evean staat vast dat door de bloeduitstorting in de hersenen als gevolg van de val sprake is geweest van een levensbedreigende situatie, dat het slachtoffer door het hersenletsel blijvende cognitieve beperkingen, geheugenproblematiek en woordvindproblemen heeft ervaren, haar mobiliteit sterk beperkt is geraakt en als zeer valgevaarlijk is aangemerkt. Aangezien zij na het ongeval niet langer zelfstandig kon wonen en verhuisd is naar een permanente verpleeghuisplek, heeft het slachtoffer – zoals zij in de slachtofferverklaring ook heeft benadrukt – enorm aan levensvreugde ingeboet. Omdat het slachtoffer op leeftijd was ten tijde van het ongeval, en niet uitgesloten kan worden dat zij ook zonder ongeval op enig moment geheugenproblematiek zou ontwikkelen en afhankelijker zou worden van zorg dan zij ten tijde van het ongeval was, is in de vordering aansluiting gezocht bij de bedragen die de Rotterdamse schaal vermeldt voor minder ernstig hersenletsel. Het gevorderde bedrag is in beginsel toewijsbaar.

Materiële schade

Voor de periode dat het slachtoffer in het ziekenhuis en een revalidatie-instelling verbleef kan een dagvergoeding toegekend worden conform de Richtlijn Ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding van de Letselschade Raad. Nu niet voor alle opnamedagen een onderbouwing is aangeleverd, kan de vergoeding niet eenvoudig worden vastgesteld en zal de vordering niet-ontvankelijk verklaard worden.

De ‘reiskosten mantelzorg’ betreffen blijkens de toelichting kosten van familieleden voor het bezoeken van het slachtoffer. Deze kosten van de dochter van het slachtoffer vallen niet onder de rechtstreekse schade van het slachtoffer als bedoeld in artikel 361 lid 2 Wetboek van Strafvordering en kunnen in de vordering benadeelde partij niet worden meegenomen. Deze vordering zal niet-ontvankelijk verklaard worden.

De schade aan de jas is begroot op € 500,00, onder overlegging van een foto van winterjas met grote bloedvlekken en de afschrijving van een betaling aan “DONNA E PIU MAASTRICHT” van € 923,00 op 20 juli 2023 van een op naam van [naam 2] gestelde credit card. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat de door de dochter verrichte betaling de jas van het slachtoffer betreft, is voldoende aannemelijk dat door het ongeval de door het slachtoffer gedragen winterjas is vernield. Uit het proces verbaal van bevindingen volgt dat het slachtoffer veel bloed verloren is. Het aankoopbewijs ontbreekt, evenals informatie over de kwaliteit (het merk) en de staat van de jas. De schade zal daarom zoals verzocht namens het slachtoffer abstract begroot worden, op € 350,00.

De verhuiskosten kunnen als rechtstreekse schade van het slachtoffer worden toegewezen. Hoewel gesteld is dat de factuur van het verhuisbedrijf bij de op de ochtend van de zitting toegezonden onderbouwing is overgelegd, is deze niet bij de stukken aangetroffen. Nu de factuur niet is overgelegd zal deze vordering niet-ontvankelijk verklaard worden.

De vordering eigen bijdrage zorgkosten is op de zitting pas ingediend. Als enige onderbouwing zijn twee bankoverschrijvingen van bedragen op de rekening van het CAK overgelegd. Dit is onvoldoende om de vordering te kunnen vaststellen. Deze zal niet-ontvankelijk verklaard worden.

Met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten heeft de raadsvrouw aangegeven dat deze grotendeels door haar zijn gemaakt in de veronderstelling dat verdachte een aansprakelijkheidsverzekering zou hebben. Blijkens de specificatie bij de facturen betreft het diensten verleend in de periode van 14 mei 2025 tot en met 6 oktober 2025. Aannemelijk is dat een deel van de gemaakte kosten redelijk gemaakt is, waarbij ook nog de vraag speelt of de hoogte van de kosten redelijk is, en als schade vergoedbaar is, maar voor de kantonrechter is dit niet eenvoudig vast te stellen. De vordering zal daarom niet-ontvankelijk verklaard worden.

Conclusie

De kantonrechter heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Mede gelet op de bewezenverklaring in de strafprocedure, kunnen de gedragingen van verdachte worden aangemerkt als onrechtmatige handelingen tegenover de benadeelde partij. Dit betekent dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 8.850,00, acht de rechtbank toewijsbaar.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal tevens ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 staat het overlijden van het slachtoffer anders dan ten gevolge van het strafbare feit daaraan niet in de weg.

Verder zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen met ingang van 22 april 2022.

Tevens wordt voor de vordering oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde materiële schadevergoeding is de kantonrechter gelet op het vorenstaande onvoldoende in staat een afgewogen beslissing te nemen. Het inwinnen van de benodigde informatie op dat punt zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vordering ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren.
<nr>9</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 23, 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
<nr>10</nr>Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
<nr>11</nr>Beslissing
De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor onder 4 omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van 200 (tweehonderd) euro, te vervangen door twee dagen hechtenis bij niet betaling, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

bepaalt dat de voorwaardelijke geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, te betalen een bedrag van € 8.850,00 (zegge: achtduizend achthonderd en vijftig euro), bestaande uit € 350,00 aan materiële schade en € 8.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk;

bepaalt ten aanzien van de proceskosten door partijen in verband met de vordering gemaakt, dat ieder de eigen kosten draagt;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 8.850,00 (hoofdsom, zegge: achtduizend achthonderd en vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter,

Bijlage I

Tenlastelegging

hij op of omstreeks 22 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, alsbestuurder van een voertuig (fiets), daarmee rijdende op de weg, de Marnixstraat,zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans konworden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans konworden gehinderd, immers:- heeft hij, verdachte, onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatieen/of de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft hij een voetganger niet (tijdig)gezien en/of- heeft hij, verdachte, zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was om zijnvoertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg konoverzien en waarover deze vrij was, immers is hij, verdachte, tegen voornoemdevoetganger gereden en/of gebotst,waarbij letsel aan personen (te weten: [slachtoffer] ) is ontstaan of schadeaan goederen is toegebracht;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

Bijlage II

Met betrekking tot de gedraging

Een proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025096902-6, opgemaakt en ondertekend door verbalisant op [verbalisant 1] op 7 augustus 2025, voor zover inhoudende:

Op donderdag 17/07/2025 stelde ik [verbalisant 1] een onderzoek in naar de camerabeelden van het verkeersongeluk afkomstig van het gebouw Makroon gelegen te Nieuwe Passerdersstraat Amsterdam. De camera hangt op de hoek Marnixstraat/Nieuwe Passeerdersstraat. De afstand van de camera tot de plaats van het ongeval is circa 20 meters. Ik [verbalisant 1] zag het volgende: 22/04/2025 te 21.44.18: (stil 1) Het slachtoffer staat met een rollator te wachten op de Marnixstraat aan de kant van het Makroon gebouw. De straatverlichting brandt. (…) De lichtomstandigheden zijn goed en de wegdek is droog, er is geen regen of mist zichtbaar. (…) 22/04/2025 te 21.45.28: (stil 2) Het slachtoffer begint de Marnixstraat over te steken en loopt met haar rollator in de richting van de Nieuwe Passerdersstraat. Het slachtoffer is goed zichtbaar. (…) 22/04/2025 te 21.45.46: (stil 3) Het slachtoffer komt na circa 18 seconden aan bij het fietspad. Er verschijnt een, in donker gekleed fietser, in beeld komende uit de richting van de Leidsegracht en gaande in de richting van de Elandsgracht. De fietser ziet kennelijk het slachtoffer en wijkt uit naar rechts, waardoor hij/zij het slachtoffer passeert met een geschatte afstand van een tot anderhalf meter. 22/04/2025 te 21.45.50: (stil 4) Het slachtoffer heeft kennelijk de fietser gezien en kijkt naar links naar deze wegfietsende fietser. De verdachte op een fiets verschijnt rechts in beeld, komende uit de richting van de Leidsegracht en gaande in de richting van de Elandsgracht. (…) Tussen de verdachte en het slachtoffer bevinden zich op dat moment geen andere verkeersdeelnemers. Op zondag 18/05/2025 om 08.02 uur meet ik, [verbalisant 1] samen met collega [verbalisant 2] , de afstand tussen het moment dat de verdachte in beeld verschijnt en de plaats op het fietspad waar het slachtoffer zich bevond. Ik zag dat afstand minstens 16.40 meter was. (…) 22/04/2025 te 21.45.54: (stil 7) Het slachtoffer is circa een meter vooruit gelopen en bevindt zich midden op het fietspad. De verdachte rijdt, kennelijk zonder snelheid te verminderen of te remmen, met volle snelheid tegen de rechterkant van het slachtoffer aan. 22/04/2025 te 21.45.57:(stil 8) Zowel het slachtoffer als de verdachte vallen door de botsing op het fietspad neer. Bij de kruising met de Marnixstraat/Nieuwe Passeerderstraat bevindt zich op het moment van het ongeval ook geen andere verkeersdeelnemers.

Met betrekking tot het letsel

Een proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025096902-2, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op 22 april 2025 voor zover inhoudende:

Wij, verbalisanten, verklaren het volgende: (…) Ter plaatse zagen wij dat de ambulance al reeds ter plaatse was en zich bezig hield met de zorgen over het slachtoffer. Het slachtoffer lag op de grond op het fietspad, rondom het slachtoffer lag veel bloed. Het slachtoffer bleek later te zijn: *** [slachtoffer] [geboortedag 2] -1939 te [geboorteplaats 2] (Nederland)***

Een proces-verbaal van bevindingen, PL1300-2025096902-4, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] op 7 augustus 2025 voor zover inhoudende:

Ik, verbalisant, verklaar het volgende: Contact familie slachtoffer mevrouw [slachtoffer] Op 03/05/2025 te 14.59 uur sprak ik [verbalisant 1] telefonisch met de dochter, van het slachtoffer mevrouw [slachtoffer] , genaamd mevrouw [naam 2] . Zij verklaarde mij desgevraagd het volgende: “mijn moeder ligt nog in het ziekenhuis, maar gaat binnen kort naar een revalidatiecentrum om te herstellen. Zij moet opnieuw leren lopen. Zij weet niets van het ongeval. Zij had zowel binnen als buiten bloedingen, maar de binnen bloedingen zijn gestopt. Zij verloor ook haar spraak.”

De verklaring van verdachte op 12 februari 2026 afgelegd - zakelijk weergegeven - voor zover inhoudende:

(…) Ik liep hierbij onder meer een hoofdwond op, met een gat in mijn hoofd en hevig bloedverlies. Vastgesteld werd dat ik een hersenkneuzing had, met interne bloedingen. Na het ongeval was ik gedurende weken tot maanden niet in staat om te lopen en had ik grote moeite met spreken. (…) Door het ongeval heb ik blijvende klachten overgehouden. Ik ben blijvend invalide geworden: Ik heb 6 maanden lang revalidatie gedaan en ik ben nood gedwongen opgenomen in een verpleeg tehuis, een plek die ik te allen tijde had willen vermijden. Mijn spraak is aangetast en ook mijn geheugen heeft blijvende schade opgelopen. Hoewel mijn mentale veerkracht sterk is gebleven, zal dit letsel niet herstellen. Mijn geheugen zal niet terugkeren en ik blijf moeite houden met het vinden van woorden. Lopen gaat heel slecht, en moet de rollator steeds vaker vervangen door een rolstoel.

ECLI:NL:HR:2010:BL9105: “De in het tweede lid van art. 36f Sr bedoelde aansprakelijkheid van de verdachte jegens het slachtoffer gaat immers door diens overlijden niet teloor.”

Artikel delen