Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:6965

De korpschef heeft de toestemming op grond van artikel 7 lid 2 Wpbr ingetrokken zonder wettelijke bevoegdheid. Dat is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Rechtbank Amsterdam 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:6965 text/xml public 2026-08-05T12:56:00 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-07-08 AMS 26/2909 en AMS 25/7378 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6965 text/html public 2026-08-04T16:36:27 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6965 Rechtbank Amsterdam , 08-07-2026 / AMS 26/2909 en AMS 25/7378
De korpschef heeft de toestemming op grond van artikel 7 lid 2 Wpbr ingetrokken zonder wettelijke bevoegdheid. Dat is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 26/2909 en AMS 25/7378

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. Z.M. Nasir),

en
de korpschef van politie, verweerder (de korpschef)
(gemachtigde: mr. K. Wouda).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr). Het gaat om de toestemming die de korpschef eerder heeft verleend aan [bedrijf 1] (uit Amsterdam), ten behoeve van eiser. Eiser is het niet eens met de intrekking. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de intrekking.

2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef niet bevoegd was om de toestemming in te trekken. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
3. Op 31 mei 2025 heeft de korpschef ten behoeve van eiser toestemming verleend als bedoeld in artikel 7, tweede lid van de Wpbr. Op 24 juni 2025 heeft de politiechef van Amsterdam namens de korpschef het voornemen kenbaar gemaakt deze toestemming in te trekken. De intrekking heeft vervolgens plaatsgevonden op 17 juli 2025 (het primaire besluit).

4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van de toestemming. Op 12 november 2025 heeft de korpschef een beslissing genomen op het bezwaar en is deze bij de intrekking van de toestemming gebleven (het bestreden besluit). Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de korpschef.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang

6. Volgens eiser is er sprake van een spoedeisend belang, omdat hij door de intrekking van de toestemming zijn werkzaamheden heeft moeten staken en daardoor inmiddels in een financiële noodsituatie verkeert. Eiser is al zijn hele werkende leven [functie] , hij heeft geen ander werk en is bij sollicitaties naar andere functies niet aangenomen. Hij heeft dus geen inkomen en zijn spaargeld is inmiddels op.

7. De voorzieningenrechter overweegt dat de intrekking van de toestemming tot gevolg heeft dat eiser zijn baan als [functie] is kwijtgeraakt en hieruit dus geen inkomsten meer heeft. Eiser heeft stukken overgelegd die onderbouwen dat hij op dit moment geen tot weinig andere financiële middelen heeft. Eiser heeft weliswaar niet onderbouwd dat hij heeft geprobeerd ander werk te vinden en dat dit niet is gelukt, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser, gelet op het wegvallen van zijn inkomen en het gebrek aan andere financiële middelen, enig spoedeisend belang niet kan worden ontzegd.

Kortsluiten

8. De voorzieningenrechter is na afloop van de zitting tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en beslist daarom ook op het beroep van eiser daartegen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de inhoud van het verweerschrift (dat door eiser en de voorzieningenrechter niet voorafgaand aan de zitting is ontvangen) tijdens de zitting is besproken en de gemachtigde van eiser heeft gezegd dat hij voldoende op het verweer heeft kunnen reageren.

De bevoegdheid tot intrekking

Standpunt eiser

9. Eiser voert aan dat de korpschef niet bevoegd is om de toestemming in te trekken. De enige bepaling die een bevoegdheid tot intrekking geeft is artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr. Daarvoor is echter vereist dat er feiten of omstandigheden zijn die niet bekend waren op het tijdstip dat de toestemming is verleend. Eiser wijst erop dat de intrekking is gebaseerd op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden tussen 3 juli 2019 en 13 mei 2025. De toestemming is op 31 mei 2025 verleend. De genoemde gebeurtenissen waren toen dus al bekend. Dit wordt ook erkend in het bestreden besluit. Eiser mocht erop vertrouwen dat de gebeurtenissen die voor 31 mei 2025 hebben plaatsgevonden hem niet zouden worden tegengeworpen.

10. Voor een buitenwettelijke bevoegdheid tot intrekking is volgens eiser geen plaats, omdat de intrekking een belastend besluit is en de korpschef in zo’n geval alleen beschikt over de bevoegdheden die hem bij of krachtens de wet uitdrukkelijk zijn toegekend. Het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel verzetten zich tegen een buitenwettelijke intrekking. Tot slot voert eiser aan dat de tegengeworpen gebeurtenissen intrekking niet rechtvaardigen en intrekking in dit geval onevenredig is.

Standpunt korpschef

11. In het bestreden besluit komt de korpschef, op grond van politieregistraties van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden tussen 3 juli 2019 en 13 mei 2025, tot de conclusie dat de betrouwbaarheid van eiser niet boven iedere twijfel is verheven. Op basis van diezelfde gebeurtenissen heeft de eenheid Noord-Holland namens de korpschef op 20 mei 2025 het voornemen kenbaar gemaakt de toestemming die was verleend aan [bedrijf 2] ten behoeve van eiser in te trekken. Op 23 juni 2025 is vervolgens het besluit genomen die toestemming daadwerkelijk in te trekken. In navolging hiervan heeft de korpschef, na het voornemen daartoe, met het primaire besluit ook de toestemming die was verleend aan [bedrijf 1] ten behoeve van eiser ingetrokken, op basis van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr.

12. In het bestreden besluit heeft de korpschef het standpunt ingenomen dat intrekking van de toestemming op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr in dit geval niet mogelijk was, omdat de feiten waarop de intrekking is gebaseerd al bij het verlenen van de toestemming bekend waren. In het bestreden besluit stelt de korpschef dat hij de intrekking baseert op de buitenwettelijke bevoegdheid die ligt besloten in het beginsel dat de korpschef een gemaakte fout niet hoeft te laten voortduren. Het verlenen van de toestemming is volgens de korpschef een fout geweest.

13. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de korpschef toegelicht dat bij de verlening van de toestemming ten onrechte niet door een jurist in het systeem is gekeken naar de justitiële documentatie van eiser. Er is dus geen afweging gemaakt bij het verlenen van de toestemming in Amsterdam. Ook is niet gezien dat de eenheid Noord-Holland al het voornemen kenbaar had gemaakt om tot intrekking van de daar verleende toestemming over te gaan. De gemachtigde van de korpschef heeft toegelicht dat een voornemen van een andere eenheid ertoe hoort te leiden dat wordt gewacht met het nemen van besluit, tot de andere eenheid een definitief besluit heeft genomen. Daarbij verwijst de korpschef naar het ‘Tijdelijk besluit eenduidigheid besluitvorming korpscheftaken’.

Beoordeling

14. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat intrekking van de toestemming op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr in dit geval niet mogelijk is. De vraag is of de korpschef de toestemming in dit geval mocht intrekken omdat hij meent dat deze nooit verleend had mogen worden.

15. Uit vaste rechtspraak volgt dat een bestuursorgaan een onjuist besluit kan intrekken als de aard van het besluit en de inhoud van de wettelijke regeling zich daartegen niet verzetten. De bevoegdheid tot intrekking van een besluit wordt beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In de regel is intrekking van een voor de aanvrager begunstigend besluit toegestaan als (1) een aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, (2) het besluit op een kenbare fout berust of (3) het besluit berust op een vergissing die onverwijld of onmiskenbaar is herroepen en de belanghebbende in die korte tijd niet iets heeft gedaan of nagelaten dat niet meer zonder nadeel kan worden hersteld.

16. Het voorgaande geldt ook voor belastende besluiten zoals de intrekking van de toestemming. De voorzieningenrechter toetst daarom of sprake is van één van de situaties als genoemd onder 1, 2 en 3. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de uitspraak waar de korpschef naar heeft verwezen ziet op een andere situatie. In die zaak ging het om het niet opnieuw nemen van een begunstigend besluit (namelijk: het nog eens verlenen van een jachtakte, die eerder wel was verleend). Dat is iets anders dan het intrekken van een wél verleende toestemming, waarvoor voornoemd toetsingskader geldt.

17. Niet gesteld of gebleken is dat eiser onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt (situatie 1).

18. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat van een kenbare fout geen sprake is. Eiser heeft gesteld dat hij in de veronderstelling was dat de gebeurtenissen die voor 31 mei 2025 (de datum van verlening van de toestemming) hebben plaatsgevonden, waren beoordeeld en deze niet in de weg stonden aan verlening van de toestemming. Het gaat in dit geval om verkeersovertredingen waarvan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet evident is dat ze aan die verlening in de weg stonden. De korpschef heeft ook niet onderbouwd dat het voor eiser desondanks kenbaar was of had moeten zijn dat de verlening van de toestemming een fout is geweest (situatie 2).

19. Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook niet is gebleken dat sprake is van een situatie als genoemd onder 3. Tijdens de zitting heeft de korpschef zich voor het eerst op het standpunt gesteld dat er bij de verlening van de toestemming per abuis helemaal niet in de digitale systemen is gekeken. Daarom zouden de justitiële documentatie van eiser en het voornemen tot intrekking van de eenheid Noord-Holland niet zijn gezien en heeft er geen afweging plaatsgevonden. Deze ‘vergissing’ blijkt niet uit het dossier. In de beslissing op bezwaar staat juist: ‘in dit onderhavige geval is het intrekken van de toestemming op grond van artikel 7, lid 5, Wpbr niet mogelijk, aangezien de feiten waarop de intrekking is gebaseerd reeds bij het verlenen van de toestemming bekend waren’. Uit het Tijdelijk besluit eenduidigheid besluitvorming korpscheftaken volgt weliswaar dat een besluit van één van de politie eenheden in beginsel door andere eenheden wordt gevolgd, maar in dit geval was op het moment van de verlening van de toestemming door de eenheid Amsterdam nog geen sprake van een besluit tot intrekking door de eenheid Noord-Holland. Alleen het voornemen tot intrekking was nog kenbaar gemaakt. Onder deze omstandigheden is de enkele stelling van de gemachtigde van de korpschef ter zitting dat er sprake is geweest van de vergissing dat in niet in de digitale systemen is gekeken onvoldoende.

20. Voor zover er al sprake is geweest van een vergissing, is deze ook niet onverwijld of onmiskenbaar herroepen door de korpschef. Nadat de eenheid Noord-Holland op 23 juni 2025 het besluit heeft genomen om de toestemming (aan [bedrijf 2] , Noord-Holland) ten behoeve van eiser in te trekken, heeft de korpschef op 24 juni 2025 het voornemen aan eiser kenbaar gemaakt om ook de toestemming zoals verleend aan [bedrijf 1] (Amsterdam) ten behoeve van eiser in te trekken. Pas op 17 juli 2025 heeft de korpschef de toestemming vervolgens daadwerkelijk ingetrokken. In dat besluit wordt de intrekking bovendien gebaseerd op artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr en wordt niet gesteld dat de verlening een vergissing is geweest.

21. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de korpschef niet bevoegd was om de toestemming die is verleend aan verleend aan [bedrijf 1] ten behoeve van eiser in te trekken. Het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel verzetten zich daar in dit geval tegen.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Dit betekent dat de intrekking van de toestemming niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit.

23. Nu de bevoegdheid tot intrekking ontbreekt, neemt de voorzieningenrechter zelf een beslissing en bepaalt dat het primaire besluit wordt herroepen. Dat betekent dat er geen sprake meer is van intrekking van de toestemming. Eiser kan dus weer gebruikmaken van de op 31 mei 2025 ten behoeve van hem verleende toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr.

24. Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

24. Omdat het beroep gegrond is moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden en ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het griffierecht bedraagt € 394,-. De vergoeding van de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend en heeft aan de zitting van de voorzieningenrechter deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 394,- aan eiser moet vergoeden;

veroordeelt de korpschef tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Het zogenaamde ‘kortsluiten’ als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuurrecht (Awb).

Dat in werking is getreden op 1 augustus 2013.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3617.

Zie ter vergelijking de uitspaak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 september 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2802.

Zie ter vergelijking de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juli 2017, ECLI:NL:2017:2432.

Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.

Artikel delen