Kapvergunning voor 25 bomen. De rechtbank is van oordeel dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De kapvergunning blijft daarom in stand en het beroep is ongegrond.
Rechtbank Amsterdam 9 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6967
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-07-2026
Datum publicatie
09-07-2026
Zaaknummer
AMS 26/3125
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
ECLI:NL:RBAMS:2026:6967text/xmlpublic2026-07-09T16:39:382026-07-09Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-07-08AMS 26/3125UitspraakVoorlopige voorzieningNLAmsterdamBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6967text/htmlpublic2026-07-09T15:54:122026-07-09Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:6967 Rechtbank Amsterdam , 08-07-2026 / AMS 26/3125 Kapvergunning voor 25 bomen. De rechtbank is van oordeel dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De kapvergunning blijft daarom in stand en het beroep is ongegrond.
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 26/3125
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college (gemachtigde: mr. J.H.G. Vogel). Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: Lagemaat Sloopwerken B.V., uit Heerde (vergunninghouder) en ALLSAFE mini opslag Vastgoed Amsterdam Jan Rebelstraat B.V., uit Amsterdam (erfpachter, gemachtigden: mr. M. de Boer en mr. Y.D.P. Kanhai). Samenvatting 1. Op 19 mei 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van 25 houtopstanden ter hoogte van de [adres] (hierna: de kapvergunning). Verzoekster is het niet eens met de verlening van de kapvergunning. Zij heeft daarom bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij voert daartoe een aantal gronden aan. 2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het de kapvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster. 3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat zij van oordeel is dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Voorgeschiedenis 4. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor het kappen van 25 bomen ten behoeve van nieuwbouw aan de [adres] . De bomen moeten worden gekapt omdat ze staan in het gebied waar een kelderbak zal worden verwijderd en een damwand zal worden geplaatst om nieuwbouw te kunnen realiseren. Vergunninghouder heeft een Boom Effect Analyse laten uitvoeren door Tree-o-logic (hierna: de BEA) en een schouw door Ecofect (hierna: de quickscan). Een boomdeskundige van de gemeente Amsterdam heeft vervolgens ook een schouw uitgevoerd en op 28 april 2026 een advies uitgebracht (hierna: het kapadvies). Op basis daarvan heeft het college de kapvergunning op 19 mei 2026 verleend. 5. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van de kapvergunning en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vergezeld door de heer [naam buurtbewoner] (buurtbewoner), de gemachtigde van het college en de gemachtigden van de erfpachter. Beoordeling door de voorzieningenrechter Formele vereisten 7. Voordat de voorzieningenrechter inhoudelijk op het verzoek kan ingaan, moet aan twee vereisten zijn voldaan. Het eerste vereiste is dat sprake is van een spoedeisend belang. Het tweede vereiste is dat verzoeker belanghebbende moet zijn bij de kapvergunning. Spoedeisend belang 8. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in dit geval sprake is van zo’n spoedeisend belang. Het kappen van bomen is onomkeerbaar en de erfpachter heeft toegelicht dat er niet gewacht kan worden met het kappen van de bomen tot er op het bezwaar is beslist. Belanghebbendheid 9. Alleen een belanghebbende kan bezwaar maken tegen een besluit. Een belanghebbende is degene van wie het belangrijk rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste rechtspraak is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. 10. In de rechtspraak wordt over het algemeen aangenomen dat iemand geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van een kapvergunning als iemand op meer dan 100 meter afstand van de desbetreffende bomen woont. Tijdens de zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de woning van verzoekster op ongeveer 101 meter afstand van de bomen ligt. Verzoekster woont echter niet op de begane grond. Tijdens de zitting is niet duidelijk geworden of verzoekster zicht heeft op de bomen. Verzoekster stelt dat zij zicht heeft op de bomen, verweerder stelt van niet. Dit wordt door beide partijen echter niet nader onderbouwd met foto’s. Althans, niet genomen vanaf het appartement van verzoekster. Ook gelet op de afstand van ongeveer 100 meter ziet de voorzieningenrechter in deze onduidelijkheid aanleiding om in deze procedure belanghebbendheid aan te nemen. Toetsingskader 11. Voor het vellen van bepaalde houtsopstanden (hierna: het kappen van een boom) is een omgevingsvergunning vereist. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Bomenverordening 2014 kan die omgevingsvergunning worden geweigerd in verband met: de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor het stadsschoon of het landschap; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; e waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid. 12. Uit de toelichting op artikel 5 van de Bomenverordening 2014 volgt dat het college in dat kader bij een aanvraag voor het kappen van een boom een afweging moet maken van alle betrokken belangen. Het gaat dan zowel om de belangen die aanleiding voor de aanvraag vormen als de belangen tot behoud van de houtopstand. Artikel 5 van de Bomenverordening 2014 en de belangenafweging 13. Volgens verzoekster heeft er een onjuiste belangenafweging plaatsgevonden en is artikel 5 van de Bomenverordening 2014 geschonden. Verzoekster heeft aangevoerd dat de 25 bomen die gekapt gaan worden beeldbepalend zijn voor de directe omgeving en het uitzicht. De kap zal leiden tot kaalslag in de omgeving. Volgens verzoekster blijkt uit de BEA dat de bomen waardevolle ecosysteemdiensten leveren voor de locatie en wordt dit ten onrechte genegeerd in het besluit. De bomen hebben dus bijzondere natuur- en leefbaarheidswaarden. Volgens verzoekster is de belangenafweging bovendien disproportioneel omdat er een groot risico is dat de 25 bomen onomkeerbaar worden gekapt voor een bouwproject dat mogelijk jaren stilligt of niet doorgaat. In de aanvraag en het kapadvies staat namelijk dat er nieuwbouw ‘kan’ plaatsvinden. De omgevingsvergunning voor de plannen is nog niet verleend. 14. De voorzieningenrechter stelt vast dat er in dit geval in de BEA 29 bomen zijn beoordeeld. In de BEA wordt de conclusie getrokken dat de conditie van 20 bomen voldoende is, van 8 bomen onvoldoende en van 1 slecht. Er wordt toegelicht dat alle 29 bomen waarde hebben voor de directe omgeving door de ecosysteemdiensten die zij leveren. Ook wordt toegelicht wat de voorgenomen bouwplannen zijn en waarom de bomen bij uitvoering van deze plannen niet duurzaam te behouden zijn. 15. De beslissing om een kapvergunning te verlenen is een discretionaire bevoegdheid. Artikel 5 is namelijk een zogenaamde ‘kan’-bepaling. Dat heeft tot gevolg dat de voorzieningenrechter niet zelf beoordeelt welke uitkomst van de belangenafweging het meest evenwichtig is, maar toetst of het college in redelijkheid tot het verlenen van de kapvergunning heeft kunnen komen. 16. In dit geval heeft de boomdeskundige van de gemeente in het kapadvies geadviseerd de aangevraagde kapvergunning af te geven, omdat de bomen geen bijzondere waarden hebben die zich tegen de kap verzetten. Het verlies aan groenwaarde zal worden gecompenseerd door het aanplanten van 27 nieuwe bomen. De 25 te kappen bomen vervullen volgens de deskundige onvoldoende groenwaarden om het belemmeren van de gewenste nieuwbouw te rechtvaardigen. Tijdens de zitting is toegelicht dat de omgevingsvergunning naar verwachting binnen een maand verleend zal worden en daarna zal worden uitgevoerd en in de BEA is toegelicht waarom de bomen niet behouden kunnen worden. 17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in redelijkheid tot het verlenen van de kapvergunning heeft kunnen komen. De waarde van de bomen voor de omgeving waar verzoekster op heeft gewezen maken dat niet anders, nu elke boom in beginsel waarde voor de omgeving heeft. De boomdeskundige heeft geoordeeld dat deze 25 bomen geen bijzondere waarden hebben. Het college mag op het advies van een deskundige afgaan, als is nagegaan dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Verzoekster heeft geen stukken of deskundigenadvies ingediend waaruit blijkt dat het onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden of de conclusies die daarin worden getrokken onjuist zijn. In de vergunning is bovendien opgenomen dat er 27 nieuwe bomen herplant moeten worden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om er aan te twijfelen dat de bouwplannen waarvoor de bomen gekapt worden zullen worden uitgevoerd. De voorzieningenrechter begrijpt dat de bomen voor verzoekster en anderen een grote waarde hebben, maar vindt niet dat het college de vergunning om die reden had moeten weigeren. Broedseizoen 18. Verzoekster heeft aangevoerd dat het broedseizoen van half maart tot half juli loopt en het verboden is om nesten en rustplaatsen van vogels te verstoren of vernielen. Volgens verzoekster is de kap op dit moment ecologisch onverantwoord en moet er een actueel ecologisch onderzoek worden uitgevoerd kort voorafgaand aan de kap. De quickscan uit januari biedt volgens verzoekster onvoldoende waarborg en ook een algemene schouwronde is onvoldoende. 19. Uit de quickscan van januari volgt dat er op dat moment geen jaarrond beschermde nesten of nesten in gebruik waren. Uit het kapadvies blijkt dat de bomen een algemene natuurfunctie vervullen als schuilplaats en broedplek voor vogels, maar dat er geen sprake is van een unieke functievervulling die niet door andere bomen in de omgeving wordt vervuld. Op advies van de deskundige is in de kapvergunning het voorschrift opgenomen dat er een schouwronde Flora & Fauna moet worden uitgevoerd voorafgaand aan de kapwerkzaamheden en dat er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten verstoord mogen worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het feit dat niet is uitgesloten dat er op het moment van kappen nesten in de bomen zitten, geen reden voor het college had hoeven zijn om de kapvergunning bij voorbaat niet te verlenen. De bescherming van nest en rustplaatsen is namelijk voldoende gewaarborgd door het voorschrift. Beleid en vertrouwensbeginsel 20. Volgens verzoekster heeft de gemeente toezeggingen die zij heeft gedaan in het Convenant Masterplan Amsterdam Samen Nieuw-West geschonden. Door de kapvergunning te verlenen handelt de gemeente in strijd met haar eigen beleid en het vertrouwensbeginsel. Verzoekster ziet een patroon in haar stadsdeel, waarbij de gemeente de buurt overvalt en regels rond natuur en participatie negeert. 21. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet er sprake zijn van een toezegging die aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als daaraan is voldaan, zal er een belangenafweging moeten plaatsvinden. Van een toezegging is sprake als de uitlatingen en/of gedragingen van een ambtenaar redelijkerwijs de indruk hebben gewekt dat er sprake is van een ‘welbewuste standpuntbepaling’ van het bestuur over de manier waarop een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoekster aangehaalde stukken geen concrete toezegging waaraan verzoekster het vertrouwen mocht verlenen dat deze 25 bomen niet gekapt zouden gaan worden. Participatie 22. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij onvoldoende is meegenomen door het college bij de bouwplannen en het verlenen van de kapvergunning, terwijl deze wel grote effecten hebben op haar omgeving. 23. De voorzieningenrechter stelt vast dat de wetgever participatie bij het verlenen van een kapvergunning niet verplicht heeft gesteld. Wel moet de aanvrager kenbaar maken óf participatie heeft plaatsgevonden en zo ja, wat hiervan de resultaten waren. In dit geval heeft vergunninghouder kenbaar gemaakt dat participatie niet heeft plaatsgevonden. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster graag wil worden meegenomen bij de plannen in haar omgeving, had het ontbreken van participatie dus niet tot weigering van de kapvergunning hoeven leiden. Voor zover het standpunt van verzoekster ook ziet op de bouwplannen moet de voorzieningenrechter vaststellen dat zij daarover geen oordeel kan geven, omdat deze procedure enkel ziet op de verleende kapvergunning. De herplantplicht 24. Verzoekster heeft aangevoerd dat uit de herplanttabel volgt dat er 53 ‘standaard’ bomen moeten worden teruggeplant, maar dat er vervolgens wordt geadviseerd om maar 27 bomen terug te planten. De termijn voor het terugplanten loopt tot 1 april 2029. Dat is volgens verzoekster te lang. Bovendien is volgens verzoekster ten onrechte niet onderzocht of de bomen ook verplant kunnen worden, in plaats van herplant. 25. Uit artikel 7 van de Bomenverordening 2014 blijkt dat er in principe een herplantplicht moet worden verbonden aan de kapvergunning en dat het college kan bepalen dat de herplant geschiedt met een houtopstand die vergelijkbaar is met de te kappen bomen. 26. Uit de kapvergunning volgt in dit geval dat er 27 bomen herplant moeten worden. Dit is in lijn met het kapadvies. Daaruit volgt inderdaad dat er ook voor gekozen had kunnen worden om 53 ‘standaard’ bomen te laten herplanten, maar zoals toegelicht in het kapadvies en tijdens de zitting is er voor gekozen om 27 grotere bomen te laten herplanten. Dit zijn er meer dan de 25 bomen die worden gekapt. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het advies van de boomdeskundige. De verplichting om te beoordelen of de bomen ook verplant hadden kunnen worden volgt niet uit de Bomenverordening 2014. Bovendien heeft de gemachtigde van het college tijdens de zitting toegelicht dat verplanten niet goed is voor de conditie van bomen en groot risico meebrengt dat de bomen niet behouden kunnen blijven. De vier andere bomen 27. Verzoekster wijst er op dat er naast de 25 bomen die gekapt mogen worden, vier bomen zijn die behouden moeten blijven. Uit de BEA blijkt volgens verzoekster echter dat deze bomen de werkzaamheden niet zullen overleven. 28. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening zien op de verleende kapvergunning. De voorzieningenrechter kan daarom geen oordeel geven over bomen waarop deze kapvergunning niet ziet. Conclusie en gevolgen 29. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster geen standpunten naar voren heeft gebracht op basis waarvan het bezwaar naar verwachting zal slagen. De voorzieningenrechter concludeert dat het college, ondanks de onomkeerbaarheid van de gevolgen, het belang van vergunninghouder bij het kappen van de bomen in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dat het belang van verzoekster bij het behoud van de bomen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Dat betekent dat de kapvergunning niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026. griffier voorzieningenrechter De voorzieningenrechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie artikel 7:1 van de Awb. Zie artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1819. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 3, eerste lid van de Bomenverordening 2014. Zie ook de toelichting bij artikel 5 van de Bomenverordening 2014. Zie artikel 3:9 van de Awb. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694. Dit volgt uit artikel 16.55 tweede en zesde lid van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 7.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling.