Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:7057

Deze uitspraak gaat over een opgelegde bestuurlijke boete wegens het zonder vergunning omgezet houden van een zelfstandige woning in drie zelfstandige woonruimten. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder een boete heeft mogen opleggen en dat er geen aanleiding is om de boete (verder) te matigen

Rechtbank Amsterdam 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:7057 text/xml public 2026-08-05T11:00:01 2026-07-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-08 AMS 25/665 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7057 text/html public 2026-08-05T08:07:23 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:7057 Rechtbank Amsterdam , 08-04-2026 / AMS 25/665
Deze uitspraak gaat over een opgelegde bestuurlijke boete wegens het zonder vergunning omgezet houden van een zelfstandige woning in drie zelfstandige woonruimten. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder een boete heeft mogen opleggen en dat er geen aanleiding is om de boete (verder) te matigen
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/665
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. S.V. Ramdihal),

en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting 1.1.
Deze uitspraak gaat over een opgelegde bestuurlijke boete wegens het zonder vergunning omgezet houden van een zelfstandige woning in drie zelfstandige woonruimten. Eiser is het er niet mee eens dat aan hem een boete is opgelegd en is het ook niet eens met de hoogte van de boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder een boete heeft mogen opleggen en dat er geen aanleiding is om de boete (verder) te matigen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming en procesverloop 2.1.
Eiser is sinds februari 2023 eigenaar van de woning aan de [adres]. Op 7 en 22 september 2023 hebben toezichthouders van verweerder de betreffende woning bezocht. Hiervan zijn rapporten van bevindingen opgesteld. Gebleken is dat de zelfstandige woning met vier bouwlagen is omgevormd in drie zelfstandige woonruimtes, die ieder afzonderlijk beschikken over essentiële voorzieningen en afzonderlijk zijn verhuurd. Dit is gedaan zonder de vereiste vergunning, hetgeen in strijd is met artikel 21, eerste lid, onder e van de Huisvestingswet 2014.
2.2.
Verweerder heeft op 23 januari 2024 aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 18.860,-. Met het bestreden besluit van 13 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het besluit gebleven om aan eiser een boete op te leggen, maar heeft verweerder de boete gematigd tot € 9.430,-. Verweerder heeft aan de matiging van de boete ten grondslag gelegd dat naar aanleiding van de uitspraak van 21 augustus 2024 van de Afdeling de boetetabellen per 1 januari 2025 zullen worden aangepast. Tot die tijd wordt een terughoudend beleid gevoerd. In het geval van eiser wordt de boete vastgesteld op 50% van de eerder opgelegde boete. Ook omdat eiser zich beroepsmatig bezighoudt met huisvesting en exploitatie van onroerend goed. Aan de andere kant geldt dat het gaat om een eenmalige overtreding, de woning in deze staat is aangekocht, eiser heeft geprobeerd de situatie te legaliseren en hij de overtreding ongedaan heeft gemaakt. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die verdere matiging van de boete rechtvaardigen.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Vlak voorafgaand aan deze zitting heeft de gemachtigde van eiser laten weten dat eiser niet kan verschijnen vanwege familieomstandigheden. De gemachtigde zal daarom ook zelf niet verschijnen en heeft verzocht de zaak op de stukken af te doen. De gemachtigde van verweerder is wel op de zitting verschenen. Zij heeft verwezen naar haar verweerschrift.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de halvering van de boete door verweerder nog steeds geen recht doet aan zijn situatie. De boete is opgelegd zonder deugdelijke motivering en een waarschuwing was passender geweest. Volgens eiser volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024 dat geen boete meer had kunnen worden opgelegd. Bovendien is de opgelegde boete onevenredig hoog. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat hij het pand in de gewraakte staat had overgenomen. Hij heeft zich na de geconstateerde overtreding coöperatief opgesteld en de woning weer teruggebracht in de staat die verweerder wilde. Eiser heeft niet eerder een dergelijke overtreding begaan.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser een overtreding heeft begaan door de zelfstandige woning zonder vergunning in drie zelfstandige woning omgevormd te houden.
4.2.
Verweerder hanteert bij het opleggen van boetes een gefixeerd boetestelsel, waarbij de proportionaliteit en redelijkheid van de hoogte van de boetes in verhouding tot de verschillende overtredingen al zijn meegewogen. Ook met de ernst van de overtreding is hierbij rekening gehouden. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken overwogen dat in Amsterdam in de verordeningen slechts zeer beperkt is gedifferentieerd naar omvang en frequentie van de overtreding en daarmee onvoldoende recht wordt gedaan aan het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling heeft verschillende boetetabellen in de Huisvestingsverordening daarom onverbindend verklaard. Dat betekent evenwel niet – zoals door eiser wordt gesteld – dat verweerder in zijn geheel niet bevoegd is om een boete op te leggen. Eiser heeft immers in strijd gehandeld met de Huisvestingswet en Huisvestingsverordening en de uitspraken van de Afdeling hebben de bevoegdheid tot boeteoplegging niet aangetast.
4.3.
De rechtbank ziet ook niet in waarom verweerder in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik had mogen maken. Er is namelijk sprake van een ernstige overtreding met directe en negatieve gevolgen voor de leefbaarheid. Dit heeft geleid tot aantoonbare overlast voor omwonenden, waaronder geluidsoverlast, parkeeroverlast en vervuiling van de openbare ruimte. Verweerder heeft dat voldoende gemotiveerd.
4.4.
Wat betreft de hoogte van de boete overweegt de rechtbank dat deze getoetst moet worden aan artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals volgt uit onder meer de uitspraken van de Afdeling kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb, die aanleiding geven een boete te matigen. Voor zover eiser stelt dat een of meer van deze omstandigheden in dit geval aan de orde zijn, moet hij dat aannemelijk maken. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd – weergegeven onder 3 – geen aanleiding geeft om de boete verder te matigen dan verweerder al heeft gedaan. Verweerder heeft bij die matiging ook al meegewogen dat eiser de woning in deze staat had gekocht, dat sprake was van een eenmalige overtreding en dat hij de overtreding heeft beëindigd. Met hetgeen verder nog is aangevoerd is door eiser niet aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder aan eiser deze boete heeft mogen opleggen en de rechtbank ook geen aanleiding ziet om deze boete (verder) te matigen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:3416.

Zie de uitspraken van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3416, 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4087 en 23 oktober 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4210.

Zie de uitspraken van15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:649, 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:953, en 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1751 en 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:317.

Artikel delen