verzoek tot buiten werking stellen onherroepelijke volmacht (artikel 3:74 lid 4 BW). Geen sprake van gewichtige redenen. Verzoek wordt afgewezen.
Rechtbank Amsterdam 5 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7546
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2026
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
C/13/777620
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBAMS:2026:7546text/xmlpublic2026-08-05T12:47:302026-07-22Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-07-09C/13/777620UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigRekestprocedureBeschikkingNLAmsterdamCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7546text/htmlpublic2026-08-03T12:14:482026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:7546 Rechtbank Amsterdam , 09-07-2026 / C/13/777620 verzoek tot buiten werking stellen onherroepelijke volmacht (artikel 3:74 lid 4 BW). Geen sprake van gewichtige redenen. Verzoek wordt afgewezen.
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer / rekestnummer: C/13/777620 / HA RK 25-372 Beschikking van 9 juli 2026 in de zaak van 1 [verzoeker 1] , wonende te [woonplaats 1] (hierna: [verzoeker 1] ),2. [verzoeker 2],
wonende te [woonplaats 2] , (hierna: [verzoeker 2] )
advocaat: mr. P.P. Klokkers, tegen 1 [verweerder] , wonende te [woonplaats 3] ,
verwerende partij, (hierna: [verweerder] )
advocaat: mr. J.H. Heerebout, en 2 [belanghebbende] wonende te [woonplaats 4] ,
belanghebbende, (hierna: [belanghebbende] ). 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 16 oktober 2025, met producties,
- het verweerschrift van 28 mei 2026,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, met de daarin genoemde stukken. 1.2. Ten slotte is beschikking bepaald. 2De feiten2.1.
[verzoeker 1] is de kleindochter van [verzoeker 2] en [oma] (hierna: oma). Sinds haar geboorte is [verzoeker 1] opgevoed door [verzoeker 2] en oma, bij wie zij ook in huis in [plaats] (hierna: het huis) heeft gewoond. Oma is op 6 november 2020 overleden. 2.2.
[verweerder] en [belanghebbende] zijn broers en de kinderen van [verzoeker 2] en oma, net als de moeder van [verzoeker 1] die in 2012 is overleden. 2.3. Bij notariële akte van 11 juli 2013, verleden in Suriname, heeft oma (met volmacht van [verzoeker 2] ) een perceel land, gelegen aan het [straat] van [district] in het district Suriname, thans district [district] (hierna: het perceel), verkocht en geleverd aan [verzoeker 1] . Daarbij is ook een levenslang vruchtgebruik gevestigd ten gunste van [verzoeker 2] en oma. 2.4. In 2019 zijn [verweerder] en [belanghebbende] door [verzoeker 2] en oma bij testament onterfd. 2.5. Op 12 maart 2021 hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ten overstaan van een notaris in Den Haag een onherroepelijke volmacht (hierna: de volmacht) gegeven aan [verweerder] . In de volmacht is – voor zover hier relevant – het volgende bepaald:
“(…)
De verschenen personen verklaarden bij deze: onherroepelijk volmacht te geven aan de heer
[verweerder]
(…) speciaal om hen, de verschenen personen, in alle opzichten te vertegenwoordigen en al hun rechten en belangen, zonder enige uitzondering, uit te oefenen en waar te nemen, met betrekking tot: het perceelland (…) zodat de aan genoemde volmachthebber(s) verleende volmacht onder meer ook zal strekken om voor de verschenen personen in privé of in elke andere hoedanigheid, genoemde onroerende zaak en rechten te vervreemden, de koopovereenkomst te ondertekenen, de koopsom te ontvangen en daarvoor kwijting te verlenen (…) een en ander zonder dat de opsomming deze speciale handelingen de strekking zal hebben enige andere feitelijke of rechtshandeling, welke dan ook, uit te sluiten. De onherroepelijkheid van de volmacht houdt in dat deze niet zal eindigen bij overlijden of ondercuratelestelling van de volmachtgevers. (…)” 2.6. Op 7 augustus 2025 hebben [verweerder] en [belanghebbende] aanspraak gemaakt op hun legitieme portie in de nalatenschap van oma. 2.7. Per brief van 10 oktober 2025 heeft [verzoekers] aan [verweerder] laten weten de volmacht in te trekken. 2.8. De voorzieningenrechter in Amsterdam heeft [verweerder] bij vonnis van 13 november 2025 verboden om van de volmacht gebruik te maken totdat onherroepelijk zal zijn beslist in de aanhangige verzoekschriftprocedure ex artikel 3:74 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). 3Het verzoek en het verweer3.1.
[verzoekers] verzoekt – samengevat – dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de verklaring van onherroepelijkheid van de volmacht buiten werking stelt;
II. de buitengerechtelijke intrekking van de volmacht bekrachtigt onder oplegging van een verbod aan [verweerder] om daarvan nog gebruik te maken;
III. bepaalt dat [verweerder] binnen veertien dagen na deze beschikking alle stukken die met de volmacht van doen hebben die hij in bezit heeft (waaronder het origineel van de volmacht) overhandigt aan de advocaat van [verzoekers] , een en ander op straffe van een dwangsom,
IV. [verweerder] veroordeelt in de proceskosten. 3.2.
[verzoekers] legt aan het verzoek ten grondslag dat [verzoeker 2] en oma met [verweerder] en [belanghebbende] zijn overeengekomen dat na hun overlijden [verweerder] en [belanghebbende] het perceel zouden krijgen en dat zij in ruil daarvoor zouden afzien van hun legitieme portie. Op deze manier werd bewerkstelligd dat [verzoeker 1] na het overlijden van haar grootouders in het huis zou kunnen blijven wonen. In de veronderstelling dat deze afspraken werden nagekomen, hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] de volmacht afgegeven. Desondanks hebben [verweerder] en [belanghebbende] toch aanspraak gemaakt op hun legitieme portie. Het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat [verweerder] naast zijn legitieme portie, ook de verkoopopbrengst van het perceel zou ontvangen. [verweerder] heeft [verzoekers] misleid bij het afgeven van de volmacht. Mocht [verweerder] de volmacht toch gebruiken, dan handelt hij onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW. [verweerder] wordt dan immers ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [verzoeker 1] . Dit alles maakt dat sprake is van gewichtige redenen op grond waarvan de onherroepelijkheid van de volmacht buiten werking moet worden gesteld (artikel 3:74 lid 4 BW). 3.3.
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe aan dat er geen sprake is van een gewichtige reden op grond waarvan de onherroepelijkheid van de volmacht buiten werking kan worden gesteld, nu niet is gebleken dat sprake is van misbruik van de volmacht of een onvoorziene omstandigheid. Verder voert [verweerder] aan dat [verzoekers] zich op misleiding beroept, maar dat daarvoor in deze verzoekschriftprocedure geen plaats is en dat [verzoekers] die stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Ook heeft [verzoekers] niet aangetoond dat er een afspraak tussen partijen bestond waarmee [verweerder] en [belanghebbende] afstand hebben gedaan van hun legitieme portie. Daar komt bij dat afstand van een (nog niet opengevallen) recht op een legitieme portie voor overlijden van de erflater niet rechtsgeldig is. Verder voert [verweerder] aan dat hij over twee zelfstandige titels beschikt die hij naast elkaar mag uitoefenen. Van onrechtmatig handelen of ongerechtvaardigde verrijking is dan ook geen sprake. Tot slot brengt [verweerder] nog naar voren dat [verzoeker 1] te kwader trouw heeft gehandeld, nu zij heeft geprobeerd haar medewerking aan de overdracht van het perceel uit te stellen tot het moment dat de mogelijkheid voor [verweerder] en [belanghebbende] om nog aanspraak te maken op hun legitieme portie al was vervallen. Het voorgaande maakt dat het verzoek van [verzoekers] moet worden afgewezen. Mocht de onherroepelijkheid van de volmacht toch buiten werking worden gesteld, dan verzoekt [verweerder] de rechtbank te bepalen dat die buitenwerkingstelling slechts geldt zolang [verzoekers] niet aan haar informatieplicht jegens [verweerder] en [belanghebbende] ter zake van de legitieme portie heeft voldaan, en dat de volmacht onmiddellijk herleeft zodra de informatieverstrekking volledig is. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling4.1. Het verzoek van [verzoekers] strekt tot het buiten werking stellen van de onherroepelijkheid van de volmacht. De rechtbank zal het verzoek afwijzen. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.2. Artikel 3:74 lid 1 BW houdt in dat voor zover een volmacht strekt tot het verrichten van een rechtshandeling in het belang van de gevolmachtigde of van een derde, kan worden bepaald dat zij onherroepelijk is, of dat zij niet eindigt door de door of ondercuratelestelling van de volmachtgever. 4.3. Op grond van artikel 3:74 lid 4 BW kan de rechter, op verzoek van de volmachtgever, een bepaling die strekt tot onherroepelijkheid van de volmacht wegens gewichtige redenen wijzigen of buiten werking stellen. Een gewichtige reden kan bijvoorbeeld zijn gelegen in het intreden van onvoorziene omstandigheden, die van dien aard zijn dat degene in wiens belang de volmacht onherroepelijk is gemaakt, naar redelijkheid en billijkheid handhaving van de volmacht niet mag verwachten. Een gewichtige reden kan daarnaast zijn dat de gevolmachtigde de volmacht gebruikt op een wijze die kennelijk onredelijk is jegens de volmachtgever. 4.4. Uit het voorgaande volgt dat een volmacht niet zonder meer onherroepelijk kan worden verklaard. Vereist is dat de volmacht ziet op een concrete rechtshandeling die in het belang is van de gevolmachtigde (of van een derde). Is dat niet het geval, dan kan de volmacht worden herroepen. Partijen zijn het erover eens dat de volmacht strekt tot het verkopen van het perceel en dat [verweerder] daar belang bij heeft. Daarmee is aan de vereisten van artikel 3:74 lid 1 voldaan, zodat [verweerder] een onherroepelijke volmacht gekregen voor het verkopen van het perceel. 4.5. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [verzoekers] dat zij zich op het standpunt stelt dat de volmacht in redelijkheid niet kan worden gehandhaafd nu zij niet had voorzien dat [verweerder] en [belanghebbende] aanspraak zouden maken op hun legitieme portie in de nalatenschap van oma. Zij voert daartoe aan dat [verzoeker 2] en oma met [verweerder] en [belanghebbende] hebben afgesproken dat zij daar juist van zouden afzien en dat zij in ruil daarvoor (de opbrengst van) het perceel zouden krijgen. Omdat [verweerder] gemotiveerd betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt, rust op [verzoekers] de bewijslast van die afspraak. [verzoekers] beroept zich daarbij op de in het kader van deze procedure opgestelde verklaring van [verzoeker 2] . Tegenover de gemotiveerde betwisting van [verweerder] legt de verklaring van [verzoeker 2] , die tevens verzoeker is, onvoldoende gewicht in de schaal. Nu [verzoekers] geen nader bewijs heeft aangeboden, is niet vast komen te staan dat [verweerder] en [belanghebbende] destijds met [verzoeker 2] en oma hebben afgesproken dat zij, in ruil voor het perceel, afstand zouden doen van hun legitieme portie. Een dergelijke afspraak is overigens, zoals [verweerder] terecht heeft aangevoerd, op grond van artikel 4:4 lid 1 BW nietig. Het voorgaande maakt dat niet kan worden geconcludeerd dat het feit dat [verweerder] en [belanghebbende] aanspraak maken op hun legitieme portie als onvoorziene omstandigheid moet worden beschouwd als gevolg waarvan handhaving van de volmacht naar redelijkheid en billijkheid niet kan worden verwacht. 4.6.
[verzoekers] voert verder aan dat [verweerder] kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van zijn volmacht door [verzoeker 1] te benadelen, hetgeen [verweerder] betwist. Vaststaat dat [verweerder] , nadat de volmacht is afgegeven, de verkoop van het perceel in gang heeft gezet. Dat is hem op grond van de volmacht ook toegestaan. Niet is gebleken dat [verweerder] daarbij zijn volmacht heeft gebruikt op een wijze die kennelijk onredelijk is jegens [verzoekers] Daar komt bij dat [verweerder] onweersproken heeft toegelicht dat hij vanwege een verandering in de Surinaamse wetgeving het perceel zonder medewerking van [verzoeker 1] niet kan verkopen. 4.7. Tot slot heeft [verzoekers] nog naar voren gebracht dat sprake zou zijn van misleiding, onrechtmatig handelen en ongerechtvaardigde verrijking. Voor zover daar in het kader van deze verzoekschriftprocedure ex artikel 3:74 lid 4 BW al plaats voor is, heeft [verzoekers] deze stellingen naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. 4.8. Het voorgaande brengt mee dat er geen gewichtige redenen zijn voor het wijzigen of buiten werking stellen van de onherroepelijkheid van de door [verzoekers] verleende volmacht. Het daartoe strekkende verzoek (alsmede het daarmee samenhangende verzoek tot oplegging van een verbod en overhandiging van bescheiden) wordt daarom afgewezen. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de beoordeling van de subsidiaire conclusie van [verweerder] . Proceskosten 4.9. Gelet op de familierelatie tussen partijen ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van een van hen. 5De beslissing De rechtbank 5.1. wijst het verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026. Rechtbank Amsterdam d.d. 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8703.