Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:7779

klaagschrift naar aanleiding van een inbeslagneming op grond van een rechtshulpverzoek uit Zwitserland; het beklag is niet-ontvankelijk voor zover die stuk op inbeslaggenomen voorwerpen van derden en voor het overige is het beklag ongegrond verklaard

Rechtbank Amsterdam 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:7779 text/xml public 2026-08-04T10:26:37 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-07-30 26/017125 Uitspraak Rekestprocedure NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7779 text/html public 2026-08-04T09:54:35 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:7779 Rechtbank Amsterdam , 30-07-2026 / 26/017125
klaagschrift naar aanleiding van een inbeslagneming op grond van een rechtshulpverzoek uit Zwitserland; het beklag is niet-ontvankelijk voor zover die stuk op inbeslaggenomen voorwerpen van derden en voor het overige is het beklag ongegrond verklaard
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht

Zittingsplaats Amsterdam

raadkamernummer : 26/017125

KRJ-l-nummer : 2023047095

datum : 30 juli 2026

beslissing van de meervoudige strafkamer op het beklag op grond van artikel 552a in verbinding met artikel 5.1.11 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klaagster] ,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amstelveen aan [het adres] ,

domicilie kiezend op het kantoor van mr. B.E.J. Torny, advocaat te Amsterdam (Vondelstraat 41, 1054 GJ Amsterdam),

hierna te noemen: de klaagster.
Feiten
Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Zwitserse autoriteiten, is in het kader van een Zwitsers strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot – kort gezegd – verduistering, oplichting en valsheid in geschrifte, op 3 juni 2026 beslag gelegd onder [de klaagster]
Procedure
Het klaagschrift is op 15 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 16 juli 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de klaagster, mr. B.E.J. Torny en de officier van justitie op zitting gehoord.

De klaagster is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Beklag
Op 3 juni 2026 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden op het vestigingsadres van [de klaagster] op verzoek van de Zwitserse autoriteiten. Tijdens de doorzoeking zijn documenten in beslag genomen. Deze documenten zijn niet alleen van [de klaagster] , maar bevatten ook documenten van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. die op hetzelfde adres kantoor houden. De documenten van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. vallen niet onder de reikwijdte van het rechtshulpverzoek, zodat deze dienen te worden geretourneerd. De documenten van [de klaagster] dienen eveneens te worden teruggegeven omdat deze stukken op geen enkele wijze gerelateerd kunnen worden aan – of relevant kunnen zijn voor – het aan de dag brengen van de waarheid ten aanzien van de strafbare feiten die in het rechtshulpverzoek staan vermeld. De in beslag genomen documenten zijn niet vatbaar voor inbeslagneming als stukken van overtuiging, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat deze stukken relevant (kunnen) zijn voor het Zwitserse onderzoek. Dit geldt te meer voor de documenten die zien op de jaren 2020 en 2021 en die niet zien op de ijzer- en staalhandel; het rechtshulpverzoek ziet immers op feiten die zouden zijn gepleegd in de periode 2017 tot en met 2019 in verband met de ijzer- en staalhandel. Primair moeten daarom alle in beslag genomen voorwerpen worden teruggegeven. Subsidiair dient de beslissing over het klaagschrift te worden aangehouden, omdat er een filtering op relevantie dient plaats te vinden. Meer subsidiair wordt verzocht inzage te verlenen in de inbeslaggenomen documenten, omdat zonder die inzage het nagenoeg onmogelijk is om het standpunt te onderbouwen dat de concrete documenten geen relevantie (kunnen) hebben voor de waarheidsvinding. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat zich onder de inbeslaggenomen documenten verschoningsgerechtigd materiaal bevindt. Op het kantoor lag veel informatie van de stichting [naam stichting] . De vertegenwoordigers van [de klaagster] verrichten namelijk veel werkzaamheden voor deze stichting, die zich onder meer bezig houdt met hulp aan Oekraïne en de Oekraïense troepen. Mogelijk bevinden zich medische gegevens van Oekraïense militairen die in een Duits ziekenhuis zijn/worden behandeld onder deze stukken. Deze gegevens vallen onder het medisch verschoningsrecht van de artsen in dat ziekenhuis. Ook vertalingen naar het Engels van medische stukken van Oekraïense vluchtelingen kunnen zich onder de inbeslaggenomen documenten bevinden. Deze verschoningsgerechtigde stukken zijn van geen enkel belang voor het strafrechtelijk onderzoek in Zwitserland. Een zorgvuldige filtering is ook daarom noodzakelijk.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. Op verzoek van de Zwitserse autoriteiten is er een doorzoeking gedaan bij [de klaagster] en zijn documenten in beslag genomen. Het Openbaar Ministerie doet geen onderzoek naar de inbeslaggenomen voorwerpen, dat is voorbehouden aan de Zwitserse autoriteiten. Het beslag valt onder de reikwijdte van het rechtshulpverzoek en er zijn geen gronden om het rechtshulpverzoek te weigeren. Het rechtshulpverzoek is gebaseerd op verdragen en bevat de noodzakelijke informatie. Daarnaast is er voldaan aan de formele eisen van artikel 5.1.6 Sv en 5.1.8 Sv. Klaagster heeft niet onderbouwd dat er een redelijk vermoeden is dat zich tussen het beslag verschoningsgerechtigd materiaal bevindt. Dat geldt ook voor mogelijke stukken van de stichting [naam stichting] . Bovendien kan uit het doel van de stichting niet worden afgeleid dat zij over medische patiëntengegevens zouden beschikken.
Beoordeling
Het verzoek van de Zwitserse autoriteiten houdt verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen klaagster ter zake van de verdenking dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten, zoals in het rechtshulpverzoek omschreven. Het rechtshulpverzoek is door de officier van justitie uitgevoerd.

Het verzoek is gegrond op het op het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959, het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven van

8 november 1990 en de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek strafbare feiten betreft die zowel naar het recht van Zwitserland als naar het recht van Nederland strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste zes maanden.

Het verzoek betreft voorwerpen die ook in beslag hadden kunnen worden genomen in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank is bevoegd.

Het beklag is tijdig ingediend.

De toetsing van de beklagrechter in verband met de rechtmatigheid van het beslag en de voortduring van het beslag omvat de vraag of aan de eisen van de wet en de toepasselijke Verdragen is voldaan, en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden.

Het beklag over de rechtmatigheid van de inbeslagneming dan wel voortduring van het beslag kan ook betrekking hebben op de gevolgen van de eventuele overdracht van het beslag.

De Zwitserse autoriteiten hebben niet meegedeeld af te zien van het beslag, er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een voortdurend belang van strafvordering.

Voor wat betreft de vraag of is voldaan aan de eisen van de wet en de toepasselijke Verdragen en of anderszins geen fundamentele beginselen zijn geschonden, dient te worden gekeken naar de bepalingen met betrekking tot de erkenning en uitvoering.

De inzet van de bevoegdheden is naar Nederlands recht rechtmatig geschied en er doen zich geen weigeringsgronden op grond van artikel 5.1.5 Sv voor.

De rechtbank overweegt dat voor zover het beklag ziet op teruggave van documenten die toebehoren aan [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. het klaagschrift niet-ontvankelijk is, omdat niet is gebleken dat [de klaagster] belanghebbende is bij inbeslaggenomen voorwerpen die niet aan haar toebehoren maar aan voornoemde andere vennootschappen. De enkele omstandigheid dat deze vennootschappen op hetzelfde adres als [de klaagster] kantoor houden, maakt dit niet anders.

Verder overweegt de rechtbank dat het niet aan haar is om te beoordelen of de inbeslaggenomen voorwerpen relevant zijn voor en onder de reikwijdte van het Zwitserse strafonderzoek vallen. Dit is voorbehouden aan de Zwitserse autoriteiten en de rechtbank kan daar niet in treden. Dit geldt eveneens voor de stukken die zouden zien op een ander soort handel en andere jaren dan in het rechtshulpverzoek genoemd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de zaak aan te houden voor een filtering op relevantie van de stukken noch voor inzage in de stukken.

Voorts overweegt de rechtbank dat de raadsvrouw niet heeft onderbouwd dat er verschoningsgerechtigde stukken van de stichting [naam stichting] zich tussen de inbeslaggenomen voorwerpen zouden bevinden. Hoewel er een beslaglijst is met de namen van de ordners heeft zij niet kunnen aangeven in welke ordners die stukken zich dan bevinden. De rechtbank constateert op grond van de beslaglijst dat geen inbeslaggenomen ordner de naam van de stichting vermeldt. Ook heeft de raadsvrouw niet concreet kunnen maken waarom de gegevens van de stichting zich tussen de administratie van de vennootschappen zouden kunnen bevinden. De raadsvrouw heeft enkel gesteld dat het niet uitgesloten kan worden dat er medische gegevens van militairen of vluchtelingen tussen de stukken aanwezig zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen voor een filtering op verschoningsgerechtigde stukken van de stichting [naam stichting] uit te voeren.

De raadsvrouw heeft ter zitting opgemerkt dat zij een lijst van namen van de vluchtelingen en militairen zou kunnen overleggen. De rechtbank overweegt ten overvloede dat indien bij ontvangst van een dergelijke lijst of nadere informatie de officier van justitie aanleiding ziet voor een redelijk vermoeden dat er verschoningsgerechtigde stukken in het beslag zitten, hij een vordering op grond van artikel 181 Sv bij de rechter-commissaris kan indienen, die alsdan zal toetsen of er een redelijk vermoeden bestaat en zo ja alsdan tot filtering kan overgaan.

De rechtbank is van oordeel dat het klaagschrift voor het overige ongegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat aan alle daarvoor in de wet en de toepasselijke verdragen gestelde eisen is voldaan en zich geen belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit de toepasselijke verdragen onderscheidenlijk de wet. Door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt evenmin gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.
Toepasselijke wettelijke bepalingen
- artikelen 5.1.1, 5.1.4, 5.1.6, 5.1.8 en 5.1.11 Sv;

- artikelen 225, 321 en 326 Wetboek van Strafrecht;

- artikelen 1, 3, 5, 14 en 15 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959, alsmede de Nederlandse verklaring bij artikel 5 van het verdrag;

- artikelen 1 en 4 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

- artikelen 8 en 9 van het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven van 8 november 1990;

- artikelen 48 en 51 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (Schengen, 19 juni 1990).
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op de inbeslaggenomen voorwerpen die zien op documenten van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. en voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.

Artikel delen