Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:7807

Huurzaak verstek. Ambtshalve toetsing Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn Oneerlijke Bedingen). Verhuurder vordert alleen huurverhogingen op grond van de CPI-index. Toetsing opslagbeding kan achterwege blijven. Oneerlijk rente- en BIK-beding. Afwijzing BGK en rente.

Rechtbank Amsterdam 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:7807 text/xml public 2026-08-05T12:54:01 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-07-17 12268714 CV EXPL 26-8033 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7807 text/html public 2026-08-03T12:24:02 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:7807 Rechtbank Amsterdam , 17-07-2026 / 12268714 CV EXPL 26-8033
Huurzaak verstek. Ambtshalve toetsing Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn Oneerlijke Bedingen). Verhuurder vordert alleen huurverhogingen op grond van de CPI-index. Toetsing opslagbeding kan achterwege blijven. Oneerlijk rente- en BIK-beding. Afwijzing BGK en rente.

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 12268714 CV EXPL 26-8033

vonnis van: 17 juli 2026

fno.: 506
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
de stichting Woningstichting Eigen Haard
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam

eisende partij

gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen

t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

niet verschenen
Verloop van de procedure
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
Gronden van de beslissing
1. Eisende partij vordert in deze procedure betaling van huurachterstand en mutatiekosten (herstelkosten woning) vermeerderd met rente en kosten.

2. Tussen partijen bestond een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres]. Eisende partij heeft de met ingang van 17 oktober 2013 tussen partijen gesloten huurovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde Algemene voorwaarden voor woonruimte d.d. 1 oktober 2008 (hierna: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. Deze huurovereenkomst is per 30 april 2024 beëindigd.

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen

3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).

4. Eisende partij heeft bij dagvaarding het standpunt ingenomen dat in de algemene voorwaarden geen bepalingen staan die kunnen worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13 EEG.

5. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.

6. Er is sprake van geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 6 lid 2 (huurprijswijziging) en 7 lid 1 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
Huurverhogingsbeding in de huurovereenkomst (beperking)
7. Artikel 6 (6.1 t/m 6.9) van de huurovereenkomst heeft betrekking op huurprijswijziging. In artikel 6.3 van de huurovereenkomst is bepaald dat de huurprijswijziging jaarlijks volgens de consumentenprijsindex (CPI) zal plaatsvinden, daarnaast is in artikel 6.4 van de huurovereenkomst een opslagbeding van maximaal 5% opgenomen. Uit de toelichting van eisende partij volgt dat zij deze bedingen heeft gebruikt om de huur te verhogen. De kantonrechter acht het indexatiebeding niet oneerlijk, maar het opslagbeding wel oneerlijk. Uit de stellingen van eisende partij in de dagvaarding blijkt dat zij huurverhoging(en) heeft doorgevoerd die hoger zijn dan de CPI index. Eisende partij heeft haar vordering voorts in de dagvaarding beperkt met de huurverhoging(en) op basis van het opslagbeding en daartoe in het staatje (2013 tot en met 2024) op bladzijde 4 van de dagvaarding een berekening gegeven. Nu eisende partij thans enkel nog huurverhogingen op grond van de CPI index vordert, kan het toetsen van artikel 6.4 van de huurovereenkomst (opslagbeding) achterwege blijven.

8. Opgemerkt wordt nog dat de artikelen 6.8 en 6.9 van de huurovereenkomst en artikel 6 lid 3 van de algemene voorwaarden in dit geval niet door de kantonrechter worden getoetst. Deze artikelen geven zowel de verhuurder als de huurder de bevoegdheid om herziening van de huurprijs voor te stellen door middel van aanpassing van de huurprijs aan de ontwikkelingen van de markthuurprijs. Uit het staatje (2013 tot en met 2024) op bladzijde 4 van de dagvaarding volgt niet dat een huurprijsaanpassing in voorgenoemde zin heeft plaatsgevonden. Er is dus geen aanwijzing dat de vordering (deels) op deze bedingen gegrond is.

9. Voorts zijn wel de artikelen 24 lid 2 tot en met 24 lid 4 van de algemene voorwaarden door de kantonrechter getoetst. Deze artikelen luiden als volgt.
Artikel 24 In verzuim zijn
1. (….)

2. Als huurder verzuimt tijdig en volledig de huursom of andere afgesproken bedragen te betalen is hij 1% rente per maand verschuldigd. De rente geldt over het verschuldigde bedrag vanaf de vervaldatum tot aan de dag van algehele voldoening van het bedrag. Hierbij wordt een gedeelte van een maand als een volle maand aangemerkt.

3. Als huurder of verhuurder toerekenbaar tekortschiet in het nakomen van enige verplichting die wettelijk of door de huurovereenkomst op hem rust en de andere partij moet daarvoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen nemen, dan zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.

4. Als het tekortschieten bestaat uit de niet tijdige betaling van een geldsom en in verband met de incassering daarvan buitengerechtelijke kosten moeten worden gemaakt, zijn deze hierbij bepaald op tenminste 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 125,-. (...)

10. Ten aanzien van artikel 24 lid 2, zoals hiervoor is geciteerd, geldt dat de afgesproken rente aanzienlijk hoger is dan de wettelijke rente. Het rentebeding is daarom oneerlijk.

11. De kantonrechter is van oordeel dat de bedingen over buitengerechtelijke incassokosten, zoals opgenomen in artikel 24 lid 3 en 24 lid 4 van de algemene voorwaarden oneerlijk zijn, omdat uit de redactie van die bedingen niet (voldoende duidelijk) blijkt dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. De bedingen over buitengerechtelijke incassokosten zijn daarom oneerlijk

12. Artikel 24 lid 3 is voorts ook oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.

13. Het voorgaande betekent dat de onder r.o. 9 geciteerde bedingen buiten toepassing worden gelaten en dat de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen.

De vordering

14. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot het griffierecht nog is overwogen.

15. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van € 559,00 aan griffierecht, welk bedrag correspondeert met het toegewezen deel van de vordering. Het meer betaalde aan griffierecht (€ 945,00) blijft derhalve voor rekening van eisende partij.

16. Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten.
BESLISSING
De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:

€ 11.943,20 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met het einde van de

huurovereenkomst (30 april 2024) en de mutatiekosten (herstelkosten) met betrekking

tot de woning [adres];

veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 432,00 aan salaris gemachtigde, € 559,00 aan griffierecht en € 144,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Artikel delen