Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:7860

Vordering van makelaar Van de Steege tot betaling van courtage toegewezen. In de overeenkomst staat dat opdrachtgever Potros zich lopende de opdracht onthoudt van onderhandelingen en geen overeenkomst tot stand brengt, anders heeft de makelaar recht op courtage. Potros heeft koop tot stand gebracht waarbij de makelaar niet was betrokken. Op grond van de overeenkomst is Potros courtage aan Van d...

Rechtbank Amsterdam 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:7860 text/xml public 2026-08-05T15:05:08 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-07-10 12145942 CV EXPL 26-4040 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7860 text/html public 2026-08-04T17:04:26 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:7860 Rechtbank Amsterdam , 10-07-2026 / 12145942 CV EXPL 26-4040
Vordering van makelaar Van de Steege tot betaling van courtage toegewezen. In de overeenkomst staat dat opdrachtgever Potros zich lopende de opdracht onthoudt van onderhandelingen en geen overeenkomst tot stand brengt, anders heeft de makelaar recht op courtage. Potros heeft koop tot stand gebracht waarbij de makelaar niet was betrokken. Op grond van de overeenkomst is Potros courtage aan Van de Steege verschuldigd. Verweer dat overeenkomst was beëindigd verworpen. Niet relevant of algemene voorwaarden van toepassing zijn.

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12145942 CV EXPL 26-4040

Vonnis van 10 juli 2026

in de zaak van

VAN DE STEEGE BEDRIJFSMAKELAARS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: Van de Steege,

gemachtigde: mr. S. Rollfs of Roelofs,

tegen

POTROS B.V.,

gevestigd te Uithoorn,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Potros,

procederend in persoon.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 april 2026,

- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Van de Steege is een bedrijfsmakelaar in onroerend goed. Potros heeft met Van de Steege een overeenkomst tot dienstverlening gesloten voor de verkoop van een van haar bedrijfspanden in Amsterdam. Op dat moment was het pand nog verhuurd, maar de huur kon in 2025 worden beëindigd. Van de Steege heeft in oktober 2022 een advertentie van het pand op Funda gezet.
2.2.
Op 16 september 2024 heeft Potros aan Van de Steege gemaild dat er geen animo is voor het verhuurde pand en voorgesteld “Wellicht een idee om hem eraf te halen en dan vanaf januari weer online te gooien als leeg.” Van de Steege heeft in reactie daarop voorgesteld het nog tot half oktober aan te kijken en dan eventueel in te trekken.
2.3.
Potros heeft op 17 september 2024 aan Van de Steege gemaild dat hij het pand gaat herfinancieren en dat het hiervoor “wel handig is hem nu van Funda te halen”. Verder laat Potros weten dat hij de huurovereenkomst gaat opzeggen en “dan op jouw advies ergens half januari weer eens aanmelden als wij dan denken dat de verkoop wel beter gaat.” Van de Steege reageert dezelfde dag met “Prima plan. Wij trekken hem in en wachten jou reactie eind december af.” Potros heeft hierop gereageerd met “Fijn dat jij het ook zo ziet.”
2.4.
Potros heeft op 31 januari 2025 het bedrijfspand verkocht. Van de Steege heeft, nadat zij met de verkoop bekend werd, aan Potros een factuur gestuurd voor courtage voor de verkoop.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
Van de Steege vordert veroordeling van Potros tot betaling van € 6.025,80, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Van de Steege baseert haar vordering op de overeenkomst met Potros, waarin staat Potros bij verkoop courtage over de koopsom aan haar moet betalen.
3.3.
Potros voert verweer en verzoekt de vorderingen af te wijzen met veroordeling van Van de Steege in de kosten van deze procedure. Zij voert kort gezegd aan dat zij geen courtage hoeft te betalen, omdat zij de algemene voorwaarden heeft vernietigd, dat de opdracht aan Van de Steege in september 2024 is ingetrokken en dat er geen causaal verband is tussen de werkzaamheden van Van de Steege en de verkoop.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
De kantonrechter stelt ten eerste vast dat partijen een overeenkomst tot dienstverlening hebben gesloten. Daarin staat dat de courtage bij verkoop 2% van de koopsom bedraagt. Ook staat daarin dat de opdrachtgever zich lopende de opdracht onthoudt van onderhandelingen en geen overeenkomst tot stand brengt, anders heeft de makelaar recht op courtage.
4.2.
Op 31 januari 2025 heeft Potros het object verkocht aan een vennootschap onder firma van onder anderen [naam] voor € 249.000,00. Van de Steege was bij die verkoop niet betrokken. De kantonrechter concludeert hieruit dat Potros courtage verschuldigd is aan Van de Steege op grond van de overeenkomst.
4.3.
De kantonrechter verwerpt het verweer dat de overeenkomst tot dienstverlening was opgezegd. De e-mail van 17 september 2024 van Van de Steege kan redelijkerwijze niet als opzegging worden begrepen. De e-mail was namelijk een antwoord op de e-mails van 16 en 17 september 2024 van Potros waarin wordt voorgesteld het object tijdelijk van de markt te halen.
4.4.
De kantonrechter vindt niet relevant of de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Potros heeft zich erop beroepen dat niet duidelijk is welke algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard en dat deze niet ter hand zijn gesteld. De overeenkomst zelf is al voldoende om de vordering toe te wijzen.
4.5.
De kantonrechter vindt deze uitkomst niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Potros is courtage verschuldigd, hoewel hij zelf de koopovereenkomst tot stand heeft gebracht. Dit is een gebruikelijke gang van zaken bij vastgoedtransacties. Potros heeft niet duidelijk gemaakt waarom zijn situatie daarvan zou afwijken.
4.6.
Van de Steege vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Van de Steege heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Van de Steege heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 676,29 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
4.7.
Potros is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Van de Steege worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



128,64

- griffierecht



559,00

- salaris gemachtigde



720,00

(2 punten × € 360,00)

- nakosten



144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.551,64
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Potros om aan Van de Steege te betalen een bedrag van € 6.025,80, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Potros om aan Van de Steege te betalen een bedrag van € 676,29 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt Potros in de proceskosten van € 1.551,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Potros niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt Potros tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.

Artikel delen