Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:7875

Eindvonnis. De rechtbank heeft eerder drie tussenvonnissen gewezen, waarbij in het laatste tussenvonnis een deskundige is benoemd. De rechtbank volgt het oordeel van de deskundige over de waarde van de nog niet verkochte bedrijfsruimte en stelt het financiële resultaat van de samenwerking tussen partijen vast.

Rechtbank Amsterdam 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:7875 text/xml public 2026-08-06T10:00:55 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-07-29 C/13/745406 HA ZA 24-77 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7875 text/html public 2026-08-05T15:23:05 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:7875 Rechtbank Amsterdam , 29-07-2026 / C/13/745406 HA ZA 24-77
Eindvonnis. De rechtbank heeft eerder drie tussenvonnissen gewezen, waarbij in het laatste tussenvonnis een deskundige is benoemd. De rechtbank volgt het oordeel van de deskundige over de waarde van de nog niet verkochte bedrijfsruimte en stelt het financiële resultaat van de samenwerking tussen partijen vast.
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht

Zaaknummer: C/13/745406 / HA ZA 24-77

Vonnis van 29 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie en in incident,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. K.Chr. Spee,

tegen
<nr>1</nr> [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

verwerende partij in incident,

hierna te noemen: [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] B.V.,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hierna samen te noemen: [gedaagden],

advocaat: mr. S.C. Noordhuis.
<nr>1</nr>De zaak en de beslissing in het kort 1.1.
Deze zaak gaat over een samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde 1] waarbij twee panden zijn aangekocht, gesplitst en gerenoveerd, waarna de gesplitste appartementen zijn verkocht en één appartement is verhuurd. Partijen hebben in deze procedure over en weer meerdere vorderingen ingesteld. De rechtbank heeft eerder drie tussenvonnissen gewezen. Daarin is over het merendeel van de vorderingen al een beslissing genomen. In het laatste tussenvonnis is een deskundige benoemd om de waarde vast te stellen van het verhuurde appartement. De rechtbank volgt de deskundige in zijn conclusie hierover. In dit eindvonnis wordt vastgesteld wat het financiële resultaat van de ontwikkeling van beide panden is en welk bedrag [gedaagde 1] aan [eiser] moet betalen.
<nr>2</nr>De procedure 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 december 2024 (hierna: het eerste tussenvonnis) en de daarin genoemde stukken,

- het tussenvonnis van 3 september 2025 (hierna: het tweede tussenvonnis) en de daarin genoemde stukken,

- het tussenvonnis van 21 januari 2026 (hierna: het derde tussenvonnis) en de daarin genoemde stukken,

- het deskundigenbericht van 5 mei 2026, - de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] , - de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden],

- het bericht van mr. Raspoort van 17 juni 2026, waarin is verzocht om het onderdeel over de rente in de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden] buiten beschouwing te laten en anders [eiser] in de gelegenheid te stellen om daarop bij akte te reageren.
<nr>3</nr>De verdere beoordeling in conventie en in reconventie De eerdere beslissingen in de tussenvonnissen 3.1.
In het eerste tussenvonnis is in conventie geoordeeld dat [eiser] en [gedaagde 1] in verband met de ontwikkeling van twee panden, aan de [adres 1] en de [adres 2] , een samenwerkingsovereenkomst zijn aangegaan en dat [eiser] op basis hiervan recht heeft op een winstdeel van 30% uit de ontwikkeling van beide panden. Om de omvang van het winstdeel van [eiser] te kunnen vaststellen, moet het financiële resultaat van de ontwikkeling van de twee panden worden bepaald. Dit financiële resultaat hangt af van de aankoopprijzen, de gemaakte kosten voor verbouwing en splitsing, de gerealiseerde verkoopprijzen van de verkochte appartementen en de waarde van de nog niet verkochte bedrijfsruimte aan de [adres 2] (hierna: de bedrijfsruimte). Daarnaast is geoordeeld dat [eiser] recht heeft op zijn aandeel in de huurpenningen als de waardepeildatum van de bedrijfsruimte is gelegen op enig moment na aanvang van de verhuur. Verder is geoordeeld dat [eiser] uitsluitend [gedaagde 1] kan aanspreken tot betaling (en niet [gedaagde 2] ). Ten slotte is in het eerste tussenvonnis in reconventie geoordeeld dat de vorderingen van [gedaagde 1] niet toewijsbaar zijn, met uitzondering van een bedrag van € 25.000,-. Dat bedrag is door [eiser] bij wijze van voorschot op zijn winstdeel al ontvangen en kan worden verrekend met het in conventie vast te stellen winstdeel van [eiser] . Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het financiële resultaat van de ontwikkeling van beide panden en over de vraag per welke datum de waarde van de bedrijfsruimte moet worden bepaald.
3.2.
In het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank het financiële resultaat van de ontwikkeling van de twee panden berekend. Het resultaat van de ontwikkeling van het pand aan de [adres 1] komt neer op een bedrag van € 52.091,17. Voor het pand aan de [adres 2] is het resultaat vooralsnog vastgesteld op een negatief bedrag van € 539.077,87. Daarbij is echter nog geen rekening gehouden met de waarde van de bedrijfsruimte op de vastgestelde peildatum per 17 september 2019 en de huurpenningen tot en met die datum, waarvan eventuele kosten die verband hielden met de verhuur nog in mindering moeten strekken op de huuropbrengsten. Partijen zijn daarna in de gelegenheid gesteld zich over voornoemde twee punten uit te laten en over een eventuele deskundigenbenoeming voor de waardering van de bedrijfsruimte per 17 september 2019.
3.3.
In het derde tussenvonnis is geoordeeld dat het in aanmerking te nemen bedrag aan huurpenningen € 21.833,52 is. [eiser] heeft recht op zijn aandeel daarin. Daarnaast heeft de rechtbank een onderzoek door een deskundige bevolen om de waarde van de bedrijfsruimte vast te stellen op de waardepeildatum. Dhr. ir. F.G. van Hoeken (Msc MRE FRICS RRV RT RM) van Mondico Multiprojects B.V. is benoemd tot deskundige.

Het deskundigenbericht en de beoordeling daarvan
3.4.
De deskundige heeft in zijn deskundigenbericht van 5 mei 2026 geconcludeerd dat de marktwaarde van de bedrijfsruimte in verhuurde staat op 17 september 2019 € 822.500,- was.
3.5.
Partijen hebben zich in hun conclusies na deskundigenbericht uitgelaten over de waardering door de deskundige. [eiser] heeft kenbaar gemaakt zich te kunnen verenigen met het deskundigenbericht. [gedaagde 1] heeft verschillende bezwaren tegen het deskundigenbericht naar voren gebracht.
3.6.
Bij de beoordeling van het deskundigenbericht en de opmerkingen die partijen naar aanleiding daarvan hebben gemaakt, wordt de volgende maatstaf in acht genomen. Als een deskundigenbericht dat is uitgebracht op verzoek van de rechtbank op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de conclusies van de deskundige zorgvuldig zijn onderbouwd en voortvloeien uit door hem in het deskundigenbericht vermelde gegevens, zal de rechtbank het oordeel van de deskundige niet snel naast zich neerleggen. De deskundige is namelijk juist vanwege zijn specifieke deskundigheid op het terrein van het onderzoek benoemd. Van de partij die een dergelijk deskundigenbericht bekritiseert, mag worden verlangd dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. Er zullen steekhoudende bezwaren over de wijze van totstandkoming of de inhoud van het rapport van de door de rechter benoemde deskundige moeten zijn, wil de rechtbank besluiten dat zij een dergelijk rapport naast zich neerlegt. Daarbij geldt dat, als de rechter in een geval waarin de opinie van een andere, door een van de partijen geraadpleegde deskundige, op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, en de rechter de zienswijze van de door hem benoemde deskundige volgt, de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder zal behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de motivering van de door hem benoemde deskundige hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechtbank op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door haar aangewezen deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenbericht op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de (motivering van de) inhoud daarvan overtuigend is. De deskundige heeft het procesdossier ontvangen, een onderzoek ter plaatse en uitvoerig overig onderzoek uitgevoerd en inzichtelijk gemotiveerd op basis van welke methoden en welke gegevens hij de waarde van de bedrijfsruimte heeft bepaald. Het conceptdeskundigenbericht is door de deskundige aan partijen toegestuurd en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Alleen [gedaagde 1] heeft uitgebreid op het rapport gereageerd. Vervolgens heeft de deskundige gereageerd op de opmerkingen van [gedaagde 1] en met een enkel punt zijn rapport aangepast. Ook de waarde is iets aangepast. Het (definitieve) deskundigenbericht is daarmee inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd.
3.8.
De rechtbank ziet in de door [gedaagde 1] naar voren gebrachte bezwaren geen reden om de deskundige niet in zijn conclusie te volgen. De bezwaren van [gedaagde 1] zijn in essentie een herhaling van of borduren voort op de eerder door hem gemaakte opmerkingen op het conceptdeskundigenbericht. Op die opmerkingen is de deskundige in zijn definitieve rapport ingegaan en hij heeft gemotiveerd uitgelegd waarom dit – op een enkel punt na – niet tot aanpassing van de conclusie heeft geleid. [gedaagde 1] is het weliswaar niet eens met deze bevindingen, maar heeft zijn standpunt verder niet onderbouwd met bijvoorbeeld bevindingen van een andere deskundige. Daarmee heeft [gedaagde 1] de juistheid van de zienswijze van de deskundige onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook het punt van [gedaagde 1] dat het onduidelijk is waarom de deskundige in zijn beoordeling bepaalde taxaties feitelijk buiten beschouwing heeft gelaten, slaagt niet. Hoewel de rechtbank de deskundige in het derde tussenvonnis heeft gewezen op enkele door partijen overgelegde taxatierapporten, heeft de rechtbank de deskundige niet voorgeschreven welke betekenis hij daaraan moet toekennen. De rechtbank heeft het juist uitdrukkelijk aan de deskundige overgelaten om te bepalen welke eerdere taxaties of andere stukken hij bij zijn waardering en beoordeling betrekt. De deskundige heeft voldoende inzichtelijk uitgelegd hoe hij tot zijn waardering is gekomen en daaruit blijkt waarom die waardering anders is dan de eerdere taxaties.

De waarde van de bedrijfsruimte op de peildatum
3.9.
De rechtbank zal dan ook de conclusie van de deskundige overnemen. Dat betekent dat de waarde van de bedrijfsruimte op de peildatum wordt vastgesteld op een bedrag van € 822.500,-.

Het financiële resultaat van de samenwerking
3.10.
In aanmerking genomen de waarde van de bedrijfsruimte op 17 september 2019 (€ 822.500,-), komt het financiële resultaat van de ontwikkeling van de [adres 2] uit op een bedrag van (€ 822.500,- minus € 539.077,87 =) € 283.422,13. Dat leidt tot het volgende resultaat van de ontwikkeling als geheel:

Resultaat pand [adres 1]

€ 52.091,17

Resultaat pand [adres 2]

€ 283.422,13

Huurpenningen

€ 21.833,52

Totaal

€ 357.346,82

[eiser] heeft daarvan recht op een winstaandeel van 30%. Dat is € 107.204,05. Wel moet daarop nog € 25.000,- in mindering strekken, omdat [gedaagde 1] voor dit bedrag een geslaagd beroep heeft gedaan op verrekening (r.o. 5.63 van het eerste tussenvonnis).
3.11.
De slotsom is dat [gedaagde 1] gehouden is om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 82.204,05. Dat bedrag wordt toegewezen.

Rente
3.12.
[eiser] vordert de wettelijke handelsrente over het winstdeel vanaf het moment dat [gedaagde 1] met de betaling daarvan in verzuim was.
3.13.
[gedaagde 1] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht (voor het eerst) verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke (handels)rente en de ingangsdatum. De rechtbank laat dat deel van de conclusie na deskundigenbericht wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing. [gedaagde 1] had al eerder in de procedure verweer op dit punt kunnen voeren en het was hem niet toegestaan zich in de akte na deskundigenbericht over het onderwerp van de rente uit te laten. Dat het verweer buiten beschouwing wordt gelaten, betekent overigens niet dat de gevorderde handelsrente als onweersproken toewijsbaar is, omdat de rechtbank wel moet beoordelen of [eiser] op het punt van de rente aan zijn stelplicht heeft voldaan.
3.14.
De gevorderde handelsrente is niet toewijsbaar, omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] bij het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat niet kan worden gesproken van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW). In plaats daarvan zal de gewone wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen.
3.15.
De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is geraakt. [eiser] heeft niet gesteld dat, hoe en wanneer [gedaagde 1] in verzuim is geraakt met de betaling van het winstdeel. Nu [eiser] op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, kan daarom al de rente niet worden toegewezen met ingang van een in het verleden gelegen datum. De wettelijke rente over de hoofdsom wordt dan ook toegewezen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

Proceskosten in conventie
3.16.
In de hoofdzaak is [gedaagde 1] grotendeels in het ongelijk gesteld en daarom moet hij de proceskosten van [eiser] (inclusief nakosten) betalen. Dat betekent dat [gedaagde 1] ook de kosten van de deskundige moet dragen. De kosten van de deskundige zijn € 6.123,81. Daarvan hebben beide partijen bij wijze van voorschot elk de helft betaald. Het door [gedaagde 1] betaalde deel komt definitief ten laste van hem, terwijl het door [eiser] betaalde deel van het voorschot ook voor rekening van [gedaagde 1] komt. Daarom is in onderstaande begroting een bedrag van € 3.061,91 voor de kosten van de deskundige opgenomen.
3.17.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



129,14

- griffierecht



320,00

- kosten deskundige



3.061,91

- salaris advocaat



5.160,00

(4 punten × tarief IV € 1.290,00)

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



8.860,05
3.18.
In het eerste tussenvonnis (r.o. 5.43) is geoordeeld dat de vorderingen van [eiser] voor zover die gericht zijn tegen [gedaagde 2] moeten worden afgewezen. [eiser] is dus in de hoofdzaak ten opzichte van [gedaagde 2] in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde 2] betalen. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op nihil, omdat zij dezelfde advocaat heeft als [gedaagde 1] , [gedaagden] gezamenlijk verweer hebben gevoerd en [gedaagde 2] geacht wordt geen afzonderlijke kosten te hebben gemaakt.

Proceskosten in het incident
3.19.
In het eerste tussenvonnis is de beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak. Aangezien de vordering in het incident is toegewezen en de op grond van die beslissing verstrekte gegevens van belang zijn geweest bij de vaststelling van het financiële resultaat van de samenwerking, is [gedaagde 1] aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. [gedaagde 1] moet daarom de proceskosten van [eiser] in het incident betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 653,00 (1 punt met toepassing van tarief II) aan salaris advocaat.

Proceskosten in reconventie
3.20.
Omdat beide partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitvoerbaar bij voorraad
3.21.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.
<nr>4</nr>De beslissing
De rechtbank

in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 82.204,05, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van [eiser] in de hoofdzaak van € 8.860,05, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] in de hoofdzaak, tot op heden begroot op nihil,
4.4.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van [eiser] in het incident van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie
4.8.
wijst de vorderingen van [gedaagde 1] af,
4.9.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921 en HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468.

Artikel delen