Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:8009

De rechtbank heeft in het vonnis in de onderliggende strafzaak bewezen verklaard dat veroordeelde in de periode van 18 januari 2020 tot en met 6 maart 2021 een geldbedrag met een totale waarde van € 2.913.945,- heeft witgewassen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het behandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde bij de geldoverdrachten een ...

Rechtbank Amsterdam 11 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:8009 text/xml public 2026-08-11T14:27:10 2026-08-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-07-28 13/303217-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:8009 text/html public 2026-08-11T13:50:54 2026-08-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:8009 Rechtbank Amsterdam , 28-07-2026 / 13/303217-23
De rechtbank heeft in het vonnis in de onderliggende strafzaak bewezen verklaard dat veroordeelde in de periode van 18 januari 2020 tot en met 6 maart 2021 een geldbedrag met een totale waarde van € 2.913.945,- heeft witgewassen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het behandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde bij de geldoverdrachten een gemiddelde commissie van 4,5% heeft verdiend. Dat maakt dat de rechtbank aansluiting zal zoeken bij de ondergrens van de commissies om geld te verplaatsen, die volgens het kennisdocument ‘Crimineel ondergronds bankieren’, tussen de 2% en 10% ligt. Die ondergrens ligt weliswaar iets hoger dan het percentage dat veroordeelde heeft genoemd, maar nu veroordeelde weinig specifiek over zijn verdiensten heeft verklaard, er in de chats over hogere percentages wordt gesproken en veroordeelde blijkens de inhoud van de chats een coördinerende rol vervulde bij de totstandkoming van de geldoverdrachten, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat veroordeelde tenminste voornoemde ondergrens aan commissie heeft verdiend. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 58.278,90.

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/303217-23 (ontneming)

Datum uitspraak: 28 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de ontnemingszaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

hierna te noemen: veroordeelde.
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2026.
<nr>2</nr>De vordering
De vordering van de officier van justitie van 18 mei 2026 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel, van € 133.127,52,-.
<nr>3</nr>Grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam 30 juli 2026 ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld:

Medeplegen van gewoontewitwassen.

Ander feit

De rechtbank is van oordeel dat er daarnaast voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde ook een ander strafbaar feit heeft begaan, te weten het in de gelijktijdig en gevoegd behandelde strafzaak met parketnummer 13/226940-23 bewezenverklaarde feit:

Witwassen.
<nr>4</nr>Het wederrechtelijk verkregen voordeel 4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan

worden op het in de rapportage berekende bedrag van € 133.127,52,-.
4.2.
Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden

afgewezen, omdat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, nu de handelingen die veroordeelde heeft verricht verband houden met (legaal) hawala-bankieren.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de vordering moet worden verminderd, omdat niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde een commissie heeft ontvangen van 4,5% en 5%, waarvan in de rapportage wordt uitgegaan. De verdediging stelt dat veroordeelde, conform zijn verklaring ter terechtzitting, een commissie van 1% heeft verdiend met de genoemde geldoverdrachten.
4.3.
Oordeel van de rechtbank

Geldoverdracht € 112.195,- (ten aanzien van: 13/226940-23)

De rechtbank heeft in het vonnis in de onderliggende strafzaak bewezen verklaard dat veroordeelde op 7 september 2023 een geldbedrag van € 112.000,- heeft witgewassen. Op grond van het dossier is gebleken dat het geldbedrag van € 112.195,- door de politie in beslag is genomen. De rechtbank is daarom, overeenkomstig het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, van oordeel dat ervan uit kan worden gegaan dat veroordeelde ten aanzien van dit geldbedrag geen opbrengsten heeft gerealiseerd en derhalve geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

Geldoverdrachten € 285.000,-, € 1.475.495,-, € 673.450,-, € 400.000,- en € 80.000,-

De rechtbank heeft daarnaast in het vonnis in de onderliggende strafzaak bewezen verklaard dat veroordeelde in de periode van 18 januari 2020 tot en met 6 maart 2021 een geldbedrag met een totale waarde van € 2.913.945,- heeft witgewassen. De rechtbank heeft hierbij vastgesteld dat veroordeelde betrokken is geweest bij vijf geldtransacties, te weten de transactie van € 285.000,- op 18 januari 2020, de transactie van € 1.475.495,- op 10 april 2020, de transactie van € 673.450,- op 15 juni 2020, de transactie van € 400.000,- op 24 september 2020 en de transactie van € 80.000,- op 6 maart 2021.

Uit de SkyECC-chatgesprekken, zoals die in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel zijn opgenomen, blijkt dat veroordeelde met andere gebruikers van SkyECC percentages besprak en dat er commissies van 3%, 5% en 6% werden afgesproken. Uit het kennisdocument ‘Crimineel ondergronds bankieren’, samengesteld door de Dienst Landelijke Recherche, blijkt dat de commissie voor het verplaatsen van geld doorgaans tussen de 2% en 10% ligt. Derhalve kunnen de commissies van 3%, 5% en 6%, zo volgt uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, worden aangemerkt als gebruikelijke commissies. In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is aan de hand van de chatgesprekken die zien op de overdacht op 24 september 2020 vastgesteld dat veroordeelde voor deze overdracht een commissie heeft gehanteerd van 5%. Voor de overdrachten op 18 januari 2020, 10 april 2020, 15 juni 2020 en 6 maart 2021 is bij de berekening, in het voordeel van veroordeelde, uitgegaan van een gemiddelde commissie van 4,5%, die berekend is aan de hand van de door veroordeelde genoemde commissiepercentages in de chats.

Veroordeelde heeft ter terechtzitting bekend dat hij een commissie heeft ontvangen voor de geldoverdrachten, voor zover deze hebben plaatsgevonden. Hij heeft hierover verklaard dat hij tijdens de geldoverdrachten een toezichthoudende rol had, waarbij hij erop moest toezien dat de geldbedragen daadwerkelijk werden overgedragen. Volgens veroordeelde waren de genoemde commissies in de chatgesprekken van 3%, 5% en 6% voor de bankiers (ook wel wisselaars genoemd) en heeft hij per geldtransactie enkel een commissie van 1% tot 1,5 % verdiend.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het behandelde ter terechtzitting

niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde bij de geldoverdrachten een gemiddelde commissie van 4,5% heeft verdiend. Dat maakt dat de rechtbank aansluiting zal zoeken bij de ondergrens van de commissies om geld te verplaatsen, die volgens het kennisdocument ‘Crimineel ondergronds bankieren’, tussen de 2% en 10% ligt. Die ondergrens ligt weliswaar iets hoger dan het percentage dat veroordeelde heeft genoemd, maar nu veroordeelde weinig specifiek over zijn verdiensten heeft verklaard, er in de chats over hogere percentages wordt gesproken en veroordeelde blijkens de inhoud van de chats een coördinerende rol vervulde bij de totstandkoming van de geldoverdrachten, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat veroordeelde tenminste voornoemde ondergrens aan commissie heeft verdiend.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: WVV):

Datum

Geldbedragen

Percentage commissie

Berekend WVV

18 januari 2020

€ 285.000,00

2,00%

€ 5.700,00

10 april 2020

€ 1.475.495,00

2,00%

€ 29.509,90

15 juni 2020

€ 673.450,00

2,00%

€ 13.469,00

24 september 2020

€ 400.000,00

2,00%

€ 8.000,00

6 maart 2021

€ 80.000,00

2,00%

€ 1.600,00

7 september 2023

€ 112.195,00

Geen

Geen

Totaal

€ 58.278,90
<nr>5</nr>De verplichting tot betaling
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 58.278,90.
<nr>6</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
<nr>7</nr>Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 58.278,90.

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 58.278,90 (achtenvijftigduizend tweehonderdachtenzeventig euro en negentig eurocent) aan de Staat.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden

gevorderd op 582 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Wiewel, voorzitter

mrs. F. Dekkers en G.J.M. Kruizinga, rechters

in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2026.

Vonnis rechtbank Amsterdam d.d. 30 juni 2026, paragraaf 4.

Kennisdocument crimineel ondergronds bankieren, p. 62 (bijlage bij rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 3 november 2025.

De verklaring die veroordeelde ter terechtzitting op 16 juni 2026 heeft afgelegd.

Artikel delen