Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:9297

Veroordeeld tot gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 64 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 120 uren. Voorhanden hebben hardrugs en dealen in drugs. Jeugdige verdachte bekent. Lidmaatschap voor voorhanden hebben van airsoftwapen.

Rechtbank Amsterdam 24 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:9297 text/xml public 2026-09-24T17:16:11 2026-09-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-09-15 13/139438-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9297 text/html public 2026-09-24T16:17:30 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:9297 Rechtbank Amsterdam , 15-09-2026 / 13/139438-26
Veroordeeld tot gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 64 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 120 uren. Voorhanden hebben hardrugs en dealen in drugs. Jeugdige verdachte bekent. Lidmaatschap voor voorhanden hebben van airsoftwapen.

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/139438-26

Datum uitspraak: 15 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 1 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.V. Streiff, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T. Nieuwenhuis, naar voren hebben

gebracht.
<nr>2</nr>Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich in Nederland heeft schuldig gemaakt aan:

1. het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine, MDMA en 2-CB op 12 mei 2026;

2. het op 12 mei 2026 voorhanden hebben van verdovende middelen en telefoons om het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen;

3. het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en methylfenidaat in de periode van 4 mei 2026 tot en met 12 mei 2026;

4. het voorhanden hebben van een airsoftapparaat op 12 mei 2026.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt

als hier ingevoegd.
<nr>3</nr>Waardering van het bewijs 3.1.
Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vier de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 3 bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, omdat de machtiging van de rechter-commissaris ten aanzien van het onderzoek in de Samsung telefoon in het dossier ontbreekt. Primair is verzocht om bewijsuitsluiting van de onderzoeksresultaten van de telefoon, subsidiair is verzocht om met het vormverzuim rekening te houden bij de strafmaat.

Ten aanzien van het bewijs heeft de raadsvrouw zich met betrekking tot feit 1 en feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot feit 2 en feit 3 heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit en op deze specifieke verweren zal de rechtbank hierna – voor zover relevant – nader ingaan.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vormverzuim?

Van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is sprake als in het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld. Uit het dossier volgt dat de rechter-commissaris een machtiging heeft verleend tot het voeren van onderzoek aan de Samsung telefoon van verdachte. Het feit dat deze machtiging niet aan het dossier is toevoegd, is geen onherstelbaar vormverzuim in de zin van dit artikel.
3.3.2.
Feiten 1 tot en met 3

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de feiten 1 tot en met 3 zoals bewezen verklaard onder rubriek 4 wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

t.a.v feit 1:

de verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 1 september 2026;

een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2026119619-18 van 12 mei 2026, p. 98-99 (procesdossier);

een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2026119619-14 van 12 mei 2026 p. 105 en 107 (procesdossier);

een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, inclusief bijlagen NFiDENT-rapporten, met nummer 260513-816-515 van 6 juli 2026, p. 2-17 (aanvullend procesdossier d.d. 16-07-2026).

t.a.v feit 2:

de verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 1 september 2026;

het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026119619-13 van 12 mei 2026, p. 35-48 (procesdossier);

het proces-verbaal van bevindingen, inclusief fotobijlagen, met nummer 2026119619-27 van 13 mei 2026, p. 16-30 (procesdossier);

het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026119619-35 van 14 mei 2026, p. 63-65 (procesdossier);

het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2026119619-50 van 26 mei 2026, p. 2-8 (aanvullend procesdossier d.d. 25-07-2026).

t.a.v feit 3:

de verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 1 september 2026;

het proces-verbaal van bevindingen, inclusief bijlagen, met nummer 2026119619-50 van 26 mei 2026, p. 2-438 (aanvullend procesdossier d.d. 25-07-2026).

Door de raadsvrouw is bepleit dat de twee aangetroffen Iphone telefoons (Iphone 5 en 13) geen verband houden met de voorbereiding van drugshandel. Uit onderzoek naar de Iphone 13 volgt dat op het internet is gezocht naar vissersvesten, waarvan uit het dossier volgt dat vissersvesten gebruikt worden bij drugshandel. Daarnaast heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij via de Iphone 13 is geronseld om drugs te verkopen. De rechtbank zal gelet hierop het voorhanden van de Iphone 13 als voorbereidingshandeling bewezen verklaren. Ten aanzien van de Iphone 5 is niet gebleken dat deze verband houdt met de voorbereiding van drugshandel. De rechtbank zal verdachte daarom hiervan partieel vrijspreken.

Door de raadsvrouw is verder bepleit dat verdachte ten aanzien van de 90 ponypacks en 90 zakjes bruine kristallen onder feit 2 moet worden vrijgesproken, omdat dit - kort gezegd - ook al bewezen wordt verklaard bij feit 1. De rechtbank volgt de raadsvrouw hier niet in. De rechtbank gaat ervan uit op grond van de bewijsmiddelen dat verdachte deze verdovende middelen voorhanden had ten behoeve van de verkoop. Daarmee valt het voorhanden hebben daarvan in twee verschillende strafbepalingen en is er sprake van eendaadse samenloop.

Zoals bepleit door de raadsvrouw zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van het gedachtestreepje ‘39,83 gram gouden blokjes’, omdat uit het dossier volgt dat dit chocolade betreft en dus geen middel is zoals vermeld in de Opiumlijsten.

Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte naast cocaïne, ook het middel methylfenidaat heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt of vervoerd, zodat de rechtbank verdachte van dat onderdeel zal vrijspreken. De rechtbank ziet verder - in tegenstelling tot de officier van justitie en de raadsvrouw - geen reden om de tenlastegelegde periode in te korten, omdat verdachte het feit gedurende de tenlastegelegde periode heeft gepleegd.
3.3.3.
Feit 4

Uit het dossier volgt dat op 12 mei 2026 een airsoftwapen in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen. Voor een bewezenverklaring van feit 4 is van belang of verdachte op 12 mei 2026 lid was van [naam vereniging] (hierna: [naam vereniging] ). In dat geval was verdachte namelijk gerechtigd het airsoftwapen voorhanden te hebben. Ter zitting heeft de raadsvrouw bericht dat zijn lidmaatschap eind 2025 is beëindigd. De officier van justitie heeft op basis daarvan tot bewezenverklaring van feit 4 gerequireerd. Na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting is door de raadsvrouw informatie verschaft waaruit blijkt dat het lidmaatschap van verdachte bij de [naam vereniging] doorloopt tot eind 2026 en niet eind 2025 is beëindigd. De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte gelet hierop ten tijde van de tenlastelegging het airsoftwapen rechtmatig in zijn bezit had. De raadsvrouw heeft verzocht om het onderzoek te heropenen en deze informatie bij het oordeel te betrekken.

Desgevraagd heeft de officier van justitie aangegeven dat hij zich niet verzet tegen een daartoe beperkte heropening van het onderzoek ter terechtzitting, zodat de rechtbank deze informatie in haar beoordeling kan betrekken. De officier van justitie heeft als schriftelijk standpunt ingenomen dat op basis van de overgelegde stukken vastgesteld kan worden dat verdachte op de tenlastegelegde datum formeel lid was van de [naam vereniging] , waardoor verdachte gerechtigd was om het airsoftwapen voorhanden te hebben. De officier van justitie heeft gelet hierop vrijspraak gevorderd ten aanzien van feit 4.

Met instemming van de raadsvrouw en de officier van justitie heeft de rechtbank vervolgens buiten hun aanwezigheid het onderzoek op 14 september 2026 heropend en kennisgenomen van de door de raadsvrouw overgelegde schriftelijke informatie en de schriftelijke standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie. Het onderzoek is vervolgens gesloten en de uitspraak is op heden bepaald.

Nu verdachte in 2026 nog lid was van de [naam vereniging] , komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 4, omdat hij als lid van de [naam vereniging] het airsoftwapen op 12 mei 2026 voorhanden mocht hebben.
<nr>4</nr>Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen waarnaar in rubriek 3.3 is verwezen, bewezen dat verdachte

t.a.v feit 1:

op 12 mei 2026 te Uithoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ( goednummer: 6812764) ongeveer 87 grote wikkels (76,69 gram) amfetamine, en

- ( goednummer: 6812780) ongeveer 87 gripzakjes met bruine kristallen (82,44 gram) MDMA, en

- ( goednummer: 6812782) ongeveer 47,75 gram roze poeder MDMA, en

- ( goednummer: 6812742) ongeveer 288 bruine pillen (72,69 gram) 2C-B, en

- ( goednummer: 6812755) ongeveer 356 rood gele pillen (179,32 gram) MDMA,

in elk geval telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, MDMA en 2-CB;

t.a.v feit 2:

op 12 mei 2026 te Uithoorn om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en 1a, voor te bereiden en/of te bevorderen de navolgende voorwerpen:

- ( ongeveer) 10 bruin zwarte flessen met vloeistof,

- ( ongeveer) 19 doorzichtige flesjes,

- ( ongeveer) 3 bruin zwarte flesjes,

- ( ongeveer) 76 gram bruine pillen,

- ( ongeveer) 31,35 gram groene pillen,

- ( ongeveer) 89,73 gram blauwe pillen,

- ( ongeveer) 23,42 gram paarse pillen,

- ( ongeveer) 75,28 gram witte pillen,

- ( ongeveer) 186,74 gram rood gele pillen,

- ( ongeveer) 41,07 gram Methylfenidaat hci sandoz,

- ( ongeveer) 111,09 gram witte pillen k-n,

- ( ongeveer) 243,83 gram zilveren zakjes met letter c,

- ( ongeveer) 85,19 gram witte poeder,

- ( ongeveer) 250,03 gram gouden zakjes cp,

- ( ongeveer) 92,84 gram rode zakjes cpc,

- ( ongeveer) 253,06 gram groene zakjes cpp,

- ( ongeveer) 4,81 gram zilveren folie ls,

- ( ongeveer) 68,16 gram roze poeder,

- ( ongeveer) 90 ponypacks,

- ( ongeveer) 90 zakjes met bruine kristallen en

- 2 mobiele telefoons

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit;

t.a.v feit 3:

in de periode van 4 mei 2026 tot en met 12 mei 2026 in Nederland, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de feiten en verdachte
De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
<nr>6</nr>Motivering van de straf 6.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast dient aan verdachte een taakstraf opgelegd te worden van 120 uren. De officier van justitie ziet geen aanleiding om zijn strafeis aan te passen naar aanleiding van de vrijspraak voor feit 4.
6.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om ten aanzien van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aansluiting te zoeken bij de strafeis van de officier van justitie. De raadsvrouw heeft verzocht om daarnaast een taakstraf van 80 uren op te leggen. Naar het oordeel van de raadsvrouw dient de vrijspraak voor feit 4 te leiden tot strafmatiging.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid verdovende middelen. Op zijn slaapkamer in de woning van zijn ouders is een voorraad aangetroffen van ongeveer vijfenhalf kilo aan harddrugs. Daarnaast heeft verdachte gedeald in cocaïne. Verdachte heeft verklaard dat hij via sociale media is benaderd om geld te verdienen door drugs te verkopen en dat, na een korte inwerking, vervolgens binnen korte tijd een handelsvoorraad bij hem thuis is afgeleverd. Nadat zijn ouders de drugs in de kamer van verdachte hadden gevonden zijn zij naar de politie gegaan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de grootste fout in zijn leven heeft gemaakt.

Verdachte heeft zich korte tijd actief bezig gehouden met de handel in drugs en door zijn handelen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale drugsmarkt. De handel in en het gebruik van harddrugs leidt tot veel problemen in de maatschappij en gaat vaak gepaard met vormen van zware en georganiseerde criminaliteit. Verdachte heeft kennelijk geen boodschap gehad aan al deze gevolgen, maar is er alleen op uit geweest om er zelf financieel beter van te worden.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte een first offender is.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 17 augustus 2026, opgesteld door Reclassering Nederland. Hieruit volgt – kort gezegd – dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op meerdere levensgebieden. Verdachte heeft geen gestructureerde dagbesteding en geen inkomen. Deze omstandigheden lijken ook te hebben geleid tot het plegen van strafbare feiten. Daarnaast is sprake van problematiek op het vlak van impulscontrole. Het risico op recidive wordt dan ook ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd wordt om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: meldplicht, ambulante behandeling en dagbesteding. Verdachte heeft daarnaast laten zien gemotiveerd te zijn om zijn leven te beteren door zijn wens om te gaan werken en zijn opleiding af te ronden uit te spreken.

Strafoplegging

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS-oriëntatiepunten). Daaruit volgt dat voor feit 1, namelijk het aanwezig hebben van 500 gram harddrugs, als uitgangspunt een gevangenisstraf van 3 maanden geldt. De rechtbank houdt rekening met de eendaadse samenloop van feit 1 en feit 3.

Verdachte heeft in deze zaak 56 dagen in voorarrest gezeten. Het is duidelijk dat hij van deze tijd geschrokken is. Verdachte is nog jong, is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten en heeft openheid van zaken heeft gegeven. De rechtbank ziet hierin aanleiding een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel niet groter is dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Bij het voorwaardelijk strafdeel zullen de geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd, zodat verdachte verplicht wordt om zich te melden bij de reclassering, zich te laten behandelen en een dagbesteding te vinden en te behouden.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen om de ernst van zijn handelen te benadrukken.

Alles afwegende zal de rechtbank - conform de strafeis van de officier van justitie - aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 64 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast zal verdachte worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren. De rechtbank ziet geen aanleiding om naar aanleiding van de vrijspraak van feit 4 af te wijken van de eis van de officier van justitie.
<nr>7</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 en 10a van de Opiumwet.
<nr>8</nr>Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde onder 4 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder 1, 2 en 3 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

t.a.v. feit 1 en 2:

eendaadse samenloop van:

feit 1

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

feit 2

een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

t.a.v. feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 64 (vierenzestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

Ambulante behandeling

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en impulscontrole.

Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Voorwaarden van rechtswege daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Voorlopige hechtenis

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. J.M. van Hall en A.E. Wilbrink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold en mr. D. Henderickx, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2026.

[.]

Artikel delen