Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:9381

Een bedrijf wordt veroordeeld voor het twee keer niet-opzettelijk lozen van oliehoudende mengsels in de Noordzee. Geldboetes van 22.500 en 25.000 euro.

Rechtbank Amsterdam 28 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:9381 text/xml public 2026-09-28T15:46:01 2026-09-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-09-17 81.230252.22 en 81.129939.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9381 text/html public 2026-09-28T15:39:05 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:9381 Rechtbank Amsterdam , 17-09-2026 / 81.230252.22 en 81.129939.25
Een bedrijf wordt veroordeeld voor het twee keer niet-opzettelijk lozen van oliehoudende mengsels in de Noordzee. Geldboetes van 22.500 en 25.000 euro.

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 81.230252.22 (zaak A) en 81.129939.25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 17 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte GmbH] ,

gevestigd op het adres [adres] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 februari 2024 (zaak A) en 20 augustus 2026 en 17 september 2026 (zaken A en B).

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. Visser, en van wat de vertegenwoordiger van verdachte, [persoon 2] , en haar raadslieden, mrs. R.E. van Zijl en D. Gaasbeek, naar voren hebben gebracht.
<nr>2</nr>Tenlastelegging
Aan verdachte is kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging in zaak A op de zitting van 8 februari 2024 ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Zaak A: het (mede)plegen van het op 29 december 2020 (opzettelijk) lozen van olie in de Noordzee vanaf een schip (de [naam schip 1] ; hierna: de [naam schip 1] ).

Zaak B: het (mede)plegen van het op 22 maart 2024 (opzettelijk) lozen van olie in de Noordzee vanaf een schip (de [naam schip 2] ; hierna: de [naam schip 2] ).

De volledige tekst van de uiteindelijke tenlasteleggingen is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
<nr>3</nr>Waardering van het bewijs 3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de in zaak A en zaak B tenlastegelegde feiten opzettelijk heeft begaan.
3.2.
Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde in beide zaken. De verdediging stelt allereerst dat niet is bewezen dat de waargenomen sporen afkomstig waren van de [naam schip 1] of de [naam schip 2] . Ook is niet bewezen dat sprake was van lozingen van olie of een oliehoudend mengsel. Daarnaast stelt de verdediging dat vrijspraak moet volgen omdat Annex I van het Marpol-verdrag niet van toepassing is. Voor zo ver sprake is van handelen in strijd met het Marpol-verdrag is dit volgens de verdediging niet toe te rekenen aan verdachte als rechtspersoon. Tot slot stelt de verdediging dat geen sprake is geweest van opzettelijk handelen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Zaak A

Op 29 december 2020 zag de bemanning van een kustwachtvliegtuig de [naam schip 1] op de Noordzee varen met daarachter een spoor op het wateroppervlak. Het was een spoor met daarin regenboog- en metalickleuren die wijzen op minerale olie. Zij stelden met behulp van een opname van de Side Looking Airborne Radar (SLAR) vast dat het spoor verbonden was met de [naam schip 1] . Het spoor had een lengte van ongeveer 13,7 kilometer en een breedte van ongeveer 50 meter. Het wateroppervlak voor de boeg en aan beide zijden van de [naam schip 1] was niet verontreinigd.

De kapitein van de [naam schip 1] is als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat ze op het moment dat de [naam schip 1] door de Kustwacht werd aangeroepen, bezig waren met het wassen van één sloptank, waar Annex I slops in hadden gezeten. Ze maakten op dat moment gebruik van een schoonmaakmiddel, KT-degreaser. Het wassen van de sloptank was bedoeld om het schip commercieel klaar te maken voor de volgende lading, dit was een standaardprocedure. De vorige lading van het schip betrof verschillende soorten smeerolie. De kapitein heeft ook verklaard dat de stuurman de tank open heeft gemaakt en gekeken heeft of er nog residu in de tank aanwezig was en dat de stuurman heeft verklaard dat de tank helemaal schoon was. De kapitein heeft indirect de opdracht gegeven om de sloptank te ontzouten. Feitelijk heeft de eerste stuurman dit gedaan. Na het ontzouten zou het waswater via de udo [underwater discharge opening] overboord gaan.

De [naam schip 1] vaart onder de Nederlandse vlag.

Door de verdediging is een ‘Explanatory note on procedures and policies [naam schip 2] GmbH’ overgelegd. Hierin is onder meer vermeld:

“The tank cleaning plan concerning Annex I products, should include the intended cleaning process in line with MARPOL requirements and safety requirements. In regard to cleanliness this means the planned cleaning process: estimated cleaning time, medium water temperature and slops arrangements. It is Ch. Officers responsibility to develop the plan, and the Master will approve it. (…)

Any additional cleaning after the tank is confirmed cleaned, is not regarded as Annex I cleaning, but cleaning to meet cargo tank(s) cleanliness requirements for next cargo (removal of contaminants). In this case, cargo tank 6 starboard was enroute cleaned by use of a cleaning chemical to ensure readiness to load higher purity cargo. When water is mixed with small amounts of cleaning additives (detergent products) that are approved (…), the mixture may be discharged no less than 12 nautical miles from the nearest land and in water not less than 25 meters deep.”

De producent van KT-degreaser heeft aangegeven dat het product geen kleurenspoor achterlaat als het in zee geloosd wordt.

Zaak B

Op 22 maart 2024 zag de bemanning van een kustwachtvliegtuig een verontreiniging van het wateroppervlak van de Noordzee. Vervolgens vlogen zij parallel aan de verontreiniging en zagen dat deze vastzat aan de [naam schip 2] . Aan weerszijden en de voorzijde van de [naam schip 2] werd geen verontreiniging gezien. In de verontreiniging waren kleuren zichtbaar die kunnen duiden op minerale olie. Er is contact opgenomen met de [naam schip 2] en de officier van de wacht verklaarde dat men aan boord bezig was met het uitvoeren van een tankwassing. De [naam schip 2] vaart onder Portugese vlag en behoort tot de vloot van verdachte. Het spoor van de verontreiniging was ongeveer 12 kilometer lang en 50 meter breed.

De kapitein van de [naam schip 2] is als verdachte gehoord. Hij heeft verklaard dat de vorige lading van het schip Base oil Annex I (de rechtbank begrijpt: minerale olie) was geweest en dat die lading was gelost. Na het lossen was de tank gewassen. De eerste officier rapporteerde dat de tank schoon was en dat er geen residu meer was. Ze waren op zee begonnen met het wassen met heet zeewater toen ze door het vliegtuig werden aangeroepen. Er was nog geen schoonmaakmiddel toegevoegd.

Overwegingen

De rechtbank gaat zowel in zaak A als in zaak B uit van de waarnemingen van de verbalisanten die vanuit een kustwachtvliegtuig de verontreiniging hebben waargenomen. Daaruit leidt de rechtbank af dat op 29 december 2020 vanuit de [naam schip 1] een oliehoudend mengsel in de Noordzee is geloosd en dat op 22 maart 2024 vanuit de [naam schip 2] een oliehoudend mengsel is geloosd. Gelet op de werkzaamheden die aan boord werden verricht, gaat de rechtbank er in beide gevallen van uit dat de lozingen plaatsvonden vanuit de tank in het ladingdeel van het schip die gewassen werd.

De verdediging heeft met een beroep op een rapport van [persoon 1] , marine consultant, betoogd dat onvoldoende vaststaat dat het waargenomen spoor oliehoudend was. De rechtbank acht, tegen de achtergrond van de waarnemingen van de verbalisanten in beide zaken en de mededeling van de fabrikant van het in zaak A gebruikte schoonmaakmiddel, de bevindingen tijdens een experimentele setting van zeer beperkte omvang onvoldoende om aannemelijk te achten dat geen sprake was van een oliehoudend spoor.

De waarnemingen van de kustwacht dat het spoor afkomstig was vanuit deze twee schepen en dat het om een oliehoudend mengsel ging, worden bevestigd door de omstandigheden dat beide schepen als laatste lading minerale olie hebben vervoerd en dat zij ten tijde van de waarneming bezig waren met het wassen van een tank, waarbij het de procedure was dat het waswater in zee geloosd werd.

Op zichzelf is het niet verboden om waswater in zee te lozen. Dit wordt echter anders als het waswater minerale olie bevat. Dan moet bij lozen in zee voldaan worden aan de voorschriften uit Annex 1 bij het Marpol-verdrag. Eén van die voorschriften is dat het lozen van oliehoudende mengsels verboden is in aangewezen bijzondere gebieden en de Noordzee is zo’n bijzonder gebied.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van de natuurlijke personen aan boord van de schepen in redelijkheid aan verdachte als rechtspersoon is toe te rekenen. Het lozen van waswater in de Noordzee is een gebruikelijke handeling en past daarmee in de normale bedrijfsvoering van verdachte. De handelingen zijn uitgevoerd door personen die werkzaam waren voor verdachte en de gedraging is ook dienstig aan verdachte. Het is bovenal verdachte die de kaders voorschrijft op grond waarvan de bemanning aan boord van haar schepen de tanks wassen en zich van het waswater ontdoen. Daarbij bevat het dossier geen aanwijzingen dat ten tijde van de feiten na het ‘schoon’ verklaren van een tank door verdachte werd verlangd dat werd gecontroleerd of waswater dat in zee werd geloosd nog oliehoudend was. De rechtbank overweegt hierbij dat juist gelet op de omstandigheid dat in beide gevallen een extra wassing op zee werd uitgevoerd en waarbij waswater werd geloosd in een bijzonder gebied, alertheid op datgene wat werd geloosd geboden was. De visuele inspecties die in beide gevallen zijn uitgevoerd (door na het wassen van bovenaf in de tank te kijken) zijn hierbij onvoldoende gebleken om op basis daarvan de conclusie te trekken dat tanks ‘schoon’ waren en dat geloosd mocht worden. Gelet op beide voorvallen was het door verdachte gehanteerde beleid onvoldoende om iedere lozing van een oliehoudend mengsel in de Noordzee te voorkomen.

Door de verdediging is nog gewezen op de Safety Flash van 28 maart 2024, die namens verdachte is verstuurd naar haar medewerkers naar aanleiding van het voorval in zaak B. Hierin staat onder meer “Even after cargo system is confirmed cleaned, once switching over to overboard cleaning, visual checks of the water should take place to further reduce the risk of any pollution.” De rechtbank kan niet vaststellen dat deze instructie ook ten tijde van de feiten gold en onder de medewerkers van verdachte onder de aandacht was gebracht. Bovendien is in beide gevallen niet gebleken dat deze visuele check van het water heeft plaatsgevonden.

Vrijspraak opzet

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Voor een bewezenverklaring van het opzet is vereist dat vast komt te staan dat verdachte opzettelijk een oliehoudend mengsel heeft geloosd. De rechtbank kan niet vaststellen dat door verdachte een aanmerkelijke kans op het lozen van een oliehoudend mengsel is aanvaard. Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.

Verdachte heeft beleid en procedures ontwikkeld die zijn gericht op het voorkomen van het lozen van olie of oliehoudende mengsels nadat een olielading is vervoerd. De tanks moeten volgens het opgestelde tank cleaning plan gewassen worden en het waswater wordt in de haven afgegeven. Daarna wordt de inhoud van de tank (van bovenaf) bekeken om te zien of deze schoon is van olieresten. Verdachte en de bemanning aan boord van de schepen rekenen er vervolgens op dat er geen olie meer in de tanks aanwezig is. Niet vastgesteld kan worden dat na het uitvoeren van het gemaakte tank cleaning plan en de visuele waarneming dat de tank schoon is, regelmatig olie in de tank achterbleef en dat men dat wist. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat door verdachte een aanmerkelijke kans op het lozen van olie wordt aanvaard.

De vaststelling dat het voorval in zaak A in december 2020 heeft laten zien dat ondanks het beleid en de procedures van verdachte het mogelijk is dat alsnog een oliehoudend mengsel wordt geloosd, leidt niet tot conclusie dat daardoor in zaak B in maart 2024 wel sprake is van het aanvaarden van een aanmerkelijke kans op het lozen van olie bij het lozen van waswater nadat de tank door de eerste officier schoon verklaard was.

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het feit als medepleger heeft begaan. Uit het dossier blijkt niet dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen. In het bijzonder blijkt die samenwerking niet uit het aan de rechtspersoon toerekenen van het handelen en nalaten van de bemanning aan boord van de [naam schip 1] en de [naam schip 2] .
<nr>4</nr>Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A

op 29 december 2020 op de Noordzee,

vanaf een schip, te weten het onder Nederlandse vlag varend schip ‘ [naam schip 1] ’, een oliehoudend mengsel als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage 1 van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1972 (Marpol-verdrag), in zee heeft geloosd, anders dan met inachtneming van de in Bijlage 1 van het Marpol-verdrag gegeven voorschriften,

immers heeft zij, verdachte, in strijd met voorschrift 34 paragraaf B lid 3 van Bijlage 1 van het Marpol-verdrag een oliehoudend mengsel uit het ladinggedeelte van voornoemd olietankschip geloosd in zee, terwijl dit schip zich in een (ingevolge voorschrift 1 lid 11.8 van Bijlage I van het Marpol-verdrag aangewezen) bijzonder gebied bevond;

Zaak B

op 22 maart 2024 op de Noordzee,

vanaf een schip, te weten het onder Portugese vlag varend schip ‘ [naam schip 2] ’, een oliehoudend mengsel als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage 1 van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1972 (Marpol-verdrag), in zee heeft geloosd, anders dan met inachtneming van de in Bijlage 1 van het Marpol-verdrag gegeven voorschriften,

immers heeft zij, verdachte, in strijd met voorschrift 34 paragraaf B lid 3 van Bijlage 1 van het Marpol-verdrag een oliehoudend mengsel uit het ladinggedeelte van voornoemd olietankschip geloosd in zee, terwijl dit schip zich in een (ingevolge voorschrift 1 lid 11.8 van Bijlage I van het Marpol-verdrag aangewezen) bijzonder gebied bevond.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
<nr>6</nr>De strafbaarheid van verdachte
De verdediging heeft ten aanzien van de tenlastgelegde overtredingen bepleit dat verdachte niet strafbaar is, omdat haar een beroep toekomt op ‘afwezigheid van alle schuld’. Naar het oordeel van de rechtbank is echter geen sprake van een situatie waarin verdachte alles gedaan heeft of heeft laten doen wat van haar verwacht mocht worden in deze situatie. Op verdachte rust de plicht haar bedrijfsvoering zodanig in te richten dat lozingen van oliehoudende mengsels in bijzondere gebieden niet plaatsvinden. Het door verdachte gehanteerde beleid is echter tweemaal niet voldoende gebleken om dergelijke lozingen te voorkomen, terwijl niet is gebleken dat de medewerkers de instructies van verdachte niet of niet volledig zouden hebben opgevolgd. De rechtbank acht hierbij verder relevant dat in beide gevallen niet is gebleken dat is gecontroleerd of het waswater van de wassing op zee inderdaad ‘schoon’ was, zoals verdachte ná de feiten aan haar medewerkers heeft geïnstrueerd in de Safety Flash.

Er is ook verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
<nr>7</nr>Motivering van de straffen en maatregelen 7.1.
De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300.000,-.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan verdachte in beide zaken een geldboete op. Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.

Op twee momenten heeft een schip van verdachte een oliehoudend mengsel in de Noordzee geloosd. Het lozen van olie kan grote schade veroorzaken aan het milieu, zeker in een kwetsbaar en al sterk verontreinigd gebied als de Noordzee. Dit maakt dat van professionele partijen zoals verdachte verwacht mag worden dat zij dergelijke lozingen voorkomen. Verdachte is hierin tekort geschoten.

Voor het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf is van belang dat de straf doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moet zijn. Wat betreft de evenredigheid van de straf, houdt de rechtbank rekening met het verwijt dat aan verdachte gemaakt kan worden. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, uitgaat van de niet-opzettelijke overtredingsvariant. De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat verdachte een grote onderneming is met een jaarlijkse miljoenenomzet. Verdachte is gespecialiseerd in het vervoer van vloeistoffen over zee en is verantwoordelijk voor een aanzienlijke vloot met schepen die veelvuldig op de Noordzee opereren. Een geldboete van de vierde categorie (zoals geldend ten tijde van het feit in zaak A) acht de rechtbank onder deze omstandigheden geen passende bestraffing. Omdat verdachte een rechtspersoon is, zal de rechtbank voor dit feit een geldboete van de naast hogere (vijfde) categorie opleggen.

Tot slot houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop in zaak A. Het voorval in zaak A heeft bijna zes jaar geleden plaatsgevonden. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is aangevangen op 19 oktober 2022, toen de beslissing tot dagvaarden aan verdachte is medegedeeld. Met een vonnis op 17 september 2026 is de redelijke termijn in die zaak daarom met bijna twee jaren overschreden. De rechtbank acht deze overschrijding dusdanig dat dit in strafmatigende zin zal worden meegewogen. De rechtbank zal daarom in plaats van een geldboete van € 25.000,- een geldboete van € 22.500,- opleggen.

In zaak B is geen sprake van een schending van de redelijke termijn. De rechtbank zal in zaak B een boete van € 25.000,- opleggen.
<nr>8</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op:

de artikelen 23 (oud), 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

artikel 5 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen;

artikel 29 van het Besluit voorkoming verontreiniging door schepen.
<nr>9</nr>Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A en zaak B

Telkens: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, begaan door een rechtspersoon

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte GmbH], daarvoor strafbaar.

Zaak A

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 22.500,- (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro).

Zaak B

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. M. Wiewel en M. Bijleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.

[...]

Het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147), en met het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb. 1978, 188).

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Proces-verbaal van waarneming, pag. 10-11 (zaak A).

Proces-verbaal van verhoor, pag. 18-22 (zaak A).

Proces-verbaal economisch delict, pag. 2 (zaak A).

Een geschrift (Explanatory note), pag. 6-7 van 9 van een aanvullend proces-verbaal (zaak A).

Een geschrift (een e-mailbericht), pag. 3 van 3 van een aanvullend proces-verbaal (zaak A).

Proces-verbaal van waarneming, pag. 6 (zaak B).

Een geschrift ( [naam schip 2] ), pag. 158 (zaak B).

Een geschrift (Standard pollution observation/detection log), pag. 15 (zaak B).

Proces-verbaal van verhoor, pag. 93-94 (zaak B)

Artikel delen