Ontneming op grond van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht na het aanwezig hebben van 200 kilogram hennep: betalingsverplichting van € 16.303,71.
Rechtbank Amsterdam 30 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9695
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-09-2026
Datum publicatie
30-09-2026
Zaaknummer
13-140002-23 (ontneming)
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI:NL:RBAMS:2026:9695text/xmlpublic2026-09-30T07:25:212026-09-29Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-09-2513-140002-23 (ontneming)UitspraakEerste aanleg - meervoudigEerste en enige aanlegNLAmsterdamStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9695text/htmlpublic2026-09-29T15:47:212026-09-30Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:9695 Rechtbank Amsterdam , 25-09-2026 / 13-140002-23 (ontneming) Ontneming op grond van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht na het aanwezig hebben van 200 kilogram hennep: betalingsverplichting van € 16.303,71.
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13-140002-23 (ontneming) Datum uitspraak: 25 september 2026 Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13-140002-23, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie, mr. J.P. Hopman, en van wat veroordeelde en zijn raadsman, mr. M.A.I. Witlox, naar voren hebben gebracht. 2De vordering2.1 De vordering van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie van 14 januari 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 27.472,84. In het ‘rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling’ van 8 januari 2026 is dat bedrag naar beneden bijgesteld tot € 17.451,33. Ter terechtzitting van 11 september 2026 heeft de officier van justitie zijn vordering gewijzigd in de zin dat hij vordert dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting vaststelt op een bedrag van € 16.303,71. De grondslag is volgens de officier van justitie artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2.1 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de vordering primair moet worden afgewezen wegens strijd met artikel 6, tweede lid, van het EVRM (de onschuldpresumptie). Er bestaan volgens de raadsman onvoldoende aanwijzingen dat veroordeelde andere of soortgelijke strafbare feiten heeft begaan. Subsidiair heeft veroordeelde volgens de raadsman geen wederrechtelijk verkregen voordeel genoten. Meer subsidiair heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan, namelijk een verzoek tot aanhouding, om de vrouw van veroordeelde in de gelegenheid te stellen een nadere onderbouwing in te brengen voor de stelling dat zij in de bewuste periode ongeveer € 6.000 aan de zoon van veroordeelde heeft overgemaakt, in plaats van € 1.147,62, zoals de officier van justitie in zijn op voorhand verstrekte requisitoir heeft aangenomen. Uiterst subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen, omdat er een dusdanig gering bedrag aan onverklaarbaar vermogen overblijft, waarvan, gezien de duur van de bewuste periode, niet zonder meer gezegd kan worden dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel is. 3Beoordeling van de vordering3.1 Grondslag van de vordering Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2023 ter zake van het volgende strafbare feit (onherroepelijk) veroordeeld: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,
terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. Oftewel dat hij op 7 juni 2023 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] ongeveer 200 kilogram hennep en/of hasjiesj, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde zich voorafgaand aan de pleegdatum schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren van hennep en/of hasjiesj. Veroordeelde heeft op de zitting namelijk verklaard dat hij wel eens geld heeft verdiend door voor een coffeeshops drugs weg te brengen. Uit het strafblad van veroordeelde volgt verder dat hij op 18 januari 2021 door de politierechter te Amsterdam is veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. De rechtbank is van oordeel dat er op grond van de voorgaande feiten en omstandigheden voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde uit de baten van hierboven genoemd ander strafbaar feit wederrechtelijk voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het voorgaande maakt dat van een schending van artikel 6, tweede lid van het EVRM geen sprake is. 3.2. Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel Wederrechtelijk verkregen voordeel Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, neemt de rechtbank als uitgangspunt de berekening zoals deze is gemaakt in de ontnemingsrapportage. In de ontnemingsrapportage is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de methode van de eenvoudige kasopstelling over de periode van 7 juni 2020 tot en met 7 juni 2023. De berekening volgens de ontnemingsrapportage is als volgt:
Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) € 17.451,33 De rechtbank acht de kasopstelling, die gemaakt is op basis van gegevens die de politie heeft ontleend aan het onderzoek, in beginsel deugdelijk en betrouwbaar. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat nog € 1.147,62 in mindering moet worden gebracht voor de uitgaven aan boodschappen via betaalverzoeken van de zoon van veroordeelde. Het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt volgens de rechtbank dan ook: € 16.303,71. Ten aanzien van de overige uitgaven neemt de rechtbank voor de berekening daarvan tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport. Ten voordele van veroordeelde is bij de berekening van de uitgaven voor de voertuigen en voeding steeds uitgegaan van een absolute ondergrens en zijn de uitgaven ten behoeve van zijn zoon ook in mindering gebracht. Dat veroordeelde aan voeding minder zou hebben uitgegeven dan het door het Nibud vastgestelde minimum, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden, temeer nu veroordeelde ook kampte met een alcoholverslaving die hij ook diende te bekostigen. Voorwaardelijk verzoek De rechtbank stelt voorop dat de vrouw van veroordeelde geen procespartij is. Daarom komt haar geen bevoegdheid toe tot het indienen van stukken. Voor zover de raadsman heeft bedoeld dat veroordeelde de stukken wenst toe te voegen aan het dossier oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht over de betaalverzoeken die de zoon van veroordeelde heeft gestuurd naar de vrouw van veroordeelde voor het doen van boodschappen. De officier van justitie heeft hierover zelfstandig onderzoek gedaan naar de ING-bankrekening ( [nummer] ). De bevindingen uit het onderzoek zijn niet gemotiveerd betwist door veroordeelde en zijn raadsman. Het voorwaardelijke verzoek wordt dan ook afgewezen. Conclusie Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 16.303,71. 4De verplichting tot betaling De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 16.303,71. 5Gijzeling De rechtbank zal conform artikel 36e Sr, elfde lid, bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd. 6Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 7Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 16.303,71. Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van
€ 16.303,71 (zestienduizend driehonderddrie euro en eenenzeventig cent) aan de Staat. Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 163 dagen. Dit vonnis is gewezen door
mr. H.B.W. Beekman, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en C. Bruil, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2026. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel contra [veroordeelde] van 8 januari 2026.