Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:9754

De rechtbank legt een 36-jarige man een maatregel op tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor 2 jaar. Op 22 juni 2026 sloeg hij in een supermarkt in Amsterdam-Oost na een ruzie een man met een hak tegen zijn gezicht. Het slachtoffer hield daaraan een wond aan zijn wenkbrauw over.

Rechtbank Amsterdam 2 October 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:9754 text/xml public 2026-10-02T10:47:02 2026-10-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-10-01 13/178045-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:9754 text/html public 2026-10-01T11:38:11 2026-10-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:9754 Rechtbank Amsterdam , 01-10-2026 / 13/178045-26
De rechtbank legt een 36-jarige man een maatregel op tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor 2 jaar. Op 22 juni 2026 sloeg hij in een supermarkt in Amsterdam-Oost na een ruzie een man met een hak tegen zijn gezicht. Het slachtoffer hield daaraan een wond aan zijn wenkbrauw over.

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht

Parketnummer: 13/178045-26

Parketnummers vorderingen tul: 13/008594-26, 13/353460-25 en 13/243814-25

Datum uitspraak: 1 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.R. Zetsma en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Cras naar voren hebben gebracht. Daarnaast is J. Versteeg, reclasseringsmedewerker, als deskundige gehoord.
<nr>2</nr>Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 22 juni 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een (naald)hak tegen het gezicht van [slachtoffer] te slaan. Dit is subsidiair ten laste gelegd als een eenvoudige mishandeling.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
<nr>3</nr>Waardering van het bewijs 3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft met een naaldhak uitgehaald naar het hoofd van [slachtoffer] . Het hoofd betreft een kwetsbaar onderdeel van het lichaam met vitale lichaamsdelen, zoals de ogen. Naar algemene ervaringsregels bestaat de aanmerkelijke kans dat wanneer met een scherp voorwerp tegen het gezicht van een ander wordt geslagen, de ander zwaar lichamelijk letsel kan oplopen. Uit de camerabeelden blijkt eveneens dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Hij heeft gericht met de hak tegen het gezicht van [slachtoffer] geslagen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde handeling niet kan worden gekwalificeerd als een poging zware mishandeling, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Volgens haar was er geen sprake van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, noch heeft verdachte die kans bewust aanvaard. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 22 juni 2026 bevond verdachte zich in de Albert Heijn op de Wibautstraat in Amsterdam. Op enig moment ontstond daar een woordenwisseling tussen verdachte en [slachtoffer] , in de omgeving van de emballage-automaat. Verdachte heeft toen op enig moment zijn schoen met hak uitgedaan en daarmee uitgehaald naar het gezicht van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft hierdoor een wond ter hoogte van zijn rechterwenkbrauw opgelopen en had pijn.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte door op deze wijze te handelen zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
3.3.2.
Poging zware mishandeling

Voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat er sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van dit letsel heeft gehad. Verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer] met zijn hak heeft geslagen op het hoofd, maar heeft gesteld dat het niet zijn bedoeling was [slachtoffer] ernstig te verwonden.

Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van de aangifte en de camerabeelden wel worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] aanwezig was en dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte een schoen vast heeft met een puntige hak van een aantal centimeter. Verdachte houdt deze schoen voor hem ter hoogte van zijn borst en staat op ongeveer een armlengte afstand van [slachtoffer] . Vervolgens is te zien dat hij zijn arm naar achteren haalt en met kracht uithaalt naar het hoofd van [slachtoffer] . Uit zijn aangifte en de foto van het letsel blijkt dat [slachtoffer] hierdoor een wond boven zijn rechterwenkbrauw heeft opgelopen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar gedeelte van het lichaam is en dat zich in het gezicht kwetsbare onderdelen van het menselijk lichaam bevinden, zoals de ogen. Wanneer met kracht van korte afstand richting het gezicht van een ander met een scherp voorwerp, zoals een puntige hak, wordt uitgehaald zoals verdachte heeft gedaan, bestaat naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan, zoals oogletsel of dat het slachtoffer aan het letsel een ontsierend litteken overhoudt.

Verdachte heeft die aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard. Zijn gedrag, zoals dat uit de camerabeelden blijkt en hierboven is beschreven, duidt de rechtbank als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te zijn gericht dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. Van dergelijke contra-indicaties is niet gebleken.

Conclusie

Verdachte heeft door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
<nr>4</nr>Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 22 juni 2026 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een hak, tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
<nr>6</nr>De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
<nr>7</nr>Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders 7.1.
De eis van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van het voorarrest. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen alternatieve strafmodaliteiten voorhanden zijn, omdat eerder reclasseringstoezicht niet uitvoerbaar is gebleken en de problematiek van verdachte te complex is om op eigen kracht binnen een voorwaardelijk strafkader te kunnen afdoen. De officier van justitie heeft gevorderd om na één jaar een tussentijdse toetsing te laten plaatsvinden, zodat verdachte bij goed gedrag mogelijk eerder kan uitstromen.
7.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten voor de oplegging van de ISD-maatregel, omdat er nog alternatieve strafmodaliteiten mogelijk zijn en nog niet alle mogelijkheden tot hulpverlening zijn uitgeput. De raadsvrouw heeft daarom primair verzocht om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder een langdurige klinische opname. Subsidiair heeft zij verzocht de ISD-maatregel op te leggen in een voorwaardelijke vorm. Meer subsidiair heeft zij verzocht de ISD-maatregel op te leggen met aftrek van het voorarrest en zonder tussentijdse toetsing. Indien de verdediging een tussentijdse toetsing wenselijk acht zal daar om worden verzocht.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de vrijheidsbenemende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft een woordenwisseling met het slachtoffer gehad in de Albert Heijn en hem daarna met een hak van zijn schoen tegen zijn gezicht geslagen. Het slachtoffer heeft hierdoor een wond boven zijn rechterwenkbrauw opgelopen.

Verdachte heeft door op deze manier te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft pijn ervaren en mag van geluk spreken dat het letsel relatief beperkt is gebleven. Daarnaast is dit delict ook overlastgevend voor medewerkers en winkelbezoekers van de Albert Heijn geweest.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van het Leger des Heils van 1 september 2026, opgesteld door reclasseringsmedewerker J. Versteeg. De reclassering heeft – kort en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende gerapporteerd.

Bij verdachte is sprake van instabiliteit op alle leefgebieden. Verdachte is al een aantal jaar dakloos en slaapt sinds een agressie-incident bij zijn laatste opvangplek in een tent in Amsterdam. Hij heeft geen zinvolle dagbesteding of een stabiel inkomen. Ook heeft hij geen familie of een sociaal netwerk waarmee hij contact heeft. Verdachte is verslaafd aan verdovende middelen, waaronder basecoke dat hij dagelijks rookt. Zijn verslaving probeert hij te bekostigen door het verzamelen van statiegeldblikjes. Zijn instabiele leefomstandigheden houden elkaar in stand, waardoor verdachte in een vicieuze cirkel verkeert die hij niet lijkt te kunnen doorbreken. Daarnaast kampt verdachte met psychische problematiek. Verdachte lijkt beperkt te kunnen reflecteren op zijn eigen aandeel in (delict)gedrag en heeft moeite met het oplossen van (interpersoonlijke) problemen. Ook zijn er aanwijzingen voor problemen in de agressieregulatie en antisociaal gedrag. Tevens wordt gedacht dat verdachte mogelijk een licht verstandelijke beperking heeft. Zowel de marginale leefomstandigheden, de verslavingsproblematiek, als het psychosociaal functioneren worden gezien als delict gerelateerd. De reclassering schat het recidivegevaar als hoog in.

Gelet op de (verslavings-)problematiek bij verdachte, acht de reclassering het noodzakelijk dat verdachte aansluitend aan de detentie direct klinisch wordt behandeld. Met die visie heeft de reclassering verschillende strafmodaliteiten onderzocht en is zij tot de conclusie gekomen dat een voorwaardelijk strafkader met een klinische opname ontoereikend is. Allereerst is er nog geen zicht op een passende kliniek, dan wel een eventuele plaatsingsdatum, wat een directe plaatsing in een kliniek na de detentie niet uitvoerbaar maakt. Ten tweede biedt een voorwaardelijk kader te weinig stok achter de deur. Bij een eventuele terugval in het middelengebruik of bij een onttrekking aan de klinische opname ervaart verdachte geen direct voelbare consequentie, terwijl dat bij een ISD-maatregel wel het geval is. Ook merkt de reclassering op dat eerder reclasseringstoezicht niet uitvoerbaar is gebleken, omdat verdachte structureel zijn afspraken niet nakwam of niet bereikbaar was. De reclassering heeft daarom geconcludeerd dat er geen behandelalternatieven zijn en dus dat verdachte voldoet aan de criteria voor de ISD-maatregel. Bij een veroordeling adviseren zij dan ook een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaren.

J. Versteeg is als deskundige op de zitting gehoord en zij heeft voornoemd advies bevestigd. Zij heeft kenbaar gemaakt dat er een indicatiestelling is afgegeven voor een klinische opname, maar dat er nog geen zicht is op een kliniek. Ook heeft zij benadrukt dat een voorwaardelijk kader nog steeds ontoereikend wordt geacht. Zo zal verdachte zolang er geen zicht is op een kliniek onbehandeld blijven en binnen zijn eigen leefomstandigheden moeten wachten op een plek. De kans dat hij binnen die omstandigheden terugvalt in het middelengebruik is groot. Bij een terugval zal verdachte eerst een detox moeten krijgen, voordat hij kan worden opgenomen. Dit zal zijn plaatsing in een kliniek frustreren en veel tijd kosten. Desgevraagd heeft de deskundige verklaard dat een voorwaardelijke ISD-maatregel niet als alternatief is onderzocht. Zij beschouwt de oplegging daarvan echter niet als mogelijkheid, omdat zij verwacht dat verdachte zich niet aan bijzondere voorwaarden binnen dat kader kan houden.

Verdachte heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat hij zich niet kan vinden in het advies van de reclassering. Hij stelt dat een voorwaardelijk kader met bijzondere voorwaarden mogelijk is, omdat hij op dit moment abstinent is van verdovende middelen en maatregelen heeft genomen voor zijn bereikbaarheid. Hij staat open voor hulpverlening en wil graag zijn leven op orde krijgen. Ook heeft hij kenbaar gemaakt dat het vorige reclasseringstoezicht spaak is gelopen, omdat hij zijn afspraken niet is nagekomen en te hoge verwachtingen had van de reclassering.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Daarnaast liep verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde in drie proeftijden.

De ISD-maatregel

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit is voldaan aan alle voorwaarden die artikel 38m Sr aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is allereerst bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, te weten een poging zware mishandeling.

Daarnaast volgt uit het strafblad van verdachte dat hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de pleegdatum (22 juni 2026) ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf, terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Ook moet, zoals blijkt uit het hiervoor genoemde reclasseringsrapport, er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.

Verder acht de rechtbank de ISD-maatregel noodzakelijk. De rechtbank heeft verschillende strafmodaliteiten overwogen, maar komt tot het oordeel dat er in dit geval geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. Op basis van het hiervoor genoemde adviesrapport van de reclassering en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting blijkt dat een alternatief hulpverleningskader onvoldoende waarborgen biedt om de (verslavings-)problematiek van verdachte afdoende te behandelen en daarmee het recidiverisico in te perken. De reclassering heeft zeer recent geprobeerd om met toezicht en een ambulant kader naar verslavingszorg toe te werken, maar doordat verdachte structureel zijn afspraken niet is nagekomen, is deze hulpverlening niet van de grond gekomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de leefomstandigheden van verdachte zodanig zijn veranderd, dat een voorwaardelijk kader met bijzondere voorwaarden dit keer wel kans van slagen heeft. Ook acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur niet recidivebeperkend genoeg. Verdachte heeft immers al in drie proeftijden gelopen.

Hoewel verdachte van goede wil is, ziet de rechtbank ook dat verdachte onvoldoende bij machte is om zelfstandig aan zijn problematiek te kunnen werken. Zijn leefomstandigheden, verslaving en psychische problematiek tezamen zijn te gecompliceerd om op eigen kracht bestendig te kunnen aanpakken. Dit onderschrijft de reclassering ook. Ondanks dat verdachte op dit moment abstinent is, zegt dit weinig over abstinent kunnen blijven buiten detentie. De rechtbank acht de kans dat verdachte terugvalt in zijn middelengebruik wanneer hij weer op straat komt dan ook groot. Met nog geen zicht op een eventuele kliniek of een plaatsingsdatum is een voorwaardelijk kader daarom onwerkbaar. Hetzelfde geldt voor een voorwaardelijke ISD-maatregel. De kans dat verdachte zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden in zijn huidige leefomstandigheden is dermate groot, dat het recidivegevaar onvoldoende wordt ingeperkt.

Bovendien is het de rechtbank gebleken dat verdachte in moeilijke situaties meermaals tot agressie is gekomen. Dit leidt de rechtbank onder meer af uit zijn geweldsdelict in Duitsland en uit het agressie-incident bij zijn laatste opvangplek. Een behandeling van zijn (psychische) problematiek is dan ook nodig om de veiligheid van personen te kunnen waarborgen.

Het voorgaande neemt niet weg dat de rechtbank heeft gezien dat verdachte welwillend is om aan zichzelf te werken. De rechtbank hoopt dat hij deze positieve houding vasthoudt en gebruik maakt van de handvatten die hem aangereikt gaan worden tijdens de ISD-maatregel, zodat hij snel het leven kan opbouwen waar hij naar streeft.

Alles in acht genomen is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van goederen en personen de oplegging van de ISD-maatregel eist. Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en ter bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom legt de rechtbank de ISD-maatregel voor de maximale termijn van twee jaar op. De tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht wordt niet in mindering gebracht op de duur van de maatregel.

Tussentijdse toetsing

De rechtbank ziet, anders dan gevorderd door de officier van justitie, geen reden om op voorhand te beslissen dat er een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel moet plaatsvinden. Verdachte kent immers instabiliteit op alle leefgebieden en het is nog onduidelijk waar hij zich over een jaar bevindt. Indien de verdediging naar gelang van de voortgang een dergelijke toetsing wenst, kan daartoe op grond van artikel 38n Sr worden verzocht.
<nr>8</nr>Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen
Bij de stukken zitten de op 12 augustus 2026 bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen. De officier van justitie vordert daarin de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen van de politierechter van de rechtbank Amsterdam van de vonnissen van 18 september 2025, 31 december 2025 en 7 april 2026 in de zaken met parketnummers 13/243814-25, 13/353460-25 en 13/008594-26 alsnog ten uitvoer te leggen, omdat verdachte zich binnen de aan die straffen verbonden proeftijden aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. Dit betreffen gevangenisstraffen van vijf dagen, veertien dagen en één week.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals ook naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank wijst de vorderingen echter af, omdat zij tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraffen niet opportuun acht, gelet op de ISD-maatregel die aan verdachte wordt opgelegd.
<nr>9</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
<nr>10</nr>Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van 2 (twee) jaar.

Voorwaardelijke veroordelingen:

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13-008594-26 af.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13-353460-25 af.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13-243814-25 af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mr. A.L. op ’t Hoog en mr. Q.M.J.A. Crul, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.H.G. Brinkman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 oktober 2026.

Artikel delen