Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2013:18227

Verzoek om naturalisatie. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd (...) geen bedenkingen bestaan. Verweerder heeft ambtshalve getoetst of eiser voldoet aan de voorwaarden voor gezinshereniging of gezinsvormi...

Rechtbank Den Haag 28 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2013:18227 text/xml public 2026-07-28T15:14:20 2013-12-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2013-12-24 AWB - 13 _ 7767 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2013:18227 text/html public 2026-07-28T15:13:20 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2013:18227 Rechtbank Den Haag , 24-12-2013 / AWB - 13 _ 7767
Verzoek om naturalisatie. Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd (...) geen bedenkingen bestaan. Verweerder heeft ambtshalve getoetst of eiser voldoet aan de voorwaarden voor gezinshereniging of gezinsvorming met een Nederlander en de voorwaarden voor een verblijfsvergunning onder de beperking arbeid als kennismigrant.
Rechtbank DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/7767
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2013 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats] ([land 1]), eiser
(gemachtigde: mr. S. Mooij),

en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr.drs. P. Visbach).
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2013 heeft verweerder het verzoek van eiser om naturalisatie afgewezen.

Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 24 september 2013 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de op deze zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2013.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Tevens is ter zitting verschenen [naam], oom van de echtgenote van eiser.
Overwegingen
1. Verweerder heeft aan de (handhaving van de) afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan het vereiste dat tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland geen bedenkingen bestaan als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat eiser niet beschikt over een verblijfsvergunning die zijn verblijf voor onbepaalde tijd in het Koninkrijk toestaat en hij niet voor een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard in aanmerking zou komen indien hij daarom zou verzoeken nu referente geen zelfstandig inkomen heeft.

2 Eiser heeft in beroep - samengevat - aangevoerd dat verweerder ten onrechte vasthoudt aan de stelling dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde zoals genoemd in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN. Eiser is van mening dat in geval van naturalisatie vanuit het buitenland, de bepaling van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, ruimer geïnterpreteerd dient te worden dan de Handleiding voor de toepassing van de RWN en de Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland, op dit moment doen. Het is voor eiser immers niet vereist dat hij toelating en vijf jaar onafgebroken hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, nu hij verblijfsrecht heeft in het buitenland en vanuit daar de aanvraag doet. Verweerder kan niet voorbij gaan aan het verblijfsrecht dat eiser heeft in [land 1]. Eiser is immers met zijn Nederlandse echtgenote en minderjarig kind woonachtig in [land 1] alwaar hij het gezinsinkomen verdient. Allen hebben in [land 1] rechtmatig verblijf. Verweerder dient het verblijfsrecht van eiser en zijn gezin in [land 1] te betrekken bij de vraag of er bedenkingen bestaan tegen verblijf in Nederland voor onbepaalde tijd. Door verweerders onflexibele interpretatie van deze beoordeling is het in de praktijk schier onmogelijk voor een echtgenoot van een Nederlander om vanuit het buitenland te naturaliseren. Dat een dergelijke restrictieve interpretatie van de fictieve toets niet is toegestaan is onder andere bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in zijn uitspraak van

15 november 1979 (RV 1979/53). Daarbij gaat het om de wijze van wetsinterpretatie. Ook uit het verdrag van New York van 20 februari 1957, de memorie van antwoord bij het wetsontwerp 16947 (p. 23-24), en het citaat van Prof.mr. G.R. de Groot in het Handboek Nieuw Nationaliteitsrecht (Kluwer 2003, p. 269), blijkt dat een te enge interpretatie van de fictieve toets niet toelaatbaar is en verweerder rekening dient te houden met de specifieke omstandigheden van eiser. De omstandigheid dat eiser niet exact voldoet aan de vereisten voor een Nederlandse verblijfsvergunning in het kader van gezinsmigratie dan wel kennismigratie mag niet leiden tot afwijzing van eisers naturalisatieverzoek. De mogelijkheid tot naturalisatie vanuit het buitenland wordt anders door de restrictieve toepassing van de fictieve toets van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN een dode letter.

3 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de RWN komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoekera. die meerderjarig is;

b. tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan;

c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;

d. die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en — indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoofdverblijf heeft —de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba,

en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen; en

e. die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van

verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.

In artikel 8, tweede lid, van de RWN is bepaald dat het eerste lid, onder c, niet geldt met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit.

Op grond van artikel 10 van de RWN kan -voor zover van belang- in bijzondere gevallen het Nederlanderschap worden verleend met afwijking van onder andere artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, en c.

Ingevolge de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, onder 3.8) kunnen de in artikel 8, tweede lid, van de RWN genoemde vreemdelingen ook buiten het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve - aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op verzoeker van toepassing zouden zijn indien hij om toelating in Nederland zou vragen - beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou komen voor een verblijfsrecht, als hij daar om zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard verleend zou kunnen worden, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN.

In de Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland, is in de eerste paragraaf bij de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met het tweede lid van dat artikel van de RWN, onder meer aangegeven dat indien verzoeker gehuwd is met een Nederlander, ambtshalve wordt getoetst of hij voldoet aan de voorwaarden voorgezinshereniging of gezinsvorming met een Nederlander. In dat geval zullen onder meer recente inkomensgegevens van de Nederlandse echtgenoot worden verlangd, om te beoordelen of de Nederlandse echtgenoot beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.1
De rechtbank stelt vast dat verweerder in eerste instantie ambtshalve getoetst heeft of eiser voldoet aan de voorwaarden voor gezinshereniging of gezinsvorming met een Nederlander.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, van het Vb 2000.

Ingevolge het beleid zoals neergelegd in paragraaf B7/2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 dient de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, de referent, zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan. De beleidsregels opgenomen in paragraaf B1/4.3 van de Vc 2000 zijn van toepassing op de beoordeling van de middelen van bestaan van de referent.

Zoals de AbRS eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juli 2007, LJN: BB1415) kunnen uitsluitend de middelen van bestaan van degene bij wie de vreemdeling als gezinslid wil verblijven een rol spelen bij de vaststelling of aan het middelenvereiste wordt voldaan. Nu niet in geschil is dat de echtgenote van eiser niet duurzaam en zelfstandig beschikte over voldoende inkomsten heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter.

De situatie van eiser is niet dermate bijzonder dat -indien eiser zou verzoeken om een verblijfsvergunning- op grond hiervan zou moeten worden afgeweken van artikel 3.22, eerste lid, van het Vb 2000. Weliswaar beschikt eiser over ruim voldoende inkomen om zijn gezin te onderhouden, maar dit maakt niet dat verweerder niet de voorwaarde zou mogen stellen dat referente zelfstandig dient te beschikken over voldoende inkomen.

Het betoog van eiser dat verweerder de fictieve toets van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN soepeler zou moeten interpreteren omdat anders de mogelijkheid vanuit het buitenland te naturaliseren onmogelijk wordt, kan de rechtbank niet volgen. Immers er zijn gevallen denkbaar waarin de Nederlandse referent wel aan het middelenvereiste voldoet waardoor voldaan wordt aan de voorwaarden voor gezinshereniging of gezinsvorming met een Nederlander. In het bijzonder als de referent in het buitenlande zelfstandig beschikt over voldoende inkomsten. De omstandigheid dat eiser niet aan de voorwaarden voor deze vergunningverlening voldoet, maakt de mogelijkheid vanuit het buitenland te naturaliseren niet tot een dode letter.

Daarbij heeft verweerder kunnen verwijzen naar de wetsgeschiedenis van artikel 8 van de RWN (Memorie van Toelichting van de Tweede Kamer, vergaderjaar 1981, 16 947, nr. 3). Daarin wordt bepaald dat in een wet welke de naturalisatievoorwaarden regelt, een bepaling welke ertoe strekt te waarborgen dat het beleid ten aanzien van de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving en het beleid inzake naturalisatie met elkaar in overeenstemming zijn. Naturalisatie brengt het recht van vestiging in Nederland mede. Eerste voorwaarde voor de verlening van het Nederlanderschap behoort dan ook te zijn, dat geen bezwaar bestaat tegen het verblijf van de verzoeker voor onbepaalde tijd in Nederland.

De door eiser aangehaalde uitspraak van de AbRS van 15 november 1979, het verdrag van New York van 20 februari 1957, de memorie van antwoord bij het wetsontwerp 16947 (p. 23-24), en het citaat van Prof.mr. G.R. de Groot in het Handboek Nieuw Nationaliteitsrecht kunnen hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af doen. De rechtbank merkt daarbij overigens op dat verweerder ten aanzien van het verdrag van New York op goede gronden heeft gewezen op de omstandigheid dat Nederland dit verdrag op 16 januari 1992 heeft opgezegd.
4.2
Verweerder heeft voorts ambtshalve getoetst aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning onder de beperking arbeid als kennismigrant.

Ingevolge artikel 3.30a van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, worden verleend onder een beperking verband houdend met arbeid als kennismigrant aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, die arbeid ten behoeve van een krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende werkgever verricht of wil verrichten, tenzij het overeengekomen loon naar het oordeel van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sterk afwijkt van het loon dat voor de te verrichten werkzaamheden in overeenkomstige functies gebruikelijk is.

Ingevolge het tweede lid wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond dat de werkgever niet krachtens artikel 2c van de Wet als referent is erkend of ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Wet heeft afgelegd, indien de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft. In dat geval wordt de werkgever niet als referent aangewezen.

Ook voor wat betreft deze beperking is tussen partijen niet in geschil dat eiser niet voldoet aan de genoemde voorwaarden dan wel de uitzondering van het tweede lid. Verweerder heeft dan ook op goede gronden bepaald dat tegen eisers verblijf voor onbepaalde tijd op deze beperking in Nederland bedenkingen bestaan.
4.3
Voor zover eiser verwezen heeft naar het positieve advies van de ambassade in [land 2] inzake zijn verzoek om naturalisatie overweegt de rechtbank dat, nog afgezien van de vraag of een dergelijk advies naar zijn aard als een ondubbelzinnige en bindende toezegging kan worden gezien, moet worden vastgesteld dat de bevoegdheid om naturalisatieverzoeken toe dan wel af te wijzen aan verweerder toekomt en niet aan de betreffende ambassade. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat eiser aan het advies van de ambassade in [land 2] niet het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat zijn verzoek om naturalisatie zou worden gehonoreerd.
4.4
Verweerder heeft gelet op het vorenstaande in redelijkheid kunnen overwegen dat niet is gebleken dat eiser op grond van enig beleid genoemd in de Vc 2000 in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning indien hij hierom zou vragen.

5 Artikel 10 van de RWN biedt, zoals tussen partijen niet in geschil is, geen mogelijkheid om af te wijken van de voorwaarde dat er geen bedenkingen mogen zijn tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van eiser.

6 Verweerder heeft gelet op het voorgaande op goede gronden gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN van de RWN zodat eiser niet in aanmerking komt voor naturalisatie.

7 Het beroep is ongegrond.

8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel delen