ECLI:NL:RBDHA:2019:15163text/xmlpublic2026-09-23T13:45:432026-09-11Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2019-04-107138836 / CV EXPL 18-3522UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLLeidenCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:15163text/htmlpublic2026-09-23T13:39:592026-09-23Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2019:15163 Rechtbank Den Haag , 10-04-2019 / 7138836 / CV EXPL 18-3522 geheimhoudsbeding uit vso niet geschonden
Rechtbank den haag Zittingsplaats Leiden SB
Rolnr.: 7138836 CV EXPL 18-3522
Datum: 10 april 2019 (bij vervroeging) Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
gemachtigde: mr. S.L. Sarin, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon openbaar lichaam op basis van gemeenschappelijke regeling
Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek,
gevestigd en kantoorhoudende te Lisse,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. V.L.T. van Roy. Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “ISD”. 1Procedure De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 24 juli 2018 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de conclusie van repliek met producties;
- de conclusie van dupliek met producties;
- het tussenvonnis van 13 februari 2019 waarin een comparitie van partijen is bevolen. Op 26 maart 2019 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Voorafgaande aan en ter voorbereiding van de comparitie heeft [eiser] nog een productie en ISD nog twee producties overgelegd. 2Feiten De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten. 2.1. Tussen partijen is eind oktober/begin november 2016 een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst of ‘vso’) gesloten om een onderling conflict tussen partijen over bijstand en krediet op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (hierna: Bbz) minnelijk op te lossen. 2.2. In de vaststellingsovereenkomst is – voor zover relevant – het volgende vermeld:
“Verklaren het volgende te zijn overeengekomen:
Artikel 1 Toekenning krediet ingevolge het Bbz
De ISD verstrekt de heer [eiser] een krediet ter hoogte van € 25.000,00 (zegge en schrijven vijfentwintig duizend euro), op grond van het artikel 24 Bbz, ter uitvoering van zijn onderneming, onder de navolgende voorwaarden (in een nieuwe beschikking); (…) Artikel 6 Geheimhouding 6.1 Partijen zullen over en weer volledige geheimhouding jegens derden betrachten over de inhoud en wijze van totstandkoming van deze Overeenkomst alsmede over enige kwestie, aanleiding en/of achtergrond van of met betrekking tot de getroffen regeling. 6.2 Indien één der Partijen geen volledige geheimhouding jegens derden betracht dan zal de andere Partij de daaruit voortvloeiende schade alsmede een boetebedrag € 5000,- verhalen op de niet nakomende Partij. (…).” 2.3. Op 13 december 2016 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen een beschikking van de ISD van 3 november 2016. In dit kader heeft [eiser] als bijlage een afschrift van de vaststellingsovereenkomst gevoegd. Op 30 november 2017 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen een beschikking van de ISD van 17 oktober 2017. In dit kader heeft [eiser] als bijlage een afschrift van de vaststellingsovereenkomst gevoegd. Beide bezwaarschriften zijn door een externe commissie behandeld. 2.4. In het huishoudelijk reglement afdoening bezwaarschriften ISD Bollenstreek 2016 (hierna: het huishoudelijk reglement) is – voor zover van belang – bepaald:
4. De secretaris zal bezwaarschriften voorleggen aan de onafhankelijke (externe) commissie bezwaarschriften zoals bedoeld in artikel 7:13 van de wet, in gevallen waarbij bezwaar gemaakt wordt tegen besluiten die politiek gevoelig zijn of een aanmerkelijk (financieel) belang hebben;
5. Indien geen sprake is van gevallen zoals genoemd in lid 4 zal de secretaris kiezen voor een ambtelijke afhandeling van bezwaarschriften;
6. De secretaris behoudt de discretionaire bevoegdheid om, na overleg met de directeur van de ISD Bollenstreek, bezwaarschriften, anders dan de gevallen zoals genoemd in lid 4, ook voor te leggen aan de onafhankelijke (externe) commissie bezwaarschriften.
(…) Artikel 3. Ingediende bezwaarschriften
1. Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken worden zo spoedig mogelijk in handen van de ambtelijke dan wel externe commissie gesteld.
(…) Artikel 17. Openbaarheid zitting
1. Hoorzittingen van de commissies zijn besloten, tenzij bezwaarmaker de commissie verzoekt om een openbare hoorzitting en dit verzoek;
a. ten minste vijf werkdagen voor aanvang van de zitting schriftelijk en met redenen omkleed is ingediend;
b. de commissieleden geen overwegende bezwaren hebben. 2.5. Bij brief van 7 juli 2017 heeft ISD een brief van [eiser] van 6 juli 2017 met bijlagen (waaronder de vaststellingsovereenkomst) doorgezonden aan de Nationale Ombudsman. In de brief van 6 juli 2017 verzoekt [eiser] de ISD onder meer om een door ISD op 6 februari 2017 ongegrond bevonden klacht van 27 december 2016 opnieuw te behandelen door een onafhankelijke commissie. 2.6. Bij besluit van 27 maart 2018 heeft ISD [eiser] laten weten – verkort en zakelijk weergegeven – 33 Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verzoeken van [eiser] te hebben ontvangen in de periode van 20 februari 2018 tot en met 27 maart 2018. In de brief is het volgende vermeld: “Wij doen u hierbij de gevraagde informatie toekomen. Volledigheidshalve zenden wij u tevens uw volledige dossier mee. Alle reeds afgehandelde werkprocessen, inclusief alle documenten die gebruikt zijn bij, onderdeel uitmaakten van en/of voortgekomen zijn uit deze werkprocessen, treft u aan. Derhalve hoeft u voor deze werkprocessen geen Wob-verzoeken meer in te dienen.” 3Vordering en verweer3.1.
[eiser] vordert, na eisvermindering met de buitengerechtelijke kosten bij conclusie van repliek, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van ISD tot betaling van
€ 20.000,-, alsmede de wettelijke rente over € 5.000,- vanaf de eerste overtreding op 7 maart 2017 (vso aan bezwaarschriftencommissie), over € 5.000,- vanaf de tweede overtreding op 11 juli 2017 (vso aan Ombudsman), over € 5.000,- vanaf de derde overtreding op 4 december 2017 (vso aan bezwaarschriftencommissie) en over € 5.000,- vanaf de vierde overtreding op 27 maart 2018 (WOB-verzoek), tot aan de gehele dag der voldoening, met veroordeling van ISD in de kosten van het geding. 3.2.
[eiser] legt vier overtredingen door ISD van het in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen geheimhoudingsbeding ten grondslag aan zijn vordering en vordert uit dien hoofde voor elke overtreding € 5.000,- vanaf de dag van overtreding. Bij de beide bezwaarschriften van 13 december 2016 en 30 november 2017 heeft [eiser] als bijlage een afschrift van de vaststellingsovereenkomst gevoegd. De ISD heeft ervoor gekozen om, in afwijking van de gewone procedure van afhandeling door een ambtelijke commissie (bestaande uit medewerkers ISD), de bezwaarschriften aan een externe commissie voor te leggen. Daarmee is de vaststellingsovereenkomst overhandigd aan een derde externe partij. Door de bezwaarschriften door een externe commissie te laten behandelen zonder overleg met en toestemming van [eiser] heeft ISD de geheimhoudingsclausule tweemaal overtreden. 3.3. ISD heeft zonder overleg met en instemming van [eiser] de klacht van 6 juli 2017 van [eiser] met de vaststellingsovereenkomst als bijlage meteen doorgestuurd naar de Nationale Ombudsman. Ook hiermee heeft ISD de geheimhoudingsclausule geschonden. 3.4. Op 27 maart 2018 is de vaststellingsovereenkomst onderdeel geworden van een dossier dat in het kader van een besluit op Wob-verzoeken aan [eiser] is verstrekt. Hiermee is de vaststellingsovereenkomst voor iedereen openbaar geworden. [eiser] wijst op artikel 6.5 van de Wob over gelijktijdige verstrekking. Daarnaast was er ten aanzien van de verstrekte informatie op geen enkele wijze benoemd welke informatie bij welk Wob-verzoek hoorde of ‘slechts’ onderdeel uitmaakte van het dossier [eiser]. Verweer 3.5. ISD voert gemotiveerd verweer en voert daartoe het volgende aan. Het in artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding ziet niet op procedures en de verhoudingen tussen partijen onderling, maar enkel op de waarborging van de privacy van [eiser]. Deze privacy wordt niet aangetast in (bezwaar-/klacht) procedures tussen partijen onderling, ook niet door hernieuwde verstrekking van de vaststellingsovereenkomst aan [eiser] zelf. De uitleg die [eiser] aan het geheimhoudingsbeding geeft, is niet de uitleg die partijen in redelijkheid aan het betreffende beding kunnen geven en is gebaseerd op het denatureren van de bepaling. 3.6.
[eiser] heeft op 13 december 2016 bezwaar ingediend tegen een besluit van 3 november 2016 van de ISD en zelf de vaststellingsovereenkomst als bijlage aangeleverd. Met deze beslissing van [eiser] zelf is de vaststellingsovereenkomst onderdeel geworden van de processtukken in de bezwaarschriftprocedure. Op de in bezwaar ingediende stukken kan en mag het bestuursorgaan geen regie voeren. De wet noch de vaststellingsovereenkomst biedt aan ISD de mogelijkheid om bezwaarschriften aan te passen of stukken bij bezwaarschriften weg te halen. Bij brief van 17 oktober 2017 heeft ISD gereageerd op de eerste sommatie tot betaling van een boetebedrag van € 5.000,- en desondanks heeft [eiser] bij zijn ingediende bezwaar van 30 november 2017 wederom willens en wetens de vaststellingsovereenkomst toegevoegd. 3.7. ISD betwist dat het huishoudelijk reglement is geschonden. Het door [eiser] ingediende bezwaar van 13 december 2016 ziet onder meer op de uitleg van de vaststellingsovereenkomst, hetgeen ook de reden is dat deze door [eiser] is meegezonden bij zijn bezwaarschrift. De vaststellingsovereenkomst en het daaruit voortvloeiende besluit behelzen per definitie een politiek gevoelig besluit en een besluit met een aanmerkelijk financieel belang nu daar onder meer een bedrijfskrediet van € 25.000,- mee gemoeid was. Het is aan de secretaris om te beoordelen welke zaken aan de externe commissie worden voorgelegd. Toestemming van of overleg met bezwaarde is niet noodzakelijk of vereist. Bovendien heeft [eiser] per e-mail van 9 maart 2017 ISD erop geattendeerd dat een pagina (van de vaststellingsovereenkomst) ontbreekt in de aan hem verzonden bezwaarstukken waarbij [eiser] verzoekt na te gaan of de commissie deze pagina heeft ontvangen en zo niet, deze alsnog als aanvullend stuk aan de commissie toe te zenden. Het lag op de weg van [eiser] om tijdig bezwaar te maken tegen de behandeling door een externe commissie en/of zelf zijn bezwaarschrift aan te passen. Door zulks na te laten en zelfs aan te dringen op completering van de vaststellingsovereenkomst, komt [eiser] geen vordering toe. Door eind november 2017 wederom de vaststellingsovereenkomst onderdeel te laten zijn van het door hem ingediende bezwaarschrift, heeft [eiser] willens en wetens op overtreding van het geheimhoudingsbeding uit de vaststellingsovereenkomst aangestuurd. Tot slot dient de onafhankelijke externe commissie bezwaarschriften niet als derde in de zin van het geheimhoudingsbeding van de vaststellingsovereenkomst te worden beschouwd. 3.8. Op 6 juli 2017 heeft [eiser] een klacht ingediend inzake de afhandeling van een eerdere klacht, gedateerd 27 december 2016. Als bijlage heeft [eiser] de vaststellingsovereenkomst overgelegd. De eerdere klacht is op 7 februari 2017 door ISD afgehandeld en ISD heeft de klacht van 6 juli 2017, inclusief bijlagen (waaronder de vaststellingsovereenkomst) doorgezonden naar de Nationale Ombudsman conform artikel 9:18 lid 1 jo. lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het is niet aan ISD om regie te voeren over de inhoud van een klacht of de door [eiser] daarbij overgelegde producties. In redelijkheid kan ISD dus wederom geen verwijt worden gemaakt. Overlegging van de vaststellingsovereenkomst aan de Nationale Ombudsman valt niet onder de reikwijdte van het geheimhoudingsbeding. ISD heeft te goeder trouw gehandeld conform de op haar rustende wettelijke verplichting. Tot slot dient de Nationale Ombudsman
niet als derde in de zin van het geheimhoudingsbeding van de vaststellingsovereenkomst te worden beschouwd. 3.9. ISD heeft op 27 maart 2018 een beslissing genomen op 33 Wob-verzoeken van [eiser], die door [eiser] zijn ingediend in de periode van 20 februari 2018 tot en met 27 maart 2018. Ter voorkoming van overbelasting van het ambtelijk apparaat door hernieuwde Wob-verzoeken van [eiser] heeft ISD volledigheidshalve het volledige dossier van [eiser] naast de verzocht Wob-informatie meegezonden. Het verstrekken van het dossier, met daarin de vaststellingsovereenkomst, is niet in het kader van een Wob-besluit verstrekt en daarmee is geen sprake van het openbaar maken van de vaststellingsovereenkomst. De in het kader van een Wob-verzoek verzochte informatie is gelijktijdig, doch gescheiden van de overige dossierinformatie aangetekend aan [eiser] verzonden. 3.10. ISD betwist integraal op grond van het voorgaande de verschuldigdheid van wettelijke rente. 4Beoordeling4.1. De kern van deze zaak draait om de uitleg van het in artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding en daaropvolgend de vraag of ISD tot viermaal toe dit beding heeft overtreden en derhalve boetes heeft verbeurd. De kantonrechter stelt voorop dat de uitleg van het geheimhoudingsbeding van de vaststellingsovereenkomst dient te geschieden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. De vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst als hier aan de orde de verhouding van partijen is geregeld en of die overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Tegen die achtergrond overweegt de kantonrechter het volgende. Bezwaarschriften, behandeling door externe commissie 4.2. Tussen partijen staat vast dat [eiser] bij zowel zijn bezwaar van 13 december 2016 als zijn bezwaar van 30 november 2017 als bijlage een afschrift van de vaststellingsovereenkomst heeft gevoegd. Het is dan vervolgens ter beoordeling aan de secretaris om op grond van artikel 2 lid 4 jo. lid 5 van het huishoudelijk reglement (zie onder 2.4.) te beoordelen of het bezwaarschrift wordt voorgelegd aan een ambtelijke dan wel externe commissie, waarbij lid 4 duidelijk aangeeft (door het woordje ‘zal’) in welke gevallen (besluiten die politiek gevoelig zijn of een aanmerkelijk (financieel) belang hebben) het bezwaarschrift wordt voorgelegd aan een externe commissie. [eiser] heeft dit ook met zoveel woorden in punt 37 van zijn conclusie van repliek erkend (‘het is inderdaad aan de secretaris, al dan niet o.b.v. discretionaire bevoegdheid, om te beoordelen of een bezwaarschrift aan de externe commissie wordt voorgelegd’). [eiser] betoogt echter dat als dit betekent dat de vaststellingsovereenkomst aan de externe commissie wordt voorgelegd dat dit dan in overleg met hem moet geschieden. Dit volgt echter naar het oordeel van de kantonrechter niet uit het huishoudelijk reglement. Artikel 3 van dit reglement (zie onder 2.4) schrijft expliciet voor dat het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk in handen worden gesteld van de externe commissie. Met ISD is de kantonrechter voorts van oordeel dat het niet aan de secretaris dan wel het bestuursorgaan is om bij binnenkomst van een dergelijk bezwaarschrift regie te voeren op de in bezwaar ingediende stukken en derhalve stukken aan te passen of weg te halen. Het had op de weg van [eiser] gelegen om dan bij het indienen van zijn bezwaarschrift een voorbehoud te maken ten aanzien van de bijlage ter zake de vaststellingsovereenkomst. Door dit niet te doen en wel te verwachten dat zijn bezwaarschrift conform de daarop van toepassing zijnde regelgeving in behandeling zal worden genomen had hij er redelijkerwijs rekening mee kunnen en moeten houden dat een externe commissie zijn bezwaarschrift zou behandelen. Temeer nu ISD als onvoldoende weersproken ter comparitie naar voren heeft gebracht dat de behandeling van bezwaarschriften door de ambtelijke commissie is voorbehouden voor de lichtere zaken, maar dat hier – gelet op de aard van de vaststellingsovereenkomst en het daaruit voortvloeiende besluit – sprake was van een politiek gevoelig besluit en een besluit met een aanmerkelijk (financieel) belang, hetgeen meebracht dat het bezwaarschrift werd voorgelegd aan de externe commissie. De kantonrechter is tot slot van oordeel dat [eiser] bij zijn tweede bezwaar van 30 november 2017 er al helemaal rekening mee had kunnen en moeten houden dat zijn bezwaar zou worden behandeld door de externe commissie nu hij inmiddels naar aanleiding van zijn eerste bezwaar van 13 december 2016 al op de hoogte was gesteld van de behandeling van dit bezwaar door de externe commissie. 4.3. De vraag die vervolgens rijst is of ISD door het enkele feit dat de secretaris op basis van het toepasselijke huishoudelijke reglement een bezwaarschrift met de bijbehorende stukken, waaronder de door [eiser] zelf overgelegde vaststellingsovereenkomst, voorlegt aan de externe commissie het geheimhoudingsbeding in de vaststellingsovereenkomst schendt. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Ter comparitie heeft de gemachtigde van [eiser] desgevraagd te kennen gegeven dat het aan ISD is om te zeggen wat de bedoeling van het opnemen van het geheimhoudingsbeding in de vaststellingsovereenkomst is geweest. ISD heeft vervolgens ter comparitie naar voren gebracht dat het een overeenkomst met publiek geld betrof, en dat men geprobeerd heeft om buiten de gebaande paden om een conflict met [eiser] op te lossen en dat hier sprake was van een uitzonderlijke situatie. Gelet hierop is het geheimhoudingsbeding opgenomen om de privacy van zowel [eiser] als ISD te beschermen. Nu [eiser] daar niets tegenover heeft gesteld en de uitleg van ISD naar het oordeel van de kantonrechter past bij de totstandkoming en aard van de vaststellingsovereenkomst, is de kantonrechter van oordeel dat de uitleg van ISD een redelijke uitleg van de achtergrond van het geheimhoudingsbeding is en dat het begrip ‘derden’ in het geheimhoudingsbeding in dat kader ook redelijkerwijs door partijen moet worden bezien. Dit betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat onder dit begrip derden niet een externe commissie in het kader van een bewaarschriftprocedure, dan wel een instituut als de Nationale Ombudsman (waarover hierna meer) dient te worden begrepen. Een andere uitleg zou immers betekenen dat de toegang tot een instantie die oordeelt over een bezwaar dan wel een klacht over de wijze van optreden door een bestuursorgaan zou worden beperkt als deze instantie geen kennis zou mogen nemen van een onderliggend stuk, zoals de vaststellingsovereenkomst, dat nu juist een onderdeel vormt van een door [eiser] zelf ingediend bezwaar dan wel klacht waarop [eiser] een oordeel vraagt. Daar komt bij dat, zonder nadere uitleg die ontbreekt, niet valt in te zien op welke wijze de privacy van [eiser] in het geding is nu de externe commissie in dit geval besloten hoorzittingen heeft gehouden en de Nationale Ombudsman eveneens de gegevens vertrouwelijk heeft behandeld. Geconcludeerd wordt dan ook dat ISD het geheimhoudingsbeding niet heeft geschonden door de bezwaarschriften met bijbehorende stukken, waaronder de vaststellingsovereenkomst, door een externe commissie te laten behandelen. De vorderingen van [eiser] op deze grondslag zullen dan ook worden afgewezen. Doorzending klacht naar Nationale Ombudsman 4.4. Onder 4.3. is reeds overwogen dat een redelijke uitleg van het begrip ‘derden’ in het geheimhoudingsbeding van de vaststellingsovereenkomst inhoudt dat daaronder niet een instantie als de Nationale Ombudsman kan worden verstaan. Om die reden kan de vordering van [eiser] al niet worden toegewezen. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog het volgende op. [eiser] heeft in zijn brief van 6 juli 2017 gevraagd om zijn klacht van 27 december 2016 opnieuw te behandelen. Hieruit leidt de kantonrechter af dat het hem wel duidelijk was dat zijn oorspronkelijke klacht al door de ISD was afgehandeld, zij het niet naar genoegen van [eiser]. Desgevraagd heeft [eiser] ter comparitie nog toegelicht dat zijn tweede klacht (van 6 juli 2017) ging over de afhandeling van zijn eerste klacht en dus ging over het optreden van het bestuursorgaan zelf. Met ISD is de kantonrechter van oordeel dat ISD niet anders kon dan de brief van 6 juli 2017 inclusief bijlagen (waaronder de vaststellingsovereenkomst) op grond van het bepaalde in artikel 9:18 lid 1 jo. lid 2 Awb door te zenden aan de Nationale Ombudsman, nu het een klacht betrof over de klachtafhandeling en de wijze waarop de ISD is opgetreden. Eveneens is de kantonrechter met ISD van oordeel dat het dan niet aan ISD is om regie te voeren op de inhoud van de klacht en de daarbij overgelegde stukken, maar dat zij deze dient door te zenden naar de Nationale Ombudsman. Wob-verzoeken 4.5.
[eiser] stelt dat de vaststellingsovereenkomst bij besluit van 27 maart 2018 in het kader van een besluit op Wob-verzoeken openbaar is geworden. ISD betwist dit gemotiveerd en voert aan dat ISD volledigheidshalve – om nieuwe Wob-verzoeken te voorkomen – het volledige dossier (waaronder de vaststellingsovereenkomst) aan [eiser] heeft verstrekt naast de verzochte Wob-informatie. Bij deze stand van zaken ligt het op de weg van [eiser] om nader te onderbouwen op grond waarvan de vaststellingsovereenkomst openbaar is geworden en naar de kantonrechter begrijpt de privacy van [eiser] is geschonden. Deze nadere onderbouwing ontbreekt echter. Temeer daar in het besluit van 27 maart 2018 (zie onder 2.6) duidelijk is vermeld dat naast de gevraagde informatie volledigheidshalve het volledige dossier wordt meegezonden en ISD ter comparitie als onvoldoende weersproken naar voren heeft gebracht dat [eiser] nooit om openbaarmaking van de vaststellingsovereenkomst heeft verzocht, ISD dit zelf ook niet heeft gedaan en de vaststellingsovereenkomst ook geen onderdeel uitmaakt van de verstrekte informatie in het kader van de Wob-verzoeken. [eiser] wijst nog op artikel 6.5 van de Wob, maar zonder nadere uitleg, die ontbreekt, valt niet in te zien op welke wijze dit tot een ander oordeel zou moeten leiden. 4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen en [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld. Beslissing
De kantonrechter: - wijst de vorderingen af; - veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van ISD begroot op € 1.440,00 voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde btw; - verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.M. de Bruijn en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2019.