Huurrecht. Ontbinding huurovereenkomst woonruimte en ontruiming i.v.m. illegale prostitutie en niet-nakoming verplichting hoofdverblijf.
Rechtbank Den Haag 29 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28031
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2026
Datum publicatie
29-07-2026
Zaaknummer
K/4502/11834156
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28031text/xmlpublic2026-07-29T16:30:102026-07-15Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:24913Rechtbank Den Haag2025-12-18K/4502/11834156UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLDen HaagCiviel rechtCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28031text/htmlpublic2026-07-29T16:00:072026-07-29Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28031 Rechtbank Den Haag , 18-12-2025 / K/4502/11834156 Huurrecht. Ontbinding huurovereenkomst woonruimte en ontruiming i.v.m. illegale prostitutie en niet-nakoming verplichting hoofdverblijf.
RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag ME (B/C)
Zaaknummer: 11834156 RL EXPL 25-14860 Vonnis van 18 december 2025 in de zaak van STICHTING WOONBRON,
te Rotterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonbron,
gemachtigde: mr. N.J. Glen-Boedhram, tegen
[gedaagde partij]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: Z. Ahmadiniaz. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 augustus 2025 met productie 1 t/m 10;- de conclusie van antwoord van 12 augustus 2025 met productie 1 t/m 17;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende producties 11 t/m 17 van Woonbron;
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten2.1. Stichting Woonbron verhuurt met ingang van 24 juni 2013 aan [gedaagde partij] de woning aan het adres [adres] (hierna: de huurwoning). De huur bedraagt € 543,89 per maand. 2.2. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van Woonbron van toepassing. Daarin staat vermeld dat de huurder verplicht is om de huurwoning als hoofdverblijf te gebruiken (artikel 8.2), dat de huurder de huurwoning niet mag gebruiken als seksinrichting (artikel 8.5) en dat de huurder in de huurwoning geen bedrijf mag uitoefenen (artikel 8.5). 2.3. In een brief van 22 augustus 2024 heeft Woonbron aan [gedaagde partij] op zijn verzoek toestemming gegeven om de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) in de huurwoning te laten inwonen. 2.4. Op 25 april 2025 heeft Woonbron een melding gekregen van een waterlekkage in de woning die is gelegen onder de huurwoning. Naar aanleiding hiervan heeft de heer [naam 2] , medewerker van Woonbron (hierna: [naam 2] ), op die dag een bezoek gebracht aan de huurwoning. In een schriftelijke verklaring van [naam 2] staat hierover, voor zover relevant: “Op 25 april 2025 was ik op locatie [de huurwoning, toevoeging kantonrechter] en constateerde ik een vreemde situatie binnen in het huis vermoedelijk prostitutie omdat de hoofdhuurder niet aanwezig was, alleen twee dames die niet Nederlands spraken of Engels (vermoedelijk Spaanstalig). Zij konden niet verklaren waarom ze er waren. Sommige kamerdeuren stonden op slot. Later belde bewoonster een andere mevrouw welke vertelde over de woning te gaan. Zij stond opgeslagen in haar telefoon als “Love Casa Delft new”, waarna mijn vermoeden werd bevestigd.” 2.5. Op 29 april 2025 hebben mevrouw [naam 3] , medewerker van Woonbron (hierna: [naam 3] ), en de heer [naam 4] , de wijkagent (hierna: [naam 4] ), een bezoek gebracht aan de huurwoning. [naam 3] heeft van haar bevindingen een verslag opgesteld. Daarin staat, voor zover relevant: “(…)
Verslag Huisbezoek – 29 april 2025 van [naam 3] , (…)
Vanwege deze signalen ben ik op 29 april 2025 samen met wijkagent [naam 4] opnieuw naar de woning gegaan. Bij aankomt werden wij aangesproken door buurtbewoners. Zij uitten hun zorgen over verdachte activiteiten rondom de woning. Volgens hen verblijven er geregeld onbekende mannen in de woning, die vaak op verschillende tijdstippen vertrekken. Ook merkten zij dat de voordeur vaak op afstand wordt geopend. Bij aankomst zagen wij beweging achter het gordijn, maar er werd in eerste instantie niet opengedaan. Nadat wij telefonisch contact kregen met de heer [gedaagde partij] werd de deur geopend door een Spaanssprekende vrouw.
(…)
Met behulp van Google Translate heb ik een gesprek gevoerd met de vrouw. Zij legitimeerde zich en bleek afkomstig uit de Dominicaanse Republiek. (…)
Zij verklaarde eerder in deze woning te zijn geweest voor soortgelijke periodes van ongeveer vier dagen. Tijdens het gesprek bevestigde zij dat zij werkzaam is als prostituee, zonder de benodigde vergunningen. (…)
Daarnaast meldde zij dat er nog een andere vrouw in de woning verbleef, maar dat die zich op dat moment elders in Delft bevond. De wijkagent heeft de woning geïnspecteerd. Tijdens de inspectie zijn geen persoonlijke eigendommen aangetroffen van de huurder, wat overeenkomst met eerdere bevindingen.
(…)” 2.6. Ook [naam 4] heeft van zijn bevindingen een verslag opgesteld. Daarin staat, voor zover relevant: “Op dinsdag 29 april 2025 ben ik samen met de Woningbouwcoöperatie Woonbron op huisbezoek geweest op genoemd adres. Woonbron was ongeveer een week eerder ter plaatse voor het herstellen van een lekkage bij de benedenburen. Op het moment dat zij bij genoemd adres naar binnen gingen voor herstelwerkzaamheden was het opvallend dat er twee zuid Europees uitziende dames binnen in de woning waren. Zij spraken verder geen woord Nederlands of Engels. Ze spraken Spaans. Aangezien wij op dit adres ook al meerdere meldingen hebben gehad over mogelijke prostitutie zijn we samen aan de bel gegaan. Er werd niet opengedaan op herhaaldelijk kloppen en bellen. Wel zag ik op de eerste etage dat de gordijnen bewogen. Ik hoorde ook van de buren dat er sowieso 1 dame binnen moest zijn want die hadden ze met een koffer aan zien komen. Uiteindelijk telefonisch gesproken met [gedaagde partij] , de hoofdbewoner, en uitgelegd dat wij voor de deur stonden met de Woningbouw en dat we graag naar binnen wilde om het een en ander te controleren. Duidelijk gemaakt aan [gedaagde partij] dat er mensen binnen waren omdat ik beweging had gezien bij het bellen en kloppen. [gedaagde partij] gaf aan dat hij binnen 15 minuten ter plaatse konden komen. Aangegeven dat dit prima was maar dat de bewoner wel alvast open kon doen. Uiteindelijk werd de voordeur geopend door een Zuid Europees uitziende dame in een zwarte legging en rood shirt. Ik vroeg of wij binnen mochten komen. Ik hoorde dat de vrouw aangaf alleen Spaans te spreken. Samen met de Woningbouw de woning binnen gegaan. Hoofdbewoner niet aanwezig, de aanwezige dame vertelde ons al snel dat ze inderdaad werkt als prostitué.
(…) Aanvulling HEIT Na enkele klachten op genoemd adres is woningcorporatie WOONBRON gezamenlijk met politie/ wijkagent [naam 4] aan de bel gegaan.
Op verzoek is het HEIT tp gekomen en zijn wij in gesprek gegaan met de desbetreffende dame in kwestie. In de woning was één slaapkamer ingericht als zijnde werkplek, in de slaapkamer aangetroffen rol keukenpapier, babyolie en condooms. In de prullenbak in de aangrenzende badkamer lagen meerdere vellen gebruikte keukenpapier en een gebruikte condoom.
Tevens op de overloop een camera aangetroffen. (…) Middels een Spaanse tolk (#145) hebben wij [naam 5] gesproken. Zij gaf het volgende kort weergegeven aan: - dat zij een actieve advertentie had totdat de politie aan de bel kwam.
- dat zij toen haar vriendin heeft geappt om de advertentie offline te halen en vervolgens zijn deze berichten te verwijderen.
(…)
- dat zij sinds gisteren in de woning verblijft en morgen weer vertrekt
(…)
- dat zij de woning heeft verkregen via een whatsapp groep
(…)
- dat zij 100 euro per dag betaalt voor deze woning
- dat zij de sleutel op een geheime plek heeft aangetroffen
- dat er iemand aan de deur kwam om geld te innen voor de 2 overnachtingen
- dat zij niet goed heeft opgelet hoe hij er uit zag
(…)
- dat haar werknaam [werknaam] is, via KINKY adverteert
- dat zij al klanten heeft ontvangen op dit adres Tijdens gesprek met sekswerker arriveerde ingeschrevene [gedaagde partij] geboren [geboortedatum] 1981, deze hebben wij buiten de woning gesproken.
(…)” 2.7. Op 13 mei 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 2] en [naam 3] enerzijds en [gedaagde partij] anderzijds. In een notitie van Woonbron staat hierover, voor zover relevant: “Tijdens het gesprek hebben de heer [gedaagde partij] geconfronteerd met hetgeen wij hebben aangetroffen in de woning, illegale prostitutie. De heer gaf aan dat hij niet in de woning woont, maar zijn vriend de heer [naam 1] . Hij gaf aan dat hij elders woonde wegens ziekte. En hij gaf aan dat hij niet wist wat er in de woning gebeurde.” 2.8. In het Handelsregister staat geregistreerd dat [gedaagde partij] een eenmanszaak heeft met als vestigingsadres [adres] . De bedrijfsactiviteiten zijn in het Handelsregister als volgt omschreven: “Het organiseren van evenementen alsmede aanverwante activiteiten. Produceren van muziekvideo's. Het maken van boeketten. Entertainer. Taekwondo coach. Het bouwen, afwerken en verbouwen van gebouwen over het algemeen. Dit op het gebied van stukadoren, egaliseren, schilderen, metselen en voegen, het plaatsen en/of afwerken van bouwinstallaties als sanitaire voorzieningen en het loodgieterswerk.” 3Het geschil3.1. Woonbron vordert, samengevat weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de huurovereenkomst ontbindt;
[gedaagde partij] veroordeelt om de huurwoning binnen vijf dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;
[gedaagde partij] veroordeelt om aan Woonbron een gebruiksvergoeding te betalen van € 543,89 per maand tot het moment dat de huurwoning is ontruimd,
een en ander met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente over de proceskosten. 3.2. Woonbron legt aan de vorderingen ten grondslag dat [gedaagde partij] in zijn verplichtingen als huurder is tekortgeschoten door de huurwoning te laten gebruiken voor prostitutie, door de huurwoning niet als hoofdverblijf te gebruiken en ten slotte door de huurwoning te gebruiken voor de bedrijfsactiviteiten van zijn eenmanszaak. Deze tekortkomingen rechtvaardigen volgens Woonbron de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de huurwoning. 3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] betwist dat de huurwoning is gebruikt voor prostitutie. Als dat toch is gebeurd, dan is niet hij maar [naam 1] daarvoor verantwoordelijk. Verder betwist [gedaagde partij] dat hij niet zijn hoofdverblijf in de huurwoning heeft. Ten slotte betwist hij dat hij in de huurwoning bedrijfsactiviteiten verricht. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Juridisch kader 4.1. Het uitgangspunt is dat [gedaagde partij] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [gedaagde partij] zich moet houden aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Indien [gedaagde partij] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het geschil 4.2. Het geschil tussen partijen gaat over de vraag of de stellingen van Woonbron – over a) prostitutieactiviteiten in de huurwoning, b) het hoofdverblijf van [gedaagde partij] en c) het verrichten van (overige) bedrijfsactiviteiten in de huurwoning – feitelijk vaststaan en zo ja, of dat tekortkomingen zijn die rechtvaardigen dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. De beoordeling van de feiten 4.3. Naar het oordeel van de kantonrechter staat voldoende vast dat de huurwoning is gebruikt voor prostitutie. Ook staat voldoende vast dat [gedaagde partij] de huurwoning niet als hoofdverblijf gebruikt. Dit wordt hierna toegelicht. Prostitutie 4.4. Op grond van art. 149 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de rechter feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn betwist, als vaststaand aannemen. 4.5. Woonbron heeft haar stellingen over de prostitutie in de huurwoning toegelicht en onderbouwd met verwijzing naar onder meer de bevindingen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Uit het verslag van [naam 3] en het verslag van [naam 4] blijkt dat op 29 april 2025 een sekswerker in de huurwoning aanwezig was voor het verrichten van prostitutie. Verder volgt uit de verslagen dat deze sekswerker heeft verteld dat zij al vanaf 28 april 2025 in de huurwoning verbleef, dat zij daar nog zou blijven tot 30 april 2025 en dat zij in de tussentijd al meerdere klanten in de huurwoning had ontvangen. Daarnaast heeft [naam 4] in zijn verslag ook eigen waarnemingen beschreven die wijzen op prostitutieactiviteiten, waaronder de aanwezigheid van een camera op de overloop, condooms en een rol keukenpapier in de slaapkamer en een gebruikt condoom en gebruikte vellen keukenpapier in de prullenbak in de aangrenzende badkamer. 4.6. Uit de door Woonbron overgelegde stukken blijkt bovendien dat de prostitutieactiviteiten ook in een breder verband en al langere tijd gaande zijn. Zo staat in het verslag van [naam 3] dat de op 29 april 2025 aanwezige sekswerker heeft verteld dat er ook een andere vrouw in de huurwoning verblijft en verder dat zij zelf al eerder periodes van enkele dagen in de huurwoning heeft doorgebracht, kennelijk voor het verrichten van prostitutie. Verder blijkt uit het verslag van [naam 2] dat ook al op een eerder moment (25 april 2025) twee vrouwen in de huurwoning zijn aangetroffen die geen Nederlands of Engels spraken. De contactpersoon met betrekking tot de huurwoning stond in de telefoon van een van de vrouwen opgeslagen onder de noemer ‘love casa Delft new’. Een en ander wijst erop dat ook de op 25 april 2025 aanwezige vrouwen zich met prostitutie bezig hielden. Ten slotte staat in de verklaring van [naam 4] dat ook de politie al eerder meerdere meldingen heeft gekregen over vermoedelijke prostitutie in de huurwoning. 4.7.
[gedaagde partij] heeft in reactie hierop ontkend dat de huurwoning is gebruikt voor prostitutie, maar hij heeft verder niets inhoudelijks aangevoerd ter betwisting van de concrete en gedetailleerd beschreven bevindingen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Deze reactie van [gedaagde partij] is niet toereikend om te gelden als voldoende betwisting in de zin art. 149 Rv. Dat betekent dat de kantonrechter de door Woonbron gestelde feiten over de prostitutie als vaststaand aanneemt. 4.8.
[gedaagde partij] heeft op de mondelinge behandeling wel nog verzocht om de omwonenden die volgens Woonbron anonieme verklaringen hebben afgelegd over (het vermoeden van) prostitutieactiviteiten in de huurwoning en de persoon met wie medewerkers van Woonbron op 30 oktober 2025 in de huurwoning hebben gesproken, als getuige te laten horen. De kantonrechter ziet daartoe geen aanleiding, reeds om de reden dat, zoals uit het voorgaande volgt, deze (anonieme) verklaringen bij de beoordeling niet in aanmerking zijn genomen. Hoofdverblijf 4.9. Met betrekking tot het hoofdverblijf heeft de huurder op grond van vaste jurisprudentie een verzwaarde motiveringsplicht. Dat betekent dat, hoewel de verhuurder de bewijslast draagt van de stelling dat een huurder in de huurwoning niet zijn hoofdverblijf heeft, de huurder wel zoveel mogelijk feitelijke gegevens moet verstrekken ter motivering van zijn standpunt dat hij wel zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde. De achtergrond daarvan is, dat het voor de verhuurder moeilijker is om aan te tonen waar de huurder woont dan voor de huurder. Als de huurder in reactie op de stelling van de verhuurder onvoldoende feitelijke gegevens verstrekt, moet de rechter de stelling van de verhuurder als onvoldoende betwist als vaststaand aannemen. 4.10. Woonbron heeft haar stelling dat [gedaagde partij] in de huurwoning niet zijn hoofdverblijfplaats heeft, toegelicht onder verwijzing naar de door Woonbron in de huurwoning geconstateerde prostitutieactiviteiten. Dat wijst erop dat [gedaagde partij] de huurwoning voor iets anders gebruikt dan om er te wonen. Verder staat in het verslag van [naam 3] dat bij het bezoek aan de huurwoning op 29 april 2025 geen persoonlijke spullen van [gedaagde partij] zijn aangetroffen. Ten slotte staat in de hiervoor in 2.7 geciteerde notitie dat [gedaagde partij] op 19 mei 2025 in een gesprek met [naam 2] en [naam 3] ook zelf heeft gezegd dat hij niet in de huurwoning woont. 4.11. In reactie hierop heeft [gedaagde partij] naar voren gebracht dat hij in de Basisregistratie Personen op het adres van de huurwoning staat ingeschreven en dat in de huurwoning energie wordt verbruikt. Volgens [gedaagde partij] blijkt daaruit dat hij in de huurwoning woont. Verder heeft [gedaagde partij] gesteld dat hij in verband met een burn-out gedurende enige tijd in Canada heeft verbleven, maar dat dit niet betekent dat hij in de huurwoning niet zijn hoofdverblijf heeft. 4.12. Naar het oordeel van de kantonrechter schiet deze reactie tekort. Uit de inschrijving in de Basisregistratie Personen volgt niet zonder meer dat [gedaagde partij] ook feitelijk in de huurwoning woont. Uit het gestelde energiegebruik blijkt dat evenmin. Omdat er kennelijk ook andere personen, onder wie volgens [gedaagde partij] ook [naam 1] , in de huurwoning verblijven, kan niet zonder meer worden aangenomen dat [gedaagde partij] degene is die in de huurwoning energie heeft verbruikt en dus daar woont. De stelling over een tijdelijk verblijf in Canada heeft [gedaagde partij] niet geconcretiseerd, laat staan onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van vliegtickets. Ook aan de hand van die stelling kan dus niets worden afgeleid ten aanzien van zijn hoofdverblijf. Ten slotte heeft [gedaagde partij] ook nagelaten om op een andere manier inzichtelijk te maken dat hij in de huurwoning woont, bijvoorbeeld door foto’s over te leggen van zijn interieur en persoonlijke spullen in de huurwoning. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [gedaagde partij] aan de verzwaarde motiveringsplicht niet heeft voldaan. Daarom wordt als vaststaand aangenomen dat [gedaagde partij] in de huurwoning niet zijn hoofdverblijf heeft. Overige bedrijfsactiviteiten 4.13. De stelling van Woonbron dat [gedaagde partij] de huurwoning naast de prostitutieactiviteiten (ook) heeft gebruikt voor de bedrijfsactiviteiten van zijn eenmanszaak, wat [gedaagde partij] betwist, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat het adres van de huurwoning in het Handelsregister is vermeld als vestigingsadres van de eenmanszaak van [gedaagde partij] , is onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde partij] in de huurwoning daadwerkelijk bedrijfsmatige activiteiten verricht. De beoordeling van de vordering tot ontbinding en ontruiming 4.14. Al met al staat vast dat dat de huurwoning is gebruikt voor prostitutie en dat [gedaagde partij] in de huurwoning niet zijn hoofdverblijf heeft. Dat is in strijd met art. 8.5 respectievelijk 8.2 van de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst. Een en ander is daarnaast in strijd met de eisen van goed huurderschap als bedoeld in art. 7:213 BW. De prostitutie vond bovendien kennelijk plaats zonder een daartoe vereiste vergunning van de gemeente Delft, wat betekent dat in zoverre de activiteiten en het gebruik van de huurwoning ook in strijd waren met (lokale) wet- en regelgeving. 4.15. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn dit tekortkomingen die samen, maar ook afzonderlijk, rechtvaardigen dat de huurovereenkomst wordt ontbonden (en de huurwoning ontruimd). Woonbron heeft daarbij ook voldoende belang. Het ligt op haar weg om erop toe te zien dat de huurwoning overeenkomstig haar bestemming wordt gebruikt. Verder heeft zij als verhuurder een verantwoordelijkheid om waar mogelijk te voorkomen dat in haar woning illegale activiteiten plaatsvinden, mede ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Tegenover deze belangen zijn door [gedaagde partij] geen belangen aangevoerd die aan ontbinding van de huurovereenkomst in de weg staan. Het verlies van de huurwoning is inherent aan een ontbinding en is bovendien een direct en voorzienbaar gevolg van zijn eigen tekortkomingen. De stelling van [gedaagde partij] dat [naam 1] voor de prostitutieactiviteiten verantwoordelijk is, legt ten slotte geen gewicht in de schaal. Ook als het zo zou zijn dat [naam 1] bij de prostitutieactiviteiten betrokken is, is [gedaagde partij] daarvoor op gelijke wijze als voor zijn eigen gedragingen aansprakelijk (art. 7:219 BW). 4.16. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde partij] zal worden veroordeeld de huurwoning te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen. Gebruiksvergoeding 4.17. De vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding over de periode tot de ontruiming heeft een grondslag in art. 7:225 BW en is niet weersproken. De kantonrechter zal deze vordering toewijzen. Proceskosten 4.18.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonbron worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 135,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) Totaal € 689,14 4.19. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Uitvoerbaar bij voorraad 4.20. Het vonnis zal ten slotte uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Zoals door Woonbron toegelicht, is haar belang daarbij dat de tekortkomingen onmiddellijk worden beëindigd en de huurwoning meteen beschikbaar kan worden gesteld voor woningzoekenden. Dat is een zwaarwegend belang. Dat, zoals [gedaagde partij] heeft aangevoerd, een onmiddellijke ontruiming onomkeerbare gevolgen kan hebben, heeft de kantonrechter in de belangafweging betrokken, maar dat is tegenover het belang Woonbron van onvoldoende gewicht om tot een andere uitkomst te kunnen leiden. Dit geldt temeer nu, zoals hiervoor is overwogen, [gedaagde partij] in de huurwoning niet zijn hoofdverblijf heeft. 5De beslissing De kantonrechter 5.1. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] , 5.2. veroordeelt [gedaagde partij] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woonbron zijn, en de sleutels af te geven aan Woonbron, 5.3. veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van € 543,89 per maand tot en met de dag dat de ontruiming plaatsvindt, 5.4. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 689,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.5. veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025. Artikel 7:213 BW. Artikel 6:265 BW.