asiel. opvolgende aanvraag. beroep niet-ontvankelijk. geen procesbelang want geen beroepsgronden ingediend
Rechtbank Den Haag 7 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28040
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-07-2026
Datum publicatie
07-08-2026
Zaaknummer
NL25.52240 en NL25.52241
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28040text/xmlpublic2026-08-07T10:32:052026-07-21Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-12-10NL25.52240 en NL25.52241UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigVoorlopige voorzieningNLDen HaagBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28040text/htmlpublic2026-08-07T10:31:392026-08-07Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28040 Rechtbank Den Haag , 10-12-2025 / NL25.52240 en NL25.52241 asiel. opvolgende aanvraag. beroep niet-ontvankelijk. geen procesbelang want geen beroepsgronden ingediend
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.52240 (beroep) en NL25.52241 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. P.M. Langereis), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Erdal). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. 1.1. Eiseres heeft op 13 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 november 2025 op zitting behandeld. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft op 13 oktober 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres Europees onderdaan is. Daarnaast heeft eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van haar aanvraag. Procesbelang
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiseres de gronden van het beroep niet heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het beroepschrift de gronden van beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, kan ingevolge artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 5. Eiseres heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift van 26 oktober 2025. De rechtbank heeft op 18 november 2025 telefonisch contact gehad met de gemachtigde van eiseres met de vraag of gemachtigde nog voornemens was om gronden in te dienen. Daarbij is aan gemachtigde van eiseres medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De gemachtigde van eiseres heeft op 25 november 2025 in het digitale dossier het bericht geplaatst dat zij geen gronden meer zal indienen. 6. De rechtbank zal het beroep dan ook met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van de beroepsgronden. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. 8. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is er geen aanleiding om het verzoek tot een voorlopige voorziening verder te behandelen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.