Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2025:28047

Asiel afgewezen als kennelijk ongegrond, Turkije. De minister hoefde niet te motiveren of eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Eiser heeft geen oprechte inspanning geleverd zijn asielrelaas met objectieve bewijsstukken te staven en zich niet zo spoedig mogelijk gemeld voor asiel. Het gehoor is zorgvuldig verlopen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat de minister de ...

Rechtbank Den Haag 30 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:28047 text/xml public 2026-07-30T12:45:26 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-08-04 NL25.17388 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28047 text/html public 2026-07-30T12:44:33 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:28047 Rechtbank Den Haag , 04-08-2025 / NL25.17388
Asiel afgewezen als kennelijk ongegrond, Turkije. De minister hoefde niet te motiveren of eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Eiser heeft geen oprechte inspanning geleverd zijn asielrelaas met objectieve bewijsstukken te staven en zich niet zo spoedig mogelijk gemeld voor asiel. Het gehoor is zorgvuldig verlopen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat de minister de medische problematiek onvoldoende gemotiveerd heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat de medische beperkingen en de daarmee samenhangende verklaringsmoeilijkheden onvoldoende zwaar heeft betrokken en niet adequaat gemotiveerd waarom de tegenstrijdige verklaringen zwaar worden meegewogen. Het beroep is gegrond, de minister moet een nieuw besluit nemen, veroordeling in proceskosten.

uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.17388

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: Dhr. W.M.A. van Hoof). Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 8 juni 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1982] . De minister heeft met het bestreden besluit van 8 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Arpat als tolk en de gemachtigde van de minister.

1 Vreemdelingenwet 2000
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is Koerd en is van 2010 tot 2011 betrokken bij de HADEP en HDP. Hij is daar nu niet meer bij betrokken, maar heeft wel altijd problemen gehad met de politie in [plaats] . Na de coup zijn deze problemen met de terroristen bestrijdingsdienst alleen maar verergerd. Eiser had al problemen met de baas van deze dienst, genaamd [naam 1] . Hij is door zijn team mishandeld, vernederd en gediscrimineerd. Eiser vermoedt dat vier van zijn vrienden door of in opdracht van [naam 1] zijn vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

a) De identiteit, nationaliteit en herkomst;

b) De betrokkenheid bij de HDP en de politieke overtuiging van eiser;

c) De problemen met [naam 1] en het terrorismebestrijdingsteam;

d) De discriminatie vanwege de etniciteit van eiser.

5. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst en de discriminatie vanwege de etniciteit van eiser geloofwaardig zijn. De betrokkenheid bij de HDP en de politieke overtuiging van eiser zijn deels geloofwaardig, maar de door eiser ondervonden problemen met [naam 1] en het terrorismebestrijdingsteam zijn niet geloofwaardig bevonden. De minister werpt eiser tegen dat hij zijn asielmotief niet met objectieve documenten heeft onderbouwd, zoals vereist op grond van artikel 31, zesde lid, onder c en d, Vreemdelingenwet (Vw). Dit leidt ertoe dat de minister alsnog beoordeelt of de asielmotieven op andere gronden aannemelijk zijn. Verder vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel.

De minister volgt eiser in zijn stelling dat hij betrokken is geweest bij de HDP en dat hij heeft geholpen bij het organiseren van de Newroz-vieringen en politieke bijeenkomsten. Echter, het wordt niet aannemelijk geacht dat eiser hierdoor politieke vervolging zal ondervinden bij terugkeer naar Turkije. Gelet op het tijdsverloop sinds 2011, het feit dat eiser zonder problemen een paspoort heeft verkregen en het land legaal heeft verlaten in 2023, acht de minister het niet aannemelijk dat eiser door zijn HDP-activiteiten in negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten zal komen.

Wat betreft de vrees voor discriminatie vanwege zijn Koerdische afkomst, erkent de minister dat eiser bij terugkeer mogelijk met racistische bejegening te maken zal krijgen. Echter, deze vorm van discriminatie wordt beoordeeld aan de hand van paragraaf 3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), waarin wordt gesteld dat de ondergrens van discriminatie wordt gevormd door het niet langer kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Omdat eiser altijd heeft kunnen werken, onderwijs heeft gevolgd, toegang had tot medische zorg en officiële documenten zoals een paspoort en identiteitskaart heeft verkregen, wordt deze ondergrens niet bereikt. Daarom wordt de vrees van eiser niet als voldoende zwaarwegend aangemerkt.

Gezien het bovenstaande krijgt eiser geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Daarnaast is geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije vastgesteld, zodat ook geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw wordt toegekend. Eiser is geen gezinslid van een

asielvergunninghouder en komt daarmee ook niet in aanmerking voor een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, Vw.

Bovendien heeft eiser niet onmiddellijk asiel aangevraagd, waardoor zijn aanvraag kennelijk ongegrond is verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, Vw. Een reguliere verblijfsvergunning wordt niet toegekend omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor bijzondere individuele omstandigheden, zoals genoemd in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw. Ook wordt geen uitstel van vertrek om medische redenen verleend (artikel 64, Vw), omdat eiser niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden.

De minister legt daarom een terugkeerbesluit op conform paragraaf A3/3.3 van de Vreemdelingencirculaire, aangezien eiser zich niet tijdig heeft gemeld voor het indienen van zijn asielaanvraag. Tevens wordt een inreisverbod van twee jaar opgelegd, zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder h, Vw.

Toetsingskader geloofwaardigheid

6. De rechtbank stelt voorop dat de minister sinds 1 juli 2024 een nieuwe werkinstructie heeft, WI 2024/6 ‘Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)’. WI 2024/6 is van toepassing op het besluit van eiser. Volgens WI 2024/6 stelt de minister in de beoordeling eerst de asielmotieven vast en ligt de nadruk op het staven van het asielmotief

met documenten. Als een asielmotief niet met documenten wordt onderbouwd voert de minister een geloofwaardigheidsbeoordeling uit waarbij moet worden voldaan aan de cumulatieve voorwaarden voor het geloofwaardig achten van verklaringen van artikel 31, zesde lid, van de Vw.

Voordeel van de twijfel

7. Eiser voert aan dat de eis van de minister om bewijsstukken te overleggen ten onrechte te streng is gehanteerd en dat hierdoor onvoldoende rekening is gehouden met het voordeel van de twijfel waarop hij aanspraak maakt. Volgens eiser wordt dit voordeel niet genoemd of besproken in het besluit, terwijl het op grond van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), namelijk de zaken Saadi v. Italy en

J.K. en anderen v. Zweden en het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 12 april 2024 noodzakelijk is om het voordeel van de twijfel te geven wanneer sprake is van een arguable claim en wanneer alle beschikbare bewijsstukken zijn aangeleverd en beoordeeld.i Het UNHCR-handboek ondersteunt dit en benadrukt dat asielzoekers vaak niet over alle formele documenten beschikken, zeker niet in kwetsbare situaties. Eiser stelt dat de minister daarom een zorgvuldige en welwillende beoordeling moet maken waarbij ook verklaringen van derden worden meegewogen, conform de beleidsregels van de WI 2018/9. Daarnaast benadrukt eiser dat het ontbreken van bepaalde officiële bewijsstukken niet aan hem kan worden toegerekend, omdat hij ondanks medische beperkingen oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn verhaal te staven. Volgens eiser is het oordeel van de minister dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen onvoldoende gemotiveerd, mede omdat hij in de procedure op onrechtmatige wijze op achterstand is gesteld en de minister niet de vereiste zorgvuldigheid en samenwerkingsplicht in acht heeft genomen.

8. De rechtbank oordeelt dat de minister niet was gehouden om te motiveren of eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegund, aangezien dit pas aan de orde is als wordt voldaan aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. De minister heeft niet

ten onrechte overwogen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn asielrelaas te staven. De minister heeft eiser verder kunnen tegenwerpen dat hij zich niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld om asiel in te dienen. Eiser had immers een netwerk in Nederland en voldoende voorbereidingstijd. De rechtbank wijst in dat verband op wat hierna wordt overwogen. De beroepsgrond slaagt niet.

Geloofwaardigheid asielrelaas

Onderbouwing met objectieve documenten

9. Eiser heeft, om zijn asielaanvraag te onderbouwen zijn identiteitskaart, rijbewijs, een foto van een zwaargewonde man, een screenshot van een foto met een man, foto’s van drie mannen en een screenshot van social media met drie personen overlegd. Eiser stelt dat uit deze foto’s moet blijken dat de mannen op de foto’s vermoedelijk door [naam 1] zijn vermoord, omdat zij hebben geweigerd voor hem te spioneren. Eiser voert aan dat hij oprechte inspanningen heeft geleverd om aan zijn bewijsplicht te voldoen, waarbij hij wijst op de zaak Saadi, waarin is bepaald dat bij het bestaan van een arguable claim en voldoende bewijs, de bewijslast verschuift naar de overheid om twijfels weg te nemen.ii Ook verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond waarin wordt benadrukt dat vanwege de beperkte bewijspositie van eiser, de minister zijn samenwerkingsplicht moet nakomen.iii Eiser benadrukt ook dat het vereiste om objectieve documenten te overleggen niet in lijn is met het Unierecht, zoals eveneens is onderkend in een andere uitspraak van zittingsplaats Roermond van 18 februari 2025. iv Eiser stelt dat het EHRM deze lijn volgt, onder meer in de zaak J.K. v. Zweden. Daarnaast wijst eiser op het beleid in de Wijzigingsinstructie 2018/9, waarin is vastgelegd dat verklaringen van derden altijd meegewogen moeten worden, tenzij gemotiveerd is waarom dat niet gebeurt. Dit geldt ook voor informatie die de minister via ketenpartners verkrijgt. Volgens eiser heeft de minister nagelaten een integrale beoordeling te maken waarin zijn inspanningen en het overgelegde bewijs, waaronder verklaringen van derden, in samenhang met de landeninformatie voldoende zijn betrokken.

Met betrekking tot de foto’s en bewijzen over de moorden op zijn vrienden, stelt eiser dat deze voldoende zijn om een begin van bewijs te vormen voor zijn vrees en dat de minister ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn toelichtingen en de bevestiging van zijn broer over het gevaar. Hij wijst erop dat hij in bewijsonmacht verkeert en dat een identificerend document van de vermoorde personen niet redelijk kan worden verlangd.

Verder voert eiser aan dat hij ondanks herhaalde pogingen geen toegang heeft kunnen krijgen tot het e-Devlet-systeem, omdat hiervoor een persoonlijke code vereist is die alleen aan hem kan worden verstrekt en niet aan derden. Ook met hulp van zijn broer, die hierover contact heeft gezocht en hierover een bericht stuurde op 22 juni 2025, is het niet gelukt toegang te verkrijgen. Dit valt onder de bewijsonmacht, waarmee eiser voldoende heeft aangetoond dat hij oprechte inspanningen heeft verricht om toegang tot het systeem te krijgen. Het tegenwerpen van het niet overleggen van bewijsstukken op grond van artikel 31, zesde lid, sub a is onterecht, temeer daar de minister zich daarbij alleen heeft gebaseerd op argumenten over e-Devlet en boetes, terwijl wel bewijsstukken zijn aangeleverd over de kern van het relaas, zoals de moorden op de vrienden van eiser.

10. De rechtbank oordeelt dat de minister mag tegenwerpen dat eiser niet voldoende inspanning heeft geleverd om toegang te verkrijgen tot e-Devlet en andere objectieve bewijsstukken om zijn asielrelaas te staven. Daarbij wijst de minister op het Ambtsbericht Turkije 2022, waarin wordt beschreven dat gebruikers van e-Devlet een nieuwe code

kunnen aanvragen via een mobiele telefoon als hun telefoonnummer of e-mailadres is ingevoerd, en dat dit ook mogelijk is via internetbankieren door in te loggen bij de Turkse bank en een nieuwe code aan te vragen. Uit de Ambtsberichten 2023 en 2025 blijkt niet dat deze mogelijkheden zijn komen te vervallen. Eiser heeft ook niet aangetoond dat hij de stappen uit dit ambtsbericht heeft ondernomen. De minister concludeert dat het enkel vragen van de broer van eiser niet kan worden beschouwd als een oprechte inspanning om de aanvraag te onderbouwen. De minister heeft aan zijn samenwerkingsplicht voldaan door de verschillende mogelijkheden om toegang tot e-Devlet te verkrijgen te betrekken in zijn beoordeling en door de verklaring van de broer mee te wegen. Die verklaring is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat eiser voldoende inspanningen heeft verricht. Gelet op de toegelichte mogelijkheden in het ambtsbericht mocht van eiser meer worden verwacht. De minister mocht ook concluderen dat uit de overlegde foto’s niet blijkt wie dit zijn en of zij inderdaad zijn vervolgd en vermoord door [naam 1] . De rechtbank oordeelt dan ook dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser onvoldoende heeft voldaan aan zijn verplichting tot het leveren van bewijsstukken. Daarmee is de minister in redelijkheid tot het oordeel gekomen dat de inspanningen van eiser tekortschoten.

Samenhang en aannemelijkheid van de verklaringen

11. Eiser verwijst naar het referentiekader zoals dit blijkt uit het medisch advies en het bestreden besluit: eiser is een 42-jarige Turks-Koerdische man met basisonderwijs en enkele jaren middelbaar onderwijs, voormalig chauffeur en landarbeider, zonder partner en kinderen, die tot kort voor vertrek bij zijn ouders woonde en kampt met verschillende medische klachten, maar wel kan worden gehoord. Van hem mag verwacht worden dat hij consistent en eenduidig kan verklaren over zijn situatie en vertrek.

Tijdens het nader gehoor heeft eiser gezegd dat hij last had van zijn penis, dat hij ‘op slot sloeg’ en dat zijn hersenen door zijn medische problematiek ‘even niet werkten’. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn relaas ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft onterecht geconcludeerd dat eiser wisselend verklaard zou hebben.

Eiser verwijst concreet naar zijn zienswijze waarin hij uitlegt dat zijn problemen zich in fasen hebben ontwikkeld: na het eerste incident ontstonden problemen met [naam 1] , waarna na het tweede incident de situatie escaleerde met bedreigingen en het verlies van zijn rijbewijs. Dit is volgens eiser geen wisseling van verklaringen, maar een chronologische ontwikkeling. Ten aanzien van het citaat uit het nader gehoor op pagina 11 geeft eiser aan dat de minister ten onrechte veronderstelt dat zijn verklaringen betrekking hebben op zijn betrokkenheid bij de HDP. Eiser stelt dat het gaat om intimidatie en rekrutering door [naam 1] en [naam 2] , waarbij de weigering om als spion te werken centraal staat.

Ook op pagina 12 uit het nader gehoor benadrukt eiser dat [naam 1] en [naam 2] van hetzelfde team zijn, en dat minister onterecht tegenstrijdigheden leest in zijn verklaringen. Eiser wijst erop dat hij deze punten in zijn zienswijze duidelijk heeft toegelicht en dat de minister dit ten onrechte heeft gepasseerd.

Verder verwijst eiser naar pagina 6 uit het nader gehoor en de correcties en aanvullingen daarop, waar hij details geeft over de foto’s van vermoorde vrienden, die volgens hem het bewijs vormen voor de dreiging waarvoor hij vreest. Volgens eiser heeft de minister deze toelichting en de verbanden die hij legt onvoldoende betrokken bij de beoordeling. Ook verwijst eiser naar het bestreden besluit waar de minister ten onrechte tegenwerpt over hoe de foto’s bij [naam 1] terechtkwamen. Eiser legt hier uit dat dit vermoedelijk via lokale contacten in [plaats] is gebeurd, en dat hij wegens medische beperkingen niet verder kan verklaren.

12. De rechtbank stelt vast dat eiser wisselende verklaringen heeft gegeven over het ontstaan van zijn problemen met [naam 1] en zijn team. Volgens eiser begonnen de problemen toen [naam 1] en [naam 2] naar [plaats] kwamen, en werden deze later erger. De rechtbank acht echter van belang dat eiser tijdens het nader gehoor heeft gezegd dat hij door zijn medische problematiek moeite had om helder te verklaren. Uit het nader gehoor blijkt dat de gehoormedewerker geen controlevragen heeft gesteld en het gehoor niet heeft onderbroken toen eiser vertelde dat hij ‘op slot sloeg’ en dat zijn hersenen ‘even niet werkten’. De minister heeft deze omstandigheden onvoldoende gemotiveerd betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers’ verklaringen. Daarnaast stelt eiser dat vóór de coup foto’s van hem zijn gemaakt toen hij actief was bij de HDP en betrokken was bij het organiseren van de Newrozvieringen. Deze foto’s zouden aanleiding zijn voor zijn problemen met [naam 1] . De minister betwist dit en wijst erop dat [naam 1] en zijn team pas na de coup in [plaats] waren en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op de hoogte waren van zijn activiteiten bij de Newrozvieringen. De rechtbank merkt op dat uit het gehoor blijkt dat eiser gebeurtenissen door elkaar haalt, maar dat eiser hiermee niet is geconfronteerd tijdens het gehoor en dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze verklaringen zwaar tegen eiser worden tegengeworpen. Dit leidt tot een motiveringsgebrek. De rechtbank concludeert dat de minister de medische beperkingen van eiser en de daarmee samenhangende verklaringsmoeilijkheden onvoldoende heeft betrokken en niet adequaat heeft gemotiveerd waarom de tegenstrijdige verklaringen zwaar worden meegewogen. Het besluit is daarom op deze punten onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Zorgvuldigheid van het gehoor
13. Eiser stelt dat het gehoor onzorgvuldig is verlopen. De gehoormedewerker had meer rekening moeten houden met zijn medisch advies, spanningen en terugkerende problemen, en hem eerst de ruimte moeten geven om zijn verhaal te doen, in plaats van te beginnen met veel kennisvragen. Dit veroorzaakte stress en leidde ertoe dat eiser “op slot” sloeg en zich niet goed kon uitdrukken. De gehoormedewerker had het gehoor moeten onderbreken of pauzeren toen dit duidelijk werd, in lijn met het medisch advies. Ook wijst eiser erop dat het onbegrijpelijk was dat het gehoor begon met vragen over politieke kwesties rond de HDP, terwijl het hem juist om zijn problemen met [naam 1] ging. Het medisch advies en eerdere communicatie over zijn spanningen werden onvoldoende meegenomen. Volgens eiser is daarmee niet conform de regels en het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld en had het gehoor anders ingericht moeten worden om eiser op zijn gemak te stellen en een verantwoord relaas mogelijk te maken.

14. De rechtbank overweegt dat de minister het gehoor zorgvuldig heeft laten verlopen en het medische advies heeft gevolgd door tussentijds pauzes aan te bieden en aan eiser te vragen of het goed ging, op het moment dat eiser bleek zag en de gehoormedewerker zich zorgen maakte. Nu eiser zelf heeft aangegeven het gehoor te kunnen voortzetten en geen medische begeleiding wenste, bestond er geen aanleiding voor de minister om aan te nemen dat eiser op dat moment niet in staat was om te verklaren. Tegen deze achtergrond is het oordeel van de minister dat het gehoor zorgvuldig is verlopen, niet onrechtmatig.

Artikel 3 EVRM

De problemen met het team van [naam 1]

15. Eiser stelt dat de problemen met [naam 1] en zijn team ten onrechte door de minister ongeloofwaardig zijn geacht. Dit hangt samen met het feit dat de vrees ook niet aannemelijk is bevonden.

16. De rechtbank overweegt het volgende. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft de minister de verklaringen van eiser over de aanleiding en aard van zijn problemen met [naam 1] en zijn team, evenals over de context van de foto’s tijdens de Newrozviering, ten onrechte zwaar tegengeworpen. Daarbij is onvoldoende rekening gehouden met de door eiser ervaren medische beperkingen en het feit dat deze van invloed kunnen zijn geweest op de wijze waarop hij heeft verklaard. Gelet hierop berust het oordeel dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is, onvoldoende op een deugdelijke motivering. Dit motiveringsgebrek raakt rechtstreeks aan de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij dient de minister het relaas van eiser opnieuw te beoordelen en gemotiveerd te toetsen of sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.
Discriminatie
17. Eiser voert aan dat hij, naast zijn problemen met [naam 1] en diens team, in Turkije ook te maken heeft (gehad) met discriminatie vanwege zijn Koerdische afkomst. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat de combinatie van deze factoren juist maakt dat het leven voor hem in Turkije onmogelijk is geworden. Nu hij zich genoodzaakt zag zijn woonplaats te ontvluchten, wordt hij volgens hem extra belemmerd door de bestaande maatschappelijke uitsluiting van Koerden. De minister heeft volgens eiser ten onrechte nagelaten deze discriminatoire context mee te wegen en heeft de dreiging van anti-Koerdisch geweld zoals genoemd in het Ambtsbericht van 2025 onvoldoende betrokken bij de beoordeling.

18. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser gestelde discriminatie vanwege zijn Koerdische afkomst, niet de ondergrens van ‘niet langer kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven’ bereikt. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser in Turkije steeds toegang heeft gehad tot werk, onderwijs, medische zorg en officiële documenten. De minister heeft de vrees van eiser op het punt van discriminatie tegen Koerden in het algemeen dan ook voldoende gemotiveerd als niet zwaarwegend in de zin van artikel 3 EVRM.

De beoordeling van de discriminatie hangt samen met de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas en heeft daarmee ook betekenis voor de toetsing op grond van artikel 3 EVRM. De beroepsgrond slaagt.

Inreisverbod en terugkeerbesluit

19. Eiser stelt dat het toekennen van een vertrektermijn ten onrechte is onthouden. Volgens hem is het onjuist om automatisch geen vertrektermijn te geven op grond van een vermeende kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag, vooral omdat er geen zwaarwegende redenen zoals gevaar voor de openbare orde zijn aangevoerd. Ook het opgelegde inreisverbod van twee jaar is volgens eiser onterecht, aangezien zijn aanvraag

goed onderbouwd is en geen sprake is van kennelijke ongegrondheid. Eiser betoogt dat het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, onvoldoende gemotiveerd is en geen evenwichtige belangenafweging bevat, en dat het daarmee strijdig is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest van de EU.

20. Gezien de vernietiging van het besluit van de minister en de verplichting tot het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van deze uitspraak, ziet de rechtbank aanleiding om nadere bespreking van dit aspect achterwege te laten.
Conclusie en gevolgen
21. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
21.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
21.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 8 april 2025;

draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. O. El Hihi, griffier.

zaaknummer: NL25.17388

10

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

04 augustus 2025
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

i No. 37291/06, No. 59166/12 en ECLI:NL:RBDHA:2024:6723.

ii No. 37291/06.

iii ECLI:NL:RBDHA:2024:6723.

iv ECLI:NL:RBDHA:2025:2170.

Artikel delen