Wet tijdelijk huisverbod. Beroep tegen eerste oplegging en verlenging. Beide beroepen ongegrond en afwijzing verzoek om schadevergoeding.
Rechtbank Den Haag 24 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28053
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-08-2026
Datum publicatie
24-08-2026
Zaaknummer
C/09/684719 / FA RK 25-3364
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28053text/xmlpublic2026-08-24T09:38:112026-08-05Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-09-04C/09/684719 / FA RK 25-3364UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigBeschikkingNLDen HaagCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28053text/htmlpublic2026-08-24T09:37:402026-08-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28053 Rechtbank Den Haag , 04-09-2025 / C/09/684719 / FA RK 25-3364 Wet tijdelijk huisverbod. Beroep tegen eerste oplegging en verlenging. Beide beroepen ongegrond en afwijzing verzoek om schadevergoeding.
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-3364
Zaaknummer: C/09/684719
Datum uitspraak: 4 september 2025 Wet tijdelijk huisverbodUitspraak inzake:
[eiser], eiser,
sinds 17 maart 2025 in de Basisregistratie Personen (BRP) als geregistreerd als niet-ingezetenen (RNI), doch feitelijk verblijvende te [verblijfplaats],
gemachtigde: mr. M.K. Bhadai te ’s-Gravenhage, tegen: de burgemeester van de gemeente ’s-Gravenhage, verweerder. Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[belanghebbende 1], de moeder/achterblijfster,
wonende te [woonplaats], en
[belanghebbende 2], de zusje/achterblijfster,
wonende te [woonplaats]. IProcedure Bij besluit van 5 april 2025 heeft verweerder aan eiser een huisverbod ingevolge artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegd, van 5 april 2025 (22.02 uur) tot en met 15 april 2025 (22.02 uur), ter zake van de woning aan de [adres] te [plaats], tevens inhoudend een contactverbod met de aldaar woonachtige moeder en zusje van eiser (achterblijvers). Bij besluit van 14 april 2025 heeft verweerder het huis- en contactverbod verlengd tot 3 mei 2025 (22.02 uur). Tegen dit beide besluiten heeft eiser bij brief van 2 mei 2025 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Op 23 juni 2025 heeft de rechtbank van de moeder een brief ontvangen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2025. Aanwezig was verweerder, die zich heeft laten vertegenwoordigen door [naam]. Eiser en achterblijfsters zijn, hoewel daartoe uitgenodigd, niet ter terechtzitting verschenen. IIBeoordeling Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van deze wet. Ingevolge artikel 9, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. Standpunt eiser
Eiser heeft in de stukken betoogd dat er geen sprake is van een ernstig vermoeden van een onmiddellijk en ernstig gevaar in de zin van artikel 2 Wth. De oplegging van het huisverbod en de verlenging is niet goed gemotiveerd en is opgelegd op basis van twijfel, niet op basis van een deugdelijk onderzoek en een zorgvuldige belangenafweging. Eiser ontkent en betwist dat de situatie niet voldoende is gestabiliseerd. Het netwerkgesprek is volgens hem onvoldoende benut om veiligheidsafspraken te maken. Hij staat weldegelijk open voor hulpverlening, maar hij is nog niet benaderd voor hulpverlening. Eiser heeft nergens anders waar hij kan verblijven. Het huisverbod en de verlenging van achttien dagen is derhalve niet proportioneel. Er is daarnaast geen sprake van een dreiging van gevaar, noch kans op een nieuwe escalatie van geweld tussen hem en achterblijvers. Hij verzoekt zijn beroep gegrond te verklaren, alsmede een schadevergoeding toe te kennen voor zijn immateriële schade. Standpunt verweerder
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het huisverbod en de verlenging terecht zijn opgelegd. In de avond van 4 april 2025 hebben achterblijfsters zich bij de politie gemeld en de dag erna aangifte gedaan wegens bedreiging en vernieling van de woning door eiser. Eiser is dakloos en verblijft af en toe bij zijn moeder en zusje. In de woning aangekomen is eiser drugs gaan gebruiken, werd hij agressief en heeft hij zijn moeder en zus bedreigd en bedreigd zichzelf iets aan te doen als moeder en zusje niet weg zouden gaan. De politie is die avond nog ter plaatse gekomen en heeft eiser toen niet aangetroffen. Op 5 april hebben achterblijfsters aangifte gedaan van vernieling en bedreiging, waarna de politie eiser wel in de woning aantrof en is aangehouden. Hierbij was hij agressief. Uit de afgelegde verklaringen en politiemutaties blijk dat er al langer sprake is van oplopende spanningen en incidenten. Eiser is bekend bij de politie en Veilig Thuis wegens harddrugsgebruik en drugspsychoses. Ingrijpen in de vorm van een huisverbod was nodig om een afkoelingsperiode te creëren, verdere escalatie te voorkomen en hulpverlening op te starten voor betrokkenen. De gebeurtenissen van 4 en 5 april bevestigen de ernst van de situatie en het risico op escalatie. Het huisverbod is op 15 april 2025 verlengd tot 3 mei 2025 omdat de dreiging van het gevaar of het ernstig vermoeden daarvan op het moment van de verlening nog aanwezig was. Er heeft weliswaar een netwerkgesprek plaatsgevonden en betrokkenen hebben individuele gesprekken gevoerd met hulpverleners, maar er zijn geen veiligheidsafspraken gemaakt. Tijdens zijn gesprek met de reclassering op 8 april 2025 heeft eiser erkend al vier jaar crack te gebruiken en hierdoor manisch psychotisch te worden. In het netwerkgesprek van 14 april 2025 heeft hij zijn verslaving echter gebagatelliseerd en aangegeven terug naar huis te willen. Hij wil geen hulp accepteren bij het stoppen met drugsgebruiken en lijkt geen inzicht te hebben in de gevolgen die zijn verslaving veroorzaken. De betrokken hulpverlening acht de kans op een nieuwe escalatie van geweld groot. Verweerder heeft daarom terecht besloten het huisverbod te verlengen. Toetsing oplegging huisverbod (5 april 2025)
De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het huisverbod sprake was van omstandigheden als bedoeld in artikel 2 Wth. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er al een langere periode sprake was van spanningen en dreigingen tussen eiser en achterblijfsters, waarbij eiser geregeld onder invloed is van verdovende middelen. Gedurende het incident op 4 en 5 april 2025 was sprake van een flink escalatie tussen eiser en achterblijfsters. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een huisverbod nodig was om een afkoelingsperiode te creëren waarin hulpverlening opgestart kon worden voor alle betrokkenen. Het risico op herhaling en verdere escalatie werd groot geacht, waardoor een huisverbod noodzakelijk was. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de aanwezigheid van eiser in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de achterblijvers. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten aanzien van eiser bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheid tot oplegging van het huisverbod gebruik heeft gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser langer bekend was bij de politie en Veilig Thuis wegens een harddrugsverslaving en drugspsychoses. Eiser heeft financiële problemen, heeft geen eigen woning, dagbesteding of betaald werk. Door zijn verslavingen is hij geregeld agressief en psychotisch. Het belang van achterblijfsters om hun veiligheid te waarborgen en het belang bij het opstarten van hulpverlening voor alle betrokkenen prevaleerde boven het belang van eiser om de woning te verblijven. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een huisverbod aan eiser op te leggen. Toetsing verlenging huisverbod (14 april 2025)
Vervolgens ligt de vraag voor of verweerder in redelijkheid het huisverbod heeft kunnen verlengen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat op het moment van verlening van het huisverbod nog altijd sprake was van dreiging van gevaar of het ernstige vermoeden daarvan. Er zijn tijdens het netwerkgesprek van 14 augustus 2025 geen veiligheidsafspraken gemaakt tussen de eiser en achterblijfsters, wat noodzakelijk was om escalaties in de toekomst te voorkomen. Eiser heeft in dit gesprek aangegeven geen hulp te accepteren voor zijn verslavingen. Volgens de hulpverlening heeft hij geen inzicht in de gevolgen die zijn verslavingen veroorzaken. Eiser bagatelliseert zijn problematiek. Gelet op dit gebrek aan inzicht in de al langer aanwezige complexe problematiek, veroorzaakt door de drugsverslaving, financiële problemen en dakloosheid van eiser, is de kans op herhaling groot en het risico op escalatie nog immer aanwezig. De rechtbank acht ook redengevend dat eiser het huisverbod tweemaal heeft overtreden. Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding daarvan eveneens een contact- en locatieverbod aan eiser opgelegd tot aan een terechtzitting bij de politierechter op 7 augustus 2025. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 9 Wth gebruik heeft gemaakt. Het beroep is derhalve ongegrond. Gelet hierop is er geen aanleiding een schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank wijst dit verzoek van eiser af. IIIBeslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2025. Een belanghebbende – onder wie in elk geval eiser wordt begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden. Afschrift verzonden op: