Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2025:28057

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:28057 text/xml public 2026-08-06T09:39:55 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-07-16 NL25.29342 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28057 text/html public 2026-08-06T09:39:06 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:28057 Rechtbank Den Haag , 16-07-2025 / NL25.29342
vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen

uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.29342

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. L.M. Weber),

en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
De minister heeft op 16 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2001.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 juni 2025 (in de zaak NL25.23101) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het

voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. In de zaak NL25.23101 bevindt zich een scan van eisers paspoort dat tot 2028 geldig is. Dit betreft een biometrisch paspoort zodat hiervoor eisers vingerafdrukken afgegeven zijn. Uit de vertrekgesprekken van 21 mei 2025 en 23 juni 2025 blijkt dat eiser zo spoedig mogelijk wil terugkeren naar Marokko en dat hij meewerkt aan zijn terugkeer. Eiser heeft contact gehad met de Marokkaanse autoriteiten, maar tot op heden zonder resultaat. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Vanwege eisers paspoort en zijn vingerafdrukken zou het voor de Marokkaanse autoriteiten zeer eenvoudig moeten zijn om hem in het systeem te achterhalen. Eiser voert aan dat de minister meer had moeten doen dan een standaard schriftelijke rappel versturen naar de Marokkaanse autoriteiten.

5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt nog. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (hierna: lp) ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 12 juni 2025 en op 4 juli 2025. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. Ondanks dat de minister in het bezit is van een scan van eisers paspoort, is de minister hierbij verder afhankelijk van de Marokkaanse autoriteiten. De minister kan daar maar beperkt invloed op uitoefenen. Daarnaast heeft de minister op 23 juni 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. De enkele stelling van eiser dat hij heeft gebeld met de Marokkaanse autoriteiten is onvoldoende voor het oordeel dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van

A.F. Klomp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

16 juli 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel delen