vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Rechtbank Den Haag 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28058
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
NL25.31317
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28058text/xmlpublic2026-08-06T09:43:562026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-07-24NL25.31317UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28058text/htmlpublic2026-08-06T09:43:372026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28058 Rechtbank Den Haag , 24-07-2025 / NL25.31317 vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.31317
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. F. Boone), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).Procesverloop De minister heeft op 23 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2004. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 juni 2025 (in de zaak NL25.23459) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is en voert daartoe aan dat de minister niet gelooft dat eiser de Marokkaanse nationaliteit bezit, omdat de door eiser opgegeven wijk [naam] in [plaats] niet bestaat. Het enkele feit dat de regievoerder een Algerijns accent meent te horen is volgens eiser onvoldoende basis om een traject bij de Algerijnse autoriteiten op te starten. De regievoerder is op dat gebied geen deskundige. Eiser voert aan dat er onrechtmatig is gehandeld met de laissez passer (hierna: lp) aanvraag aan Algerije, omdat een artikel 3 EVRM toets is uitgebleven. Nu geen aanknopingspunten zijn voor een ander land dan Marokko, ontbreekt een zicht op uitzetting.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft zijn Marokkaanse nationaliteit op geen enkele wijze onderbouwd. Het dossier bevat daarentegen ook voldoende aanwijzingen dat eiser mogelijk afkomstig is uit Algerije. Gelet hierop heeft de minister dan ook kunnen inzetten op uitzetting van eiser naar Algerije naast het lopende lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten. Verder blijkt uit het dossier dat de minister op 14 juli 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en op 15 juli 2025 een lp aanvraag heeft verzonden aan de Algerijnse autoriteiten. De niet nader onderbouwde stelling van eiser dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft wordt niet gevolgd en doet vooralsnog niet af aan de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel van bewaring. Nu eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit en nationaliteit kunnen onderbouwen, valt niet in te zien dat er niet zowel een lp-traject Marokko als een lp-traject Algerije mag worden opgestart. De rechtbank overweegt dat in het algemeen zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling1 van 6 mei 2024,2 en 15 juli 2024,3 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt en, op de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025,4 waarin de Afdeling nogmaals heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen bestaat. De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De enkele stelling van eiser dat er geen zicht op uitzetting zou zijn omdat hij geen Algerijn is, is hiervoor onvoldoende. Het onderzoek bij de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten loopt nog. Niet is gebleken dat de Marokkaanse dan wel Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. Ook om deze reden bestaat op dit moment al voldoende zicht op uitzetting. De beroepsgronden slagen daarom niet.
6. Eiser heeft nimmer gesteld of onderbouwd dat hij vrees heeft voor vervolging van de zijde van de Algerijnse autoriteiten. Ook anderszins heeft eiser nimmer verklaard of onderbouwd dat er aanwijzingen zijn dat een eventuele terugkeer naar Algerije in zijn geval 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2 ECLI:NL:RVS:2024:1892
3 ECLI:NL:RVS:2024:2842
4 ECLI:NL:RVS:2025:219 een schending van artikel 3 EVRM met zich mee kan brengen. De rechtbank volgt eisers standpunt dat de lp aanvraag gericht aan de Algerijnse Autoriteiten in strijd komt met artikel 3 van het EVRM of dat anderszins sprake is van bijzondere individuele omstandigheden dan ook niet. 7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
A.F. Klomp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 juli 2025 Documentcode: [Documentcode]Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.