vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Rechtbank Den Haag 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28059
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
NL25.31704
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28059text/xmlpublic2026-08-06T09:54:262026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-07-24NL25.31704UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28059text/htmlpublic2026-08-06T09:54:032026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28059 Rechtbank Den Haag , 24-07-2025 / NL25.31704 vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.31704
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. S. Akkas), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).Procesverloop De minister heeft op 9 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Ghanese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1988. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 juni 2025 (in de zaak NL25.23763) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt aan de uitzetting van eiser en dat zicht op uitzetting ontbreekt. De minister heeft de geplande presentatie van eiser in persoon bij de Ghanese autoriteiten van 25 juni 2025 geannuleerd. De minister heeft geen reden gegeven voor de annulering van eisers presentatie. Hierdoor duurt de maatregel van bewaring onnodig langer voort. Na de laatste uitspraak van 6 juni 2025 heeft de minister geen uitzettingshandelingen meer verricht.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en het zicht op uitzitting ontbreekt. Het onderzoek bij de Ghanese autoriteiten loopt nog. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (hierna: lp) ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 12 juni 2025 en op 4 juli 2025. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Ghanese autoriteiten. De minister kan daar maar beperkt invloed op uitoefenen. Daarnaast heeft de minister op 3 juni 2025 en 3 juli 2025 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. De minister heeft op 2 juli 2025 een nieuwe presentatie in persoon gepland bij de Ghanese autoriteiten. Eiser is niet naar de presentatie gegaan. In beginsel werken de Ghanese autoriteiten mee aan de uitzetting van vreemdelingen met de nationaliteit van dat land. De enkele omstandigheid dat de voorgenomen uitzetting van eiser nog niet is gelukt, leidt niet tot het oordeel dat er thans geen zicht is op diens uitzetting. Bij de huidige stand van zaken is er ook geen reden om aan te nemen dat de Ghanese autoriteiten voor eiser geen lp zullen verstrekken. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewaring niet onevenredig lang duurt. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
A.F. Klomp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 juli 2025 Documentcode: [Documentcode]Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.