Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2025:28061

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:28061 text/xml public 2026-08-06T10:02:25 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-09-12 NL25.41757 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28061 text/html public 2026-08-06T10:01:34 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:28061 Rechtbank Den Haag , 12-09-2025 / NL25.41757
vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41757

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
De minister heeft op 8 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1993.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 augustus 2025 (in de zaken NL25.34224 en NL25.32556 met rectificatie) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de

beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat uit de M120 blijkt dat hij afkomstig is uit de Sahara en niet in het bezit is van identificerende documenten. Hoewel de minister tegelijk een laissez passer (hierna: lp) aanvraag heeft ingediend bij zowel Marokko als Algerije is het naar eisers mening thans reeds voorzienbaar dat dit niet zal leiden tot afgifte van een lp.

5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft zijn nationaliteit op geen enkele wijze onderbouwd. Het dossier bevat daarentegen ook voldoende aanwijzingen dat eiser mogelijk afkomstig is uit Marokko of Algerije. Gelet hierop heeft de minister dan ook kunnen inzetten op uitzetting van eiser naar Marokko of Algerije. Verder blijkt uit het dossier dat de minister op

6 augustus 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en op 15 augustus 2025 heeft gerappelleerd ten behoeve van de lp-aanvragen bij de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten. De niet nader onderbouwde stelling van eiser dat hij afkomstig is uit de Westelijke Sahara wordt niet gevolgd en doet vooralsnog niet af aan de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel van bewaring. Nu eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit en nationaliteit kunnen onderbouwen, valt niet in te zien dat er niet zowel een

lp-traject Marokko als een lp-traject Algerije mag worden opgestart. De rechtbank overweegt dat in het algemeen zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling1 van 6 mei 2024,2 en 15 juli 2024,3 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt en, op de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025,4 waarin de Afdeling nogmaals heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen bestaat. De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De enkele stelling van eiser dat er geen zicht op uitzetting zou zijn omdat hij geen Algerijn of Marokkaan is, is hiervoor onvoldoende. Het onderzoek bij de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten loopt nog. Niet is gebleken dat de Marokkaanse dan wel Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. Ook om deze reden bestaat op dit moment al voldoende zicht op uitzetting. De beroepsgronden slagen daarom niet.

6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. Er is ook gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.5

1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2 ECLI:NL:RVS:2024:1892

3 ECLI:NL:RVS:2024:2842

4 ECLI:NL:RVS:2025:219

5 Zie HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van

A.F. Klomp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

12 september 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel delen