vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Rechtbank Den Haag 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28062
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
NL25.41927
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28062text/xmlpublic2026-08-06T10:05:552026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-09-12NL25.41927UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28062text/htmlpublic2026-08-06T10:05:182026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28062 Rechtbank Den Haag , 12-09-2025 / NL25.41927 vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.41927
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. H. Drenth), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).Procesverloop De minister heeft op 27 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1999. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 augustus 2025 (in de zaak NL25.32554) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat er zicht op uitzetting ontbreekt. Op 16 mei 2025 is de laissez passer (hierna: lp) aanvraag verzonden aan de Algerijnse autoriteiten. Ondanks verschillende maandelijkse rappels is er niets van de Algerijnse autoriteiten vernomen over een presentatie of een afgifte van een lp. Blijkens het laatste vertrekgesprek van
21 augustus 2025 woont er in Spanje familie van eiser en heeft hij aangegeven aldaar een verblijfsrecht te hebben. Onder de gegeven omstandigheden van eiser kan er worden geconcludeerd dat het belang van de minister om de maatregel voort te zetten niet langer opweegt tegen de gegeven en persoonlijke belangen van eiser om in vrijheid te worden gesteld en om aan eiser alsnog een lichter middel te gunnen. Gelet op voorgaande kan worden aangenomen dat voortduring van de maatregel van bewaring indruist tegen het evenredigheidsbeginsel en dat deze niet langer evenredig is.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzitting ontbreekt. De rechtbank overweegt dat in het algemeen zicht op uitzetting niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling1 van 6 mei 2024,2 en 15 juli 2024,3 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt nog. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 15 augustus 2025. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. De minister kan daar maar beperkt invloed op uitoefenen. Daarnaast heeft de minister op 21 augustus 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. In beginsel werken de Algerijnse autoriteiten mee aan de uitzetting van vreemdelingen met de nationaliteit van dat land. De enkele omstandigheid dat de voorgenomen uitzetting van eiser nog niet is gelukt, leidt niet tot het oordeel dat er thans geen zicht is op diens uitzetting. Bij de huidige stand van zaken is er ook geen reden om aan te nemen dat de Algerijnse autoriteiten voor eiser geen lp zullen verstrekken. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewaring niet onevenredig lang duurt. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. De rechtbank is van oordeel dat het zicht op uitzetting naar Algerije in beginsel aanwezig is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Voor het oordeel over de beroepsgronden over het opleggen van een lichter middel en het evenredigheidsbeginsel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van
1 augustus 2025 (NL25.32554), rechtsoverweging 12. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel dan in die uitspraak is gegeven. Eiser heeft ook geen bewijs overgelegd van zijn grond dat hij een verblijfsrecht heeft in Spanje. De beroepsgronden slagen daarom niet. 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2 ECLI:NL:RVS:2024:1892
3 ECLI:NL:RVS:2024:2842 7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. Er is ook gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.4 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 4 Zie HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
A.F. Klomp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 september 2025 Documentcode: [Documentcode]Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.