vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Rechtbank Den Haag 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28063
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
NL25.42501
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28063text/xmlpublic2026-08-06T10:09:252026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-09-17NL25.42501UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28063text/htmlpublic2026-08-06T10:09:082026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28063 Rechtbank Den Haag , 17-09-2025 / NL25.42501 vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.42501
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. D. Matadien), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).Procesverloop De minister heeft op 25 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1992. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 augustus 2025 (in de zaak NL25.33911) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat het voortduren van de maatregel na de laatste uitspraak van de rechtbank onrechtmatig is geworden. Eiser is van oordeel dat er sprake is van gewijzigde en nieuwe omstandigheden waardoor het voortduren van de maatregel van bewaring disproportioneel is. Er is geen sprake van een redelijke belangenafweging en een deugdelijke motivering. Eiser heeft vanaf het begin al aangegeven dat hij bij terugkeer moet vrezen voor zijn leven en daardoor wil eiser niet meewerken aan een presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten. Ook heeft eiser veel traumatische ervaringen opgedaan. Gelet op de niet meewerkende houding van eiser heeft de presentatie bij de ambassade alsook het houden van vertrekgesprekken geen meerwaarde. Het voorgenoemde niet meewerkende gedrag van eiser kan in alle redelijkheid op grond van artikel 3 EVRM en proportionaliteit niet worden tegengeworpen aan eiser. Vanwege het niet willen meewerken aan een presentatie is er hierdoor geen concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser zit bijna vijf maanden in bewaring en er zijn geen betekenisvolle uitzettingshandelingen door de minister verricht ten behoeve van eisers uitzetting. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt dat bij het niet meewerken van eiser aan een presentatie in soortgelijke gevallen alsnog een lp zal worden verstrekt door de Nigeriaanse autoriteiten. Gelet op het tijdsverloop is tot op heden geen enkele bevestiging van de nationaliteit en identiteit van de Nigeriaanse autoriteiten ontvangen ondanks de door eiser verstrekte gegevens. Hierdoor is eiser van oordeel dat geen sprake is van het verrichten van effectieve uitzettingshandelingen door de minister. Door de bewaring in samenhang gezien met zijn angst voor zijn leven en traumatische ervaringen hebben een negatieve impact op zijn mentale en fysieke gesteldheid en tasten zijn integriteit als persoon aan en acht eiser dit in strijd met artikel 3 en artikel 8 EVRM. Gelet op voorgaande is er volgens eiser geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn en handelt de minister niet voortvarend genoeg ten behoeve van eisers uitzetting. Ten onrechte is er geen lichter middel opgelegd vanwege eisers persoonlijke omstandigheden en is de bewaring onrechtmatig geworden na de uitspraak van 6 augustus 2025.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De minister rappelleert regelmatig bij de Nigeriaanse autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 15 augustus 2025. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Nigeriaanse autoriteiten. De minister kan daar maar beperkt invloed op uitoefenen. Daarnaast heeft de minister op 25 augustus 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Ook heeft de minister op
4 september 2025 een presentatie geregeld bij de Nigeriaanse autoriteiten, maar eiser heeft dit geweigerd. In beginsel werken de Nigeriaanse autoriteiten mee aan de uitzetting van vreemdelingen met de nationaliteit van dat land. De enkele omstandigheid dat de voorgenomen uitzetting van eiser nog niet is gelukt, leidt niet tot het oordeel dat er thans geen zicht is op diens uitzetting. Bij de huidige stand van zaken is er ook geen reden om aan te nemen dat de Nigeriaanse autoriteiten voor eiser geen lp zullen verstrekken.
6. De rechtbank ziet ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De enkele stelling van eiser dat hij niet meewerkt aan een presentatie en daardoor zicht op uitzetting ontbreekt, is hiervoor onvoldoende. Het onderzoek bij de Nigeriaanse autoriteiten loopt nog. Niet is gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. 7. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat hij vrees heeft voor vervolging van de zijde van de Nigeriaanse autoriteiten bij terugkeer, overweegt de rechtbank het volgende. Uit het arrest Adrar1 volgt dat de bewaringsrechter verplicht is om โ zo nodig ambtshalve โ na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen de verwijdering. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit van 19 april 2021 in rechte vast staat. In deze bewaringsprocedure heeft eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht ten aanzien van zijn vrees bij terugkeer naar Nigeria. De minister heeft verwezen naar het M110 gehoor van
25 april 2025 en het vertrekgesprek van 30 april 2025 waarin eiser aangeeft dat hij niet veilig is in Nigeria en gediscrimineerd wordt, maar deze stellingen worden door eiser, ook na verzoek daartoe, niet nader geconcretiseerd en zijn ook al in de asielprocedure naar voren gebracht en beoordeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het dossier van eiser geen aanknopingspunten biedt voor het vermoeden dat met de uitvoering van het terugkeerbesluit afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van non-refoulement.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewaring niet onevenredig lang duurt. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting en het zicht op uitzetting niet ontbreekt. Deze beroepsgronden slagen daarom niet. 10. Voor het oordeel over de beroepsgronden over het opleggen van een lichter middel en de stelling van eiser dat voortduring van de maatregel van bewaring niet proportioneel is en dat van een redelijke belangenafweging geen sprake is verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 6 augustus 2025 (NL25.33911), rechtsoverweging 7, 8 en 9. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel dan in die uitspraak is gegeven. De beroepsgronden slagen daarom niet.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. Er is ook gesteld noch gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.2
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 1. Zie HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
2 Zie HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van
A.F. Klomp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 september 2025 Documentcode: [Documentcode]Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.