Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2025:28064

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:28064 text/xml public 2026-08-06T10:12:55 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-10-23 NL25.50076 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28064 text/html public 2026-08-06T10:12:21 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:28064 Rechtbank Den Haag , 23-10-2025 / NL25.50076
vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50076

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. N.A.P. Heesterbeek),

en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
De minister heeft op 19 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1971.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 september 2025 (in de zaak NL25.40851) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de

rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is van mening dat de uitzetting van hem niet te verwachten is nu deze nog niet is gerealiseerd. Ook voert eiser aan dat de maatregel niet meer doelmatig is te achten en voortzetting van de maatregel dus onrechtmatig is. Tot heden is er van de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten geen reactie ontvangen op de laissez passer (hierna: lp) aanvraag voor eiser. Het enkel schriftelijk rappelleren kan niet worden aangemerkt als het treffen van voldoende uitzettingsmaatregelen.

5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank verwijst voor haar oordeel over het zicht op uitzetting allereerst naar haar eerdere uitspraak van 15 september 2025 (NL25.40851), rechtsoverweging 10. De rechtbank wijst daarnaast op de uitspraken van de Afdeling1 van 15 juli 2024,2 en 27 februari 2025,3 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet ontbreekt en op de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 20254 waarin de Afdeling nogmaals heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen bestaat. De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar deze landen ontbreekt. Het onderzoek bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten loopt nog. Niet is gebleken dat deze autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten. De minister kan daarop maar beperkt invloed uitoefenen. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. De minister rappelleert daarnaast regelmatig bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op

25 september 2025. Uit het dossier blijkt ook dat de minister nog op 22 september 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Hiermee laat de minister zien voortvarend te werken aan de uitzetting van eiser. De beroepsgronden slagen daarom niet.

6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2 ECLI:NL:RVS:2024:2842

3 ECLI:NL:RVS:2025:722

4 ECLI:NL:RVS:2025:219
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

23 oktober 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel delen