vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Rechtbank Den Haag 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28065
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
NL25.50346
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28065text/xmlpublic2026-08-06T10:16:192026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-10-23NL25.50346UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28065text/htmlpublic2026-08-06T10:15:492026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28065 Rechtbank Den Haag , 23-10-2025 / NL25.50346 vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50346
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. H. Drenth), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Kanters).Procesverloop De minister heeft op 27 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1999. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 september 2025 (in de zaak NL25.41927) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting en dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De minister heeft in september 2025 drie keer gerappelleerd en na 25 september 2025 is dit helemaal niet meer gebeurd. Sindsdien is er ook geen vertrekgesprek gevoerd met eiser. Gelet op voorgaande kan worden aangenomen dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Ondanks verschillende rappels is er niets van de Algerijnse autoriteiten vernomen over een presentatie of een afgifte van een laissez passer (hierna: lp). Eiser voert ook aan dat het overzicht van de maatregelen van bewaring incompleet is, omdat eiser in elk geval tussen 1 januari 2024 en 4 maart 2024 eveneens met een maatregel heeft vastgezeten. Eiser wijst in dit verband ook op de conclusie van 4 september 2025 van advocaat-generaal [naam] .1 Hieruit volgt volgens eiser dat het totaal aan maatregelen na een terugkeerbesluit niet het totaal van vijftien maanden mag overtreffen. Mede gelet op voorgaande kan worden aangenomen dat voortduring van de maatregel van bewaring indruist tegen het evenredigheidsbeginsel en dat deze niet langer proportioneel is. Onder de gegeven omstandigheden van eiser kan er worden geconcludeerd dat het belang van de minister om de maatregel voort te zetten niet langer opweegt tegen de gegeven en persoonlijke belangen van eiser om in vrijheid te worden gesteld en om aan eiser alsnog een lichter middel te gunnen.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting en dat het zicht op uitzitting ontbreekt. De rechtbank verwijst wat betreft het zicht op uitzetting naar haar eerdere uitspraak van 12 september 2025 (NL25.41927), rechtsoverweging 5. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt nog. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 25 september 2025. Ook heeft de minister nog op 18 september 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Hieruit volgt dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Eiser stelt op zichzelf terecht dat hij tussen 10 januari 2024 en
4 maart 2024 eveneens in vreemdelingenbewaring heeft gezeten. De M120 bevat echter de voortgangsgegevens met betrekking tot de uitzetting van eiser in onderhavige vertrekprocedure. De eerdere maatregel van bewaring staat dan ook niet vermeld in deze M120 nu die vertrekprocedure reeds is afgesloten. Eiser is toen immers op 4 maart 2024 uitgezet. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. De beroepsgronden slagen daarom niet.
6. Het feit dat eiser ter onderbouwing van zijn standpunten heeft verwezen naar de hiervoor reeds genoemde conclusie van advocaat-generaal [naam] , maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Zoals de minister in het verweerschrift terecht stelt betreft het een conclusie, waarin het Hof in overweging wordt gegeven hoe de gestelde prejudiciële vragen moeten worden beantwoord. Het Hof is, evenals de rechtbank, niet gehouden deze conclusie 1. ECLI:EU:C:2025:667 van de advocaat-generaal (hierna: de conclusie) te volgen.2 Nog daargelaten of de situatie die is beoordeeld in de conclusie vergelijkbaar is met die van eiser, want aan de huidige maatregel van bewaring van eiser ligt een nieuw terugkeerbesluit ten grondslag, omdat eiser vorig jaar is uitgezet, terwijl de conclusie ziet op de bewaringsduur als gevolg van één en hetzelfde terugkeerbesluit. 7. Voor het oordeel over de beroepsgronden over het opleggen van een lichter middel en het evenredigheidsbeginsel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van
12 september 2025 (NL25.41927), rechtsoverweging 6. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel dan in die uitspraak is gegeven. De beroepsgronden slagen daarom niet.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. 9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 2 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2964). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 oktober 2025 Documentcode: [Documentcode]Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.