vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Rechtbank Den Haag 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28066
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
NL25.52507
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28066text/xmlpublic2026-08-06T10:22:252026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-11-05NL25.52507UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28066text/htmlpublic2026-08-06T10:21:562026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28066 Rechtbank Den Haag , 05-11-2025 / NL25.52507 vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.52507
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. H. Drenth), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: L. Verhaegh).Procesverloop De minister heeft op 7 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2000. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 september 2025 (in de zaak NL25.43326) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt en dat de maatregel van bewaring niet langer gerechtvaardigd is. Blijkens de gegevens moest er een gesprek plaatsvinden over de vraag of eiser gepresenteerd wil worden of niet. Dit verslag is nog niet ontvangen. Aangezien de nodige stukken ontbreken kan niet worden aangenomen dat er zicht op uitzetting is. Eiser voert verder aan dat het opvallend is dat er veel afkortingen worden gebruikt, zonder dat deze zijn toegelicht. De gang van zaken is ook niet toegelicht, zoals waarom er een uittreksel JD is opgevraagd. Dat is onvoldoende transparant. Het blijkt dat de nationaliteit van eiser is bevestigd en er is verwezen naar een ‘nota verbale’, maar deze is niet aangetroffen. Mede gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat voortduring van de maatregel van bewaring indruist tegen het evenredigheidsbeginsel en dat deze niet langer proportioneel is. Onder de gegeven omstandigheden kan er worden geconcludeerd dat het belang van de minister om de maatregel voort te zetten niet langer opweegt tegen de gegeven en persoonlijke belangen van eiser om in vrijheid te worden gesteld en om aan eiser alsnog een lichter middel te gunnen.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzitting ontbreekt. Van onregelmatigheden in het procesdossier of een gebrek aan transparantie is ook geen sprake. De rechtbank verwijst voor het zicht op uitzetting naar haar eerdere uitspraak van 19 september 2025 (NL25.43326), rechtsoverweging 17. De rechtbank wijst daarnaast op de uitspraken van de Afdeling1 van 15 juli 2024,2 en
27 februari 2025,3 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt.
6. Op 27 oktober 2025 heeft de diplomatieke vertegenwoordiging van Algerije de nationaliteit van eiser bevestigd. Dit staat duidelijk vermeld in de M120. Op
28 oktober 2025 is aan eiser gevraagd of hij in persoon gepresenteerd wil worden. Van dit gesprek is volgens de minister geen verslag gemaakt. De minister heeft vervolgens verzocht eiser in te plannen bij de eerstvolgende mogelijkheid tot een presentatie in persoon bij de Algerijnse autoriteiten. Een presentatiedatum is op dit moment nog niet bekend. De omstandigheid dat eiser moet wachten op een presentatie doet niet af aan de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez passer (hierna: lp) voor eiser te zullen afgeven. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. De minister kan daarop maar beperkt invloed uitoefenen. De bevestiging van de nationaliteit van eiser is neergelegd in een Note Verbale. De minister stelt in het verweerschrift niet ten onrechte dat de Note Verbale diplomatieke post is tussen de Nederlandse en Algerijnse autoriteiten en om die reden niet wordt toegevoegd aan het procesdossier. Er valt ook niet in te zien waarom getwijfeld moet worden aan wat in de M120 is opgenomen, namelijk dat de nationaliteit van eiser bevestigd is. Dat in het dossier afkortingen worden gebruikt en dat de justitiële documentatie van eiser is opgevraagd, 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2 ECLI:NL:RVS:2024:2842.
3 ECLI:NL:RVS:2025:722. betekent niet dat de werkwijze van de minister onvoldoende transparant is. In het verweerschrift is het opvragen van de documentatie overigens toegelicht. 7. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. De beroepsgronden slagen niet.
8. Voor het oordeel over de beroepsgronden over het opleggen van een lichter middel en het evenredigheidsbeginsel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van
19 september 2025 (NL25.43326), rechtsoverweging 13. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel dan in die uitspraak is gegeven. De beroepsgronden slagen daarom niet. 9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. 10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 05 november 2025 Documentcode: [Documentcode]Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.