vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Rechtbank Den Haag 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28067
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
NL25.52567
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28067text/xmlpublic2026-08-06T10:34:252026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-11-05NL25.52567UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28067text/htmlpublic2026-08-06T10:33:552026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28067 Rechtbank Den Haag , 05-11-2025 / NL25.52567 vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.52567
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. J.M. Walther), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: I. Vugs).Procesverloop De minister heeft op 7 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1988. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 september 2025 (in de zaak NL25.43099) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser en dat zicht op uitzetting ontbreekt. Uit het vertrekgesprek van 6 oktober 2025 blijkt dat eiser zich meewerkend opstelt met betrekking tot zijn terugkeer naar het land van herkomst. Echter kan eiser, door omstandigheden buiten zijn macht om, niet meer inspanningen verrichten. Uit de voortgangsrapportage blijkt niet dat er concrete vooruitzichten bestaan dat eiser op korte termijn zal worden uitgezet. Er is immers geen enkel zicht op het verkrijgen van een laissez passer (hierna: lp). Ook voert eiser aan dat hij een kwetsbare gezondheidstoestand heeft. Gelet op het voorgaande moet volgens eiser worden aangenomen dat het voortduren van de maatregel van bewaring niet langer gerechtvaardigd is te achten.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De minister rappelleert regelmatig bij de Algerijnse autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (hierna: lp) ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 25 september 2025 en op 16 oktober 2025. Daarnaast heeft de minister op 6 oktober 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Hieruit volgt dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling1 van
15 juli 2024,2 en 27 februari 2025,3 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet ontbreekt en in het algemeen bestaat. De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt nog. Niet is gebleken dat deze autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Algerijnse autoriteiten. De minister kan daarop maar beperkt invloed uitoefenen. De enkele omstandigheid dat de voorgenomen uitzetting van eiser nog niet is gelukt, leidt niet tot het oordeel dat er thans geen zicht is op diens uitzetting. De rechtbank is verder van oordeel dat de bewaring niet onevenredig lang duurt. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
6. Voor het oordeel over de beroepsgrond over de kwetsbare gezondheid van eiser verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 19 september 2025 (NL25.43099), rechtsoverweging 9, waarin is geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom een lichter middel niet aan de orde is. In wat eiser nu aanvoert met betrekking tot eisers gezondheidstoestand ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel dan in die uitspraak is gegeven. De beroepsgrond slaagt daarom niet. 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2 ECLI:NL:RVS:2024:2842.
3 ECLI:NL:RVS:2025:722. 7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 05 november 2025 Documentcode: [Documentcode]Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.