vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Rechtbank Den Haag 6 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28068
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2026
Datum publicatie
06-08-2026
Zaaknummer
NL25.57768
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2025:28068text/xmlpublic2026-08-06T10:41:282026-08-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2025-12-05NL25.57768UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28068text/htmlpublic2026-08-06T10:40:392026-08-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2025:28068 Rechtbank Den Haag , 05-12-2025 / NL25.57768 vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.57768
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. J.W.F. Noot), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G. Cambier).Procesverloop De minister heeft op 4 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1993. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 oktober 2025 (in de zaak NL25.49953) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is en dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Op 22 november 2025 is eisers nationaliteit bevestigd door de diplomatieke vertegenwoordiger van Algerije. Uit de notitie van 25 november 2025 in de M120 blijkt dat eiser gepresenteerd kan worden, maar dat een terugkeer naar Algerije ook zonder presentatie mogelijk is. Het nut van de presentatie ziet eiser niet in, nu de uitzetting en terugkeer zonder presentatie immers sneller zal verlopen. Het vertrekgesprek van 26 november 2025 bevestigt ook dat een presentatie niet nodig is om een vlucht en de laissez passer (hierna: lp) te kunnen aanvragen. Uit het vertrekgesprek volgt ook dat eiser niet gepresenteerd wil worden en snel naar Algerije wil terugkeren. Gelet op voorgaande kan op dit moment niet worden tegengeworpen dat de minister onvoldoende voortvarend te werk zou gaan. Uit de overgelegde stukken volgt echter ook dat eiser zo spoedig mogelijk naar Algerije wil terugkeren en dat dit nu ook mogelijk is. De minister heeft dit ten onrechte niet mee laten wegen in de vraag of gelet op deze houding van eiser het voortduren van de bewaring in redelijkheid nog wel gerechtvaardigd te achten is en of de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen. Gelet hierop dient het langer voortduren van de vreemdelingenbewaring onrechtmatig te worden geacht en dient het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld zwaarder te wegen.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is en de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat de Algerijnse autoriteiten op 22 november 2025 eisers nationaliteit hebben bevestigd, waarna de minister op
26 november 2025 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. Op 26 november 2025 heeft de minister een vlucht aangevraagd voor eiser en op dezelfde dag is er een vluchtakkoord ontvangen voor eiser voor een vlucht op 15 december 2025. Voor zover eiser in zijn beroepsgronden heeft aangevoerd dat er voor hem geen zicht op uitzetting is naar Algerije volgt de rechtbank dit gelet op het voorgaande niet. Ook is de rechtbank gelet op het voorgaande โ net als eiser โ van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. In het vertrekgesprek van 26 november 2025 geeft eiser aan zo spoedig mogelijk te willen terugkeren naar Algerije. Het enkele feit dat eiser (eerst in dit vertrekgesprek) zegt graag zo snel mogelijk te willen terugkeren naar Algerije, doet niet af aan het gegeven dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser daarmee alsnog het vertrek ontwijkt of belemmert. Dit stelt de minister ook terecht in zijn verweerschrift. Er is onverkort een risico dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken blijkens de zware en lichte gronden, die nog steeds van toepassing zijn.
Verder is er geen garantie dat de uitzetting van eiser zal worden gerealiseerd indien aan hem een lichter middel dan de maatregel van bewaring wordt opgelegd of wanneer de bewaring wordt opgeheven. Eiser heeft voorts geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de minister ertoe hadden moeten brengen om met een lichter middel te volstaan of om de bewaring op te heffen.
6. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen (nadere) feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring op te heffen. Zoals de minister terecht stelt in zijn verweerschrift speelt hierbij tevens ook mee dat eiser geen gehoor heeft gegeven aan eerdere terugkeerbesluiten, dat eiser eerder Met Onbekende Bestemming (MOB) is vertrokken en dat hij eerder heeft verklaard slechts mee te willen werken aan zijn terugkeer als er een lp is verstrekt. Het belang van de minister om eiser in bewaring te houden totdat hij daadwerkelijk is vertrokken weegt daarom zwaarder dan het belang van eiser om zijn vertrek in vrijheid af te wachten. De minister heeft zijn belang bij voortduring van de maatregel van bewaring zwaarder kunnen laten wegen dan dat van eiser bij opheffing daarvan. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 05 december 2025 Documentcode: [Documentcode]Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.