Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2025:28069

vervolgberoep; kennisgeving; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:28069 text/xml public 2026-08-06T10:45:25 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-05 NL25.58082 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28069 text/html public 2026-08-06T10:44:59 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:28069 Rechtbank Den Haag , 05-12-2025 / NL25.58082
vervolgberoep; kennisgeving; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.58082

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. D. Gürses),

en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
De minister heeft op 5 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 19 september 2025 (in de zaak NL25.43048) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 15 september 2025 rechtmatig was.

De minister heeft de rechtbank op 26 november 2025 door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep, alsmede een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1999.

2. Eiser voert aan dat hij volledig meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit. Vaststaat dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft, maar hij beschikt niet over een identiteitsdocument. Vanaf het begin heeft eiser verklaard de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Het is niet bekend of de Marokkaanse autoriteiten de laissez passer aanvraag (hierna: lp) in behandeling hebben genomen en of zij op voorhand hebben verklaard wel of geen lp te zullen verstrekken aan eiser. Volgens eiser volgt uit het feit dat de Marokkaanse autoriteiten niet op de verstuurde rappels reageren, dat zij niet binnen een redelijke termijn een lp zullen verstrekken. De Marokkaanse autoriteiten hebben geen reactie gegeven op de aanvraag en niet te kennen gegeven dat zij een lp zullen afgeven. Eiser werkt welwillend mee bij de vaststelling van zijn nationaliteit en identiteit. Gelet op het voorgaande ontbreekt het zicht aan uitzetting en handelt de minister niet voldoende voortvarend. Subsidiair voert eiser aan dat er een belangenafweging dient plaats te vinden. Eiser heeft zich niet aan het toezicht onttrokken en heeft voldaan aan de verplichting om Nederland te verlaten. Eiser verzoekt om een lichter middel toe te passen en om de bewaring op te heffen.
Zicht op uitzetting en voortvarendheid
3. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbreekt en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank overweegt als volgt. De minister rappelleert regelmatig bij de Marokkaanse autoriteiten met betrekking tot de afgifte van een lp ten behoeve van eisers uitzetting, laatstelijk op 16 oktober 2025 en 6 november 2025. Verder heeft de minister regelmatig een vertrekgesprek gevoerd met eiser, laatstelijk op

7 oktober 2025 en 6 november 2025. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling1 van 27 januari 20252 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen bestaat. De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt nog. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afgifte van een lp afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. De minister kan daarop maar beperkt invloed uitoefenen. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting aanwezig is en dat de minister voldoende voortvarend aan die uitzetting werkt. De beroepsgronden slagen daarom niet.

Lichter middel/belangenafweging

4. Er is onverkort een risico dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. De rechtbank verwijst hierbij naar haar eerdere uitspraak van 15 september 2025 (NL25.43048). Verder is er geen garantie dat de uitzetting van eiser zal worden gerealiseerd indien aan hem een lichter middel dan de maatregel van bewaring wordt opgelegd. Eiser heeft voorts geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de minister ertoe hadden moeten brengen om met een lichter middel te volstaan. Er zijn geen feiten of

1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

2 ECLI:NL:RVS:2025:219.

omstandigheden die – gelet op de duur van deze bewaring – voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen.

Ambtshalve toetsing

5. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

05 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel delen