Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2025:28070

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:28070 text/xml public 2026-08-06T10:50:25 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-05 NL25.58386 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28070 text/html public 2026-08-06T10:49:59 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:28070 Rechtbank Den Haag , 05-12-2025 / NL25.58386
vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.58386

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J.A.C.M. Prins).
Procesverloop
De minister heeft op 8 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1993.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 november 2025 (in de zaak NL25.54866) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de

rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. In de vorige uitspraak (NL25.54866) is geoordeeld dat de uitzetting op korte termijn zou plaatsvinden. De vlucht van 22 november 2025 heeft echter vanwege omstandigheden gelegen buiten de invloedsfeer van eiser geen doorgang gevonden, zodat er door de minister onvoldoende voortvarend gehandeld wordt nu de vlucht kennelijk niet goed genoeg voorbereid en onderzocht was. Hoewel er een nieuwe datum en vlucht bepaald is, duurt de bewaring nu langer voort dan strikt noodzakelijk was geweest.

5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. De minister stelt in zijn verweerschrift dat er op 10 november 2025 bij de Franse autoriteiten is verzocht om goedkeuring van het transitverzoek voor de geplande vlucht op 22 november 2025. Op 21 november 2025 hebben de Franse autoriteiten laten weten dat de transit niet akkoord is, omdat eiser in Frankrijk gesignaleerd staat. Hierna heeft de minister op 21 november 2025 direct een nieuwe vlucht voor eiser aangevraagd en deze staat gepland op

17 december 2025, met een transit via Rome. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de overgelegde informatie en gegevens van de minister. De minister heeft geruime tijd voor de geplande uitzetting op 22 november 2025 verzocht om toestemming bij de Franse autoriteiten en is voor de transit afhankelijk van de medewerking van die autoriteiten. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister ter zake onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit de voortgangsgegevens blijkt verder dat er op

21 november 2025 direct een nieuwe vlucht is aangevraagd en er een vluchtakkoord is ontvangen voor een vlucht op 17 december 2025. Hieruit blijkt dat de minister voldoende voortvarend handelt ten behoeve van eisers uitzetting. Het enkele feit dat de vlucht van 22 november 2025 is geannuleerd en dit buiten eisers invloed lag, doet ook niet af aan het feit dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verder is er geen garantie dat de uitzetting van eiser zal worden gerealiseerd indien aan hem een lichter middel dan de maatregel van bewaring wordt opgelegd of wanneer de bewaring wordt opgeheven. Eiser heeft voorts geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de minister

ertoe hadden moeten brengen om met een lichter middel te volstaan of om de bewaring op te heffen. Gelet op voorgaande duurt de maatregel van bewaring niet onnodig lang voort. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Dit geldt โ€“ gelet op het in 5. bepaalde โ€“ eveneens voor eisers verzoek om, indien de rechtbank niet tot opheffing van de maatregel overgaat, aan hem een schadevergoeding toe te kennen voor de periode vanaf de niet plaatsgevonden uitzetting tot de datum waarop deze daadwerkelijk zal hebben plaatsgevonden.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

05 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel delen