Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:16239

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de discriminatie niet zwaarwegend genoeg is om voor internationale bescherming in aanmerking te komen. Voorts heeft verweerder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een reële mogelijkheid bestaat dat hij in Turkije onevenredig of discriminatoir zal worden vervolg...

Rechtbank Den Haag 17 June 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:16239 text/xml public 2026-06-17T11:28:30 2026-06-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-15 NL25.39530 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16239 text/html public 2026-06-17T09:41:59 2026-06-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:16239 Rechtbank Den Haag , 15-05-2026 / NL25.39530
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de discriminatie niet zwaarwegend genoeg is om voor internationale bescherming in aanmerking te komen. Voorts heeft verweerder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een reële mogelijkheid bestaat dat hij in Turkije onevenredig of discriminatoir zal worden vervolgd of gestraft vanwege het ontduiken van de dienstplicht. Beroep ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.39530
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1] , eiser,
[V-nummer]

gemachtigde: mr. O. Saraç,

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
gemachtigde: mr. A. Sloots.
Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond, hem opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten en een rechterlijke dwangsom van € 7.100,- toegekend naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank van 17 februari 2025.

Eiser heeft op 20 augustus 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.39531, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de tolk M. Sivridag en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. De asielaanvraag waar het in deze zaak om gaat heeft eiser op 9 februari 2023 ingediend.
1.2.
Eiser legt aan de asielaanvraag ten grondslag dat hij in Turkije systematisch is gediscrimineerd vanwege zijn Zaza-Koerdische achtergrond. In 2014 heeft hij deelgenomen aan een protest vanwege de situatie in Kobani en in 2021 aan een protest tegen de aanstelling van een rector aan de Boğaziçi Universiteit. Bij beide protesten is eiser gearresteerd en heeft hij enkele uren op het politiebureau verbleven. Ook heeft deelname aan het tweede protest geleid tot onderdrukking op school. Een leraar genaamd [naam 2] heeft hem een onvoldoende gegeven voor het vak natuurkunde en een leraar Godsdienst weigerde zijn vragen te beantwoorden en lessen te geven over andere religies. Vanwege de onvoldoende voor natuurkunde is eiser blijven zitten. Bij de laatste arrestatie is eiser op het politiebureau door een politieagent gewaarschuwd dat hij problemen gaat krijgen zodra hij achttien jaar wordt. Hierop heeft eiser Turkije verlaten. Eiser stelt bij terugkeer te vrezen voor de Turkse autoriteiten. Ook vreest eiser bij terugkeer naar Turkije dat hij wordt verplicht in militaire dienst te gaan waar hij gevechtshandelingen moet uitvoeren.

Het bestreden besluit
2.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

discriminatie vanwege Koerdische etniciteit;

in aanmerking komen voor militaire dienst in Turkije; en

politieke overtuiging.
2.2.
Verweerder acht alle asielmotieven geloofwaardig. De geloofwaardig geachte asielmotieven leveren volgens verweerder echter geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De discriminatie is volgens verweerder onvoldoende zwaarwegend. Niet is gebleken dat eiser hierdoor zodanig is beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk is om maatschappelijk en sociaal te kunnen functioneren. Verder geldt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege dienstweigering onevenredig of discriminatoir zal worden vervolgd of gestraft of ernstige onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft vanwege een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging als hij alsnog moet dienen als militair. Ook is volgens verweerder niet gebleken dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat of komt te staan. Nu er zich geen asielgrond voordoet en eiser zijn asielaanvraag volgens verweerder niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw.

Beroepsgronden
3.1.
Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen vluchtelingenschap dan wel een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije heeft aangenomen. Daartoe voert eiser aan dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van systematische discriminatie van Koerden, dat hij ernstige gewetensbezwaren heeft vanwege een diepgewortelde overtuiging en vervolging of bestraffing riskeert bij dienstweigering.
3.2.
De structurele discriminatie van Koerden, waaronder ook Zaza-Koerden, blijkt volgens eiser uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 (zie p. 57-58). In dit ambtsbericht wordt beschreven dat de Koerdische cultuur en taal in de publieke sfeer wordt onderdrukt en dat Koerden stelselmatig worden achtergesteld in toegang tot onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en deelname aan het politieke proces (zie p. 55-56). Daarom is het aannemelijk dat de problemen van eiser met de twee leraren samenhangen met zijn Koerdische achtergrond, betoogt eiser. Dat eiser (tijdelijk) in zijn levensonderhoud kon voorzien, doet niet af aan de voortdurende blootstelling aan etnische profilering, sociale uitsluiting en het risico op willekeurige repressieve maatregelen.
3.3.
De stelling dat sprake is van een onevenredige inzet van Koerdische dienstplichtigen vindt ook steun in het ambtsbericht (zie p. 57-58). Hieruit blijkt dat zowel binnen de Turkse autoriteiten als binnen delen van de samenleving sprake is van een structurele anti-Koerdische houding. Deze informatie wordt bevestigd in bijvoorbeeld het rapport van Human Rights Watch – World Report 2025 Turkey. Uit de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 11 maart 2025 blijkt dat dienstplichtigen die behoren tot een etnische en/of religieuze minderheid om die reden problemen kunnen ondervinden. Hoewel het onduidelijk blijft in welke mate leden van minderheden dodelijk slachtoffer zijn van geweld, kan worden geconcludeerd dat binnen de Turkse strijdkrachten anti-Koerdische sentimenten aanwezig zijn.
3.4.
De diepgewortelde, consistente en oprechte overtuiging volgt uit de verklaringen van eiser. Eiser identificeert zich uitdrukkelijk als Zaza-Koerd en voelt zich geen onderdeel van de Turkse nationale identiteit. Tegen deze achtergrond acht hij het moreel onverenigbaar om dienst te nemen in het Turkse leger, zeker als hij zou worden ingezet tegen Koerdische groeperingen. Gelet op zijn jonge leeftijd en persoonlijke achtergrond mocht van eiser niet worden verwacht dat hij al tijdens het nader gehoor zijn etnische overtuigingen op deze – academisch en juridisch-technische – wijze wist te formuleren. Op dat moment was voldoende dat eiser verklaarde absoluut geen militaire dienstplicht te willen verrichten. Er is in de praktijk geen daadwerkelijke mogelijkheid om de militaire dienstplicht af te kopen. De afkoopregeling is slechts toegankelijk voor de meer welgestelde bevolkingsgroepen, en ligt in toenemende mate buiten bereik van jongeren uit gemarginaliseerde gemeenschappen zoals Koerden. En zelfs als afkoop van de dienstplicht wel financieel haalbaar is neemt dat niet weg dat ook dan nog de verplichting geldt om gedurende een periode van vier weken deel te nemen aan een militaire basistraining.

Discriminatie omdat eiser Alevitisch en Koerdisch is
4.1.
Verweerder merkt volgens zijn beleid in paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) discriminatie aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de discriminatie niet zwaarwegend genoeg is om voor internationale bescherming in aanmerking te komen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij vanwege zijn etnische en religieuze achtergrond als Koerd en Aleviet in Turkije zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden werd beperkt dat het voor het onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij tot zijn vertrek uit Turkije bij zijn ouders woonde, een Lyceum opleiding heeft genoten en afgerond, heeft gewerkt (zie aanmeldgehoor, p. 5, 7 en 8) en tijdens zijn opleiding was aangesloten bij sociale clubs, waarbinnen politieke zaken konden worden besproken (zie nader gehoor, p. 14). Ook heeft hij Turkije legaal kunnen uitreizen (zie aanmeldgehoor, p. 11). Er zijn geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit blijkt dat eiser bij terugkeer naar Turkije niet op eenzelfde manier kan functioneren als voor zijn vertrek uit Turkije. Dat eiser bepaalde problemen heeft ervaren, onder meer omdat hij denkt dat de onvoldoende die de leraar natuurkunde gaf en de weigering van de leraar Godsdienst om lessen te geven over andere religies verband houdt met zijn etnische en/of religieuze achtergrond, is betreurenswaardig, maar verweerder heeft dit terecht onvoldoende geacht. Hoewel eiser naar aanleiding van protesten twee keer is gearresteerd heeft hij ook het politiebureau na enkele uren weer mogen verlaten (zie nader gehoor, p. 11). Eiser heeft met de door hem aangehaalde landeninformatie evenmin aannemelijk gemaakt dat de discriminatie voldoende zwaarwegend is. In beroep heeft eiser gewezen op het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 (55-58). Kort gezegd staat hierin dat er (vermeend) anti-Koerdisch geweld is vanuit de samenleving en dat er overheidsoptreden bestaat tegen uitingen van de Koerdische taal en cultuur. Dat deze discriminatie er is, maakt echter nog niet dat dit systematisch is waardoor de discriminatie van Koerden in het algemeen voldoende zwaarwegend is (vergelijk ook paragraaf C7/34 van de Vc). Verder wordt er in het ambtsbericht niets gezegd over discriminatie van Alevieten.
4.4.
Gelet op het voorstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de discriminatie een reëel risico loopt op ernstige schade.

Militaire dienstplicht
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat Turkije een dienstplicht kent voor (in ieder geval) mannen van 20 tot 41 jaar en dat verweerder heeft geloofd dat eiser in Turkije in militaire dienst moet. Eiser heeft gesteld dat hij niet aan dienstplicht wil voldoen. Tussen partijen staat ter discussie of eiser in Turkije een gegronde vrees heeft voor vervolgens wegens dienstweigering.
5.2.
In paragraaf C2/3.2.7 van de Vc is uiteengezet in welke gevallen verweerder een vreemdeling vanwege dienstweigering aanmerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In dit beleid, dat is gebaseerd op het arrest van 12 april 1995 van de Rechtseenheidskamer vreemdelingenzaken van de arrondissementsrechtbank ’s-Gravenhage, in de zaak Antikian (ECLI:NL:RBSGR:1995:ZA1155), staan drie alternatieve voorwaarden hiervoor:

De vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt te vrezen voor vervolging of bestraffing wegens dienstweigering tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst het plegen van strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen.

De vreemdeling heeft een gegronde vrees voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege zijn dienstweigering of desertie op basis van een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.

De vreemdeling heeft ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn dienstweigering of desertie, terwijl er voor de vreemdeling geen mogelijkheid bestond om ter vervanging van zijn militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen. Er is bovendien een reële kans dat het niet vervullen van de militaire dienstplicht leidt tot oplegging van een onevenredige zware (straf)maatregel of tot oplegging van een samenstel van verschillende maatregelen, die in samenhang kunnen worden aangemerkt als een onevenredige bestraffing. Dit geldt ook als de vreemdeling gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.
5.3.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als dienstplichtige militaire handelingen moet verrichten die zijn te kwalificeren als oorlogsmisdrijven. Eiser heeft in de beroepsgronden alleen pijlen gericht op de laatste twee alternatieve voorwaarden van het dienstweigeringsbeleid. Er is dan ook geen grond om te oordelen dat wordt voldaan aan de eerste voorwaarde van het dienstweigeringsbeleid. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat hoewel uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 blijkt dat niet is uitgesloten dat Koerdische dienstplichtigen worden gelegerd in Zuidoost-Turkije, waar de Turkse strijdkrachten in conflict waren met de PKK, er ook staat dat dienstplichtigen in beginsel niet werden ingezet bij gevechtshandelingen (zie p. 93).
5.4.
Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een reële mogelijkheid bestaat dat hij onevenredig of discriminatoir zal worden vervolgd of gestraft vanwege het ontduiken van de dienstplicht. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit landeninformatie niet blijkt dat de straffen bij dienstplichtontduiking voldoende zwaarwegend is. In het Antikian-arrest is een gevangenisstraf variërend van 1 tot 10 jaar voor dienstweigering niet onevenredig geacht. In de ambtsberichten van februari 2025, augustus 2023 en maart 2021 is gemeld dat, voor zover bekend, zich gedurende de verslagperiodes geen veranderingen voordeden ten aanzien van de wettelijke strafbaarheid van desertie en dienstplichtontduiking en wordt voor het wettelijk kader verwezen naar eerdere ambtsberichten, laatstelijk naar het Thematisch Ambtsbericht Turkije: Dienstplicht van juli 2019). Dit ambtsbericht vermeldt straffen van een maand tot drie jaar gevangenisstraf, afhankelijk van de duur van de onttrekking van dienstplicht en of de dienstplichtige zichzelf meldt of wordt aangehouden. Verder kan uit de ambtsberichten worden afgeleid dat dienstweigeraars in Turkije vaak niet worden gedetineerd maar een boete opgelegd krijgen. In het licht van het Antikian-arrest kan dus niet worden gezegd dat de wettelijke strafmaat bij dienstplichtontduiking een concrete aanwijzing oplevert dat sprake kan zijn van een onevenredige zware bestraffing. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit landeninformatie niet blijkt dat Koerden en/of Alevieten zwaarder worden gestraft dan andere Turken die dienst weigeren. Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 volgt namelijk dat er geen informatie is gevonden waaruit duidelijk werd dat dienstplichtontduikers en deserteurs onevenredig werden bestraft indien zij een bepaalde etniciteit, religie, politieke overtuiging, seksuele geaardheid en/of genderidentiteit hadden (zie p. 93). Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd dat duidt op het tegendeel. De door eiser uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 (p. 57-58) aangehaalde informatie ziet op (vermeend) anti-Koerdisch geweld vanuit de samenleving en niet specifiek op de gevolgen bij dienstplichtontduiking. De aangehaalde citaten uit het rapport van Human Rights Watch – World Report 2025 Turkey en uit de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 11 maart 2025 zien op de behandeling van oppositieleden en van Koerden in het Turkse leger en niet op de behandeling van dienstplichtontduikers. Verweerder heeft er in dit verband verder terecht op gewezen dat uit de verklaringen van eiser niet kan worden afgeleid of de straffen voor iedereen gelden of enkel specifiek voor hem. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij geen flauw idee heeft van de straf voor het ontduiken van de dienstplicht, niet weet of aan alle dienstplichtonderduikers een straf wordt opgelegd of alleen aan hem en ook niet weet of er in zijn geval omstandigheden zijn die een straf extra bezwarend zouden kunnen maken (zie nader gehoor, p. 21). Weliswaar heeft verweerder geloofd dat eiser vanwege zijn etniciteit discriminatie heeft ondervonden, maar dat is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiser daarom zwaarder zal worden gestraft voor dienstweigering dan anderen.
5.5.
Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij niet in het leger wil, omdat hij geen wapens wil dragen en niemand wil doden (zie p. 20). De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze standpunten op zichzelf onvoldoende zijn om als onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de militaire dienstplicht aan te merken. Eiser heeft immers geen verdere uitleg gegeven, zoals innerlijke conflicten of andere concrete omstandigheden die zijn gewetensbezwaren zouden ondersteunen. De in de beroepsgronden aangevoerde verklaring dat eiser gewetensbezwaarde is omdat hij het moreel onverenigbaar acht om als Zaza-Koerd dienst te nemen in het Turkse leger, heeft verweerder niet bij de beoordeling hoeven betrekken. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom hij zijn verklaringen eerst in beroep hiermee aanvult en hoe dit zich verhoudt tot zijn eerdere verklaringen. Tijdens de besluitvorming heeft eiser zijn wens om niet deel te nemen aan de militaire dienstplicht niet gekoppeld aan zijn Koerdische achtergrond. Het betoog van eiser dat niet van hem verlangd kan worden dat hij zijn etnische overtuigingen al tijdens het nader gehoor op wetenschappelijke wijze verwoordt stuit hier reeds op af. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd is bovendien in strijd met zijn eerdere verklaringen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij niet denkt dat hij bepaalde gewetensbezwaren heeft, het (de rechtbank begrijpt: deelname aan de militaire dienstplicht) gewoon onnodig vindt, en dat buiten het niet willen dragen van wapens en het doden van personen er geen andere redenen zijn om de militaire dienstplicht niet te willen vervullen (zie nader gehoor, p. 20). Dit doet afbreuk aan de aannemelijkheid van eisers gestelde gewetensbezwaren. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onoverkomelijke gewetensbezwaren, behoeft het betoog van eiser dat hij de dienstplicht niet kan en wil afkopen geen bespreking.
5.6.
Gelet op het voorstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij het ontduiken van de dienstplicht in Turkije een gegronde vrees heeft voor vervolging.

Politieke overtuiging
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder eisers politieke overtuiging, die erop neerkomt dat hij een humanistische politieke overtuiging heeft en zich betrokken voelt bij de rechten van de koerden, geloofwaardig heeft geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser in Turkije (via een sociale club) heeft deelgenomen aan een protest tegen de aanstelling van een rector aan de Boğaziçi Universiteit en een protest vanwege de situatie in Kobani en dat eiser in Nederland politieke activiteiten heeft verricht, bestaande uit het af en toe plaatsen van kritische berichten en Koerdische liedjes op sociale media. Tussen partijen staat er discussie of eiser aan zijn politieke overtuiging en activiteiten een gegronde vrees voor vervolging ontleent.
6.2.
In paragraaf C2/3.2.5.3 van de Vc is uiteengezet welke omstandigheden verweerder betrekt bij de beoordeling van de vrees voor vervolging vanwege een politieke overtuiging. In dit beleid staat dat verweerder de sterkte van de politieke overtuiging van de vreemdeling, de wijze waarop hij uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging – ongeacht of die activiteiten in zijn land van herkomst, in Nederland of elders hebben plaatsgevonden – en of aannemelijk is dat de vreemdeling ook na terugkeer uiting aan gaat geven of blijft geven aan zijn politieke overtuiging en of hij eerder problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten al dan niet vanwege zijn politieke overtuiging zal meewegen bij de risicobeoordeling.
6.3.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn politieke overtuiging en activiteiten in Turkije en Nederland in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat eiser een prominent politiek figuur is in Turkije. Uit de verklaringen van eiser blijkt immers enkel dat hij (via een sociale club) in Turkije op minderjarige leeftijd twee protesten heeft bijgewoond. Niet is gesteld of gebleken dat eiser is aangesloten bij een politieke partij of beweging of anderszins een actieve rol heeft binnen de Koerdische gemeenschap. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat niet is gebleken dat eiser eerder problemen heeft ondervonden door zijn politieke overtuiging. Hoewel uit eisers verklaringen volgt dat hij naar aanleiding van het protest in 2021 is gearresteerd, blijkt hieruit ook dat hij na enkele uren het politiebureau heeft mogen verlaten. Dat eiser bij de tweede arrestatie door een politieagent is gewaarschuwd doet daar niet aan af. Eiser heeft namelijk nadien nog een aantal maanden in Turkije verbleven zonder dat sprake was van vervolging of bemoeienis van de autoriteiten. Daarnaast heeft eiser Turkije op legale wijze en zonder belemmeringen verlaten. De stelling van eiser dat hij in deze periode geen problemen heeft ondervonden omdat hij op dat moment nog zeventien jaar was, biedt geen grond voor een andersluidende conclusie. Ook minderjarigen kunnen op grond van het strafrecht worden aangepakt. Eiser heeft verder nog verklaard dat hij in Nederland kritische berichten en Koerdische nummers op Instagram plaatst. Verweerder wijst er terecht op dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door deze activiteiten in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. Er is geen landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat de Turkse autoriteiten Koerdisch diaspora in het buitenland monitort. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij niet weet of de Turkse autoriteiten op de hoogte zijn van deze uitingen en dat hij daar geen aanwijzingen voor heeft (zie nader gehoor, p. 19).
6.4.
Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na terugkeer door zijn politieke activiteiten en activiteiten in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten zal komen te staan. Eiser heeft verklaard dat hij bij terugkeer naar Turkije zich via sociale clubs en sociale media wil uiten en zal deelnemen aan protestacties over zijn afkomst (zie nader gehoor, p. 18). Dit is (bijna) dezelfde wijze waarop eiser zich heeft geuit tijdens zijn eerdere verblijf in Turkije. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat de situatie inmiddels is gewijzigd en hij bij terugkeer wel zal worden vervolgd, mocht hij deze voorgenomen activiteiten na terugkeer ontplooien. De verklaring van eiser dat hij zich bij terugkeer misschien wil aansluiten bij een politieke partij (zie nader gehoor, p. 18), heeft verweerder niet bij de beoordeling hoeven betrekken, nu dit slechts onzekere toekomstige gebeurtenis betreft.
6.5.
Gelet op het voorstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten een gegronde vrees voor vervolging heeft.

Conclusie

7. De slotsom is dat de door eiser aangevoerde beroepsgronden niet leiden tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 voordoet. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.

8. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel delen