Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:16245

In de uitspraak van 26 november 2025 heeft de Afdeling, anders dan de rechtbank had gedaan, geoordeeld dat eiser de beroepsgronden tijdig heeft ingediend. Gelet hierop wordt de behandeling van de terugverwezen zaak voortgezet. Gelet op het voorstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de discrimina...

Rechtbank Den Haag 17 June 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:16245 text/xml public 2026-06-17T11:29:00 2026-06-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-13 NL25.58817 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16245 text/html public 2026-06-17T09:55:29 2026-06-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:16245 Rechtbank Den Haag , 13-05-2026 / NL25.58817
In de uitspraak van 26 november 2025 heeft de Afdeling, anders dan de rechtbank had gedaan, geoordeeld dat eiser de beroepsgronden tijdig heeft ingediend. Gelet hierop wordt de behandeling van de terugverwezen zaak voortgezet. Gelet op het voorstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de discriminatie in Ethiopië niet zwaarwegend genoeg is om voor internationale bescherming in aanmerking te komen. Beroep ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.58817
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser,
[V-nummer]

gemachtigde: mr. A. Jhingoer,

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
gemachtigde: mr. W. van Hoof.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond en hem opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 29 oktober 2025 (NL25.24415) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 26 november 2026 (ECLI:NL:RVS:2025:5780) heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 29 oktober 2025 vernietigd, de zaak terugverwezen naar de rechtbank en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Afdelingsuitspraak

1. In de uitspraak van 26 november 2025 heeft de Afdeling, anders dan de rechtbank had gedaan, geoordeeld dat eiser de beroepsgronden tijdig heeft ingediend. Gelet hierop wordt de behandeling van de terugverwezen zaak voortgezet.

Het bestreden besluit
2.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- de detentie
2.2.
Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. De geloofwaardig geachte asielmotieven leveren volgens verweerder echter geen asielgrond op als bedoeld in

artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De gestelde discriminatie is volgens verweerder onvoldoende zwaarwegend omdat niet is gebleken dat eiser hierdoor zodanig is beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk is om maatschappelijk en sociaal te kunnen functioneren. Verder geldt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de eerdere detentie een reëel risico op ernstige schade loopt. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Voorts komt eiser volgens verweerder niet ambtshalve in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV. Het onderzoek naar adequate opvang was gedurende de minderjarigheid van eiser nog niet afgerond en gedurende het onderzoek konden nog geen concrete conclusies getrokken worden op dit punt.

Beroepsgronden

3. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen vluchtelingenschap dan wel reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië heeft aangenomen. Ten onrechte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de discriminatie onvoldoende zwaarwegend is. In dit verband wijst eiser op informatiebericht 2024/43. Daarin wordt gesproken over geweld en gedwongen terugkeer naar Eritrea. Verweerder had eiser moeten beschouwen als Eritreeër omdat hij in Eritrea is geboren en getogen en de Tigrinya etniciteit heeft. Ook heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw zal worden opgepakt. Uit de geloofwaardige geachte arrestatie blijkt een verhoogd risico op willekeurig geweld tegen hem vanwege zijn afkomst. Dat eiser in de maanden na zijn vrijlating niet meer is opgepakt doet daar niet aan af. Daarnaast gaat verweerder voorbij aan de oproepbrief waarin staat dat eiser zich om een belangrijke reden moet melden.

Beoordeling
4.1.
Verweerder merkt volgens zijn beleid in paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 discriminatie aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de discriminatie niet zwaarwegend genoeg is om voor internationale bescherming in aanmerking te komen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij vanwege zijn etnische achtergrond als Tigreeër en Ethiopische nationaliteit in Ethiopië zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden werd beperkt dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij in Ethiopië heeft gewerkt en toegang had tot medische zorg (zie NG, p. 7-8). De omstandigheid dat hij niet naar school is geweest kwam door de oorlog in de Tigray-regio en omdat hij geen identificerende documenten had, maar niet omdat hij Tigreeër is (zie NG, p. 7). Eiser stelt dat hij vanwege zijn etniciteit wel bepaalde problemen heeft ervaren. Zo is hij op straat gediscrimineerd en uitgescholden. Hij is tijdens een razzia vanwege zijn etniciteit gearresteerd en in detentie geslagen. Gelet op de verklaring dat hij na twee weken weer in vrijheid is gesteld en in de zeven maanden daarna niet meer is opgepakt (zie NG, p. 8), heeft verweerder deze omstandigheden terecht onvoldoende zwaarwegend geacht. De stelling dat eiser alleen werd vrijgelaten omdat hij destijds minderjarig was, blijkt niet uit de verklaringen van eiser. Hij heeft alleen verklaard dat de autoriteiten bij vrijlating niks tegen hem hadden gezegd (zie NG, p. 7). Ten aanzien van eisers verklaring dat zijn ouders een oproepbrief hebben ontvangen waarin staat dat eiser zich moet melden, wordt overwogen dat eiser deze brief niet heeft overgelegd. Het is dan ook niet aannemelijk dat de autoriteiten naar hem op zoek zijn.
4.3.
Eiser heeft met de door hem aangehaalde (landen)informatie evenmin aannemelijk gemaakt dat de discriminatie voldoende zwaarwegend is. In beroep heeft eiser gewezen op informatiebericht 2024/43. Kort gezegd staat hierin dat in 2020 berichten van geweld tegen Eritrese vluchtelingen in Tigray waren en dat er sprake was van gedwongen terugkeer van Eritrese vluchtelingen naar Eritrea. Deze informatie ziet op Eritrese vluchtelingen en niet op Ethiopiërs. Deze informatie is dus niet op eiser van toepassing. De stelling dat eiser zich Eritreeër voelt omdat hij in Eritrea is geboren en getogen doet daar niet aan af. Hoewel uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van november 2022 blijkt dat na het uitbreken van het gewapend conflict in het noorden van Ethiopië verschillende keren is bericht over het feit dat Ethiopiërs, met name Tigreeërs, in Addis Abeba waren opgepakt omdat op hun identiteitskaart hun etniciteit was vermeld of omdat ze Tigrinya spraken (zie p. 44), volgt uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 dat (vanaf de beëindiging van het gewapend conflict op 2 november 2022) de leefomstandigheden van Tigreeërs in Addis Abeba sterk verbeterd zijn omdat de negatieve aandacht van de autoriteiten niet meer op de Tigreeërs ligt (zie p. (zie p. 53)).
4.4.
Gelet op het voorstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade.

Slotsom

5. De slotsom is dat de door eiser aangevoerde beroepsgronden niet leiden tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 voordoet. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.

Conclusie

6. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel delen