Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:18155

BPM

Rechtbank Den Haag 27 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18155 text/xml public 2026-07-27T15:58:21 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-23 SRG 23/5437 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18155 text/html public 2026-07-24T08:58:59 2026-07-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18155 Rechtbank Den Haag , 23-06-2026 / SRG 23/5437
BPM
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: SRG 23/5437
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),

en
de Ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser, vanwege het uitblijven van de betaling van een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm), een aanmaning tot een bedrag van € 18 verzonden.

Verweerder heeft met dagtekening 23 december 2022 een dwangbevel betekend. Daarbij is € 466 aan betekeningskosten in rekening gebracht.

Eiser heeft op 21 juni 2023 bezwaar gemaakt tegen de betekeningskosten.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 juli 2023 heeft verweerder de betekeningskosten vernietigd en het bezwaar van eiser gegrond verklaard. De betekeningskosten zijn daarbij teruggebracht naar nihil en verweerder heeft € 296 aan proceskosten vergoed.

Bij uitspraak op bezwaar van 21 december 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de aanmaningskosten kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, maar het bezwaar desondanks ambtshalve beoordeeld. Daarbij zijn ook de aanmaningskosten teruggebracht tot nihil.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 7 juli 2023 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4].
Overwegingen
Feiten

1. De Inspecteur heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met een naheffingsaanslag bpm opgelegd ter hoogte van € 4.782.

2. Eiser heeft bij bezwaar van 24 maart 2023 uitstel van betaling aangevraagd. Het uitstel van betaling eindigde bij de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag bpm.

3. Verweerder heeft eiser met dagtekening 20 april 2023 een aanmaning gestuurd. De kosten hiervan bedragen € 18,00.

4. Verweerder heeft met dagtekening 22 mei 2023 een dwangbevel betekend en € 446 aan betekeningskosten in rekening gebracht.

5. Eiser heeft op 21 juni 2023 bezwaar aangetekend tegen het dwangbevel.

6. Bij uitspraak op bezwaar van 7 juli 2023 heeft verweerder het bezwaar tegen de onder 4 genoemde betekeningskosten gegrond verklaard en de betekeningskosten vernietigd. Daarbij heeft verweerder € 296 aan proceskosten aan eiser vergoed.

7. Bij uitspraak op bezwaar van 21 december 2023 heeft verweerder tevens de aanmaningskosten teruggebracht tot nihil. Reden daarvoor was dat uitstel van betaling tegen de naheffingsaanslag nog liep.

Geschil 8. In geschil is of verweerder terecht heeft afgezien van het horen van eiser en of terecht geen vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten in bezwaar is gegeven.

9. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

10. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Omvang van het geding

12. De rechtbank concludeert dat het beroepschrift van eiser ziet op een procedure betreffende een naheffingsaanslag. De rechtbank behandelt in deze zaak de gronden in het beroepschrift die in hun algemeenheid ook kunnen zien op een procedure aangaande een dwangbevel, de gestelde schending van de hoorplicht in bezwaar en de vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.

13. Alvorens de beroepsgronden inhoudelijk te behandelen stelt de rechtbank het volgende vast. Het beroep van eiser van 17 augustus 2023 ziet op de uitspraak op bezwaar van 7 juli 2023. Dat is het besluit waarin verweerder het bezwaar gegrond verklaart, de betekeningskosten vermindert tot nihil en € 296 aan proceskosten vergoedt. Dit beroep is daarom slechts gericht tot het besluit van 7 juli 2023. Op 21 december 2023 deed verweerder een uitspraak op bezwaar over de aanmaningskosten. Verweerder verminderde de aanmaningskosten tot nihil, maar verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk wegens het niet in acht nemen van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken, ex artikel 6:7 Awb. Daarom concludeert de rechtbank dat de onderhavige beroepsprocedure slechts ziet op de uitspraak van bezwaar van 7 juli 2023. Dat de uitspraak op bezwaar tegen de aanmaningskosten pas gedaan is hangende de beroepsprocedure tegen de betekeningskosten maakt het voorgaande niet anders.

Partijstandpunten

14. Volgens verweerder moet het beroep van eiser gegrond worden verklaard omdat per abuis de beoordeling van de aanmaningskosten niet direct is meegenomen bij de uitspraak op bezwaar van 7 juli 2023. De aanmaningskosten zijn bij aparte uitspraak op bezwaar beoordeeld.

15. De rechtbank overweegt als volgt. Het enkele feit dat een belanghebbende één bezwaarschrift heeft ingediend, verplicht het bestuursorgaan niet tot het nemen van één uitspraak op bezwaar. Het geven van een aanmaning en het uitvaardigen van een dwangbevel zijn immers twee separate beschikkingen. De rechtbank moet ook los van de partijstandpunten zelfstandig het recht op de juiste manier toepassen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het hoorrecht in de bezwaarfase

16. Op grond van artikel 7:3, aanhef onder e, Awb kan van het horen worden afgezien als volledig aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad. Reeds uit de brief van verweerder van 28 september 2023 blijkt dat volledig aan het bezwaar was of zou worden tegemoetgekomen. Verweerder heeft dus terecht van het horen van eiser afgezien. In zoverre is het beroep dus ongegrond.

De proceskostenvergoeding in de bezwaarfase

17. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen de betekeningskosten gegrond verklaard. Daarbij heeft eiser volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een proceskostenvergoeding toegekend gekregen van € 296. De rechtbank stelt vast dat eiser een bezwaarschrift heeft ingediend. Verweerder heeft voor die proceshandeling 1 punt toegekend en een wegingsfactor van 1 bij een bedrag per punt van € 296 toegekend.

18. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het Bpb geldt het bedrag van € 666 (tarief 2026) als de waarde per punt. Hierdoor is de toegekende vergoeding van de proceskosten in bezwaar te laag uitgevallen. Een juiste toepassing leidt in het onderhavige geval tot een proceskostenvergoeding van € 666 (1 punt voor het indienen van het verzoek en een wegingsfactor van 1 bij een bedrag per punt van € 666). Verweerder heeft derhalve

€ 370 te weinig aan proceskostenvergoeding toegekend. Het beroep is gegrond.

Conclusie 19. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Beoordeling verzoek om immateriële schadevergoeding

18. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.

19. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer

19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan belanghebbende betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.

20. Op grond van het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.

21. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 20 april 2026 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet.

22. Nu het financieel belang in onderhavige procedure minder dan € 1.000 bedraagt, zal worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3).

Proceskosten en griffierecht

23. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, heeft eiser recht op een vergoeding van de proceskosten in beroep.

24. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijke kosten die hij ter zake van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Verweerder is het met dit laatste niet eens. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Een hogere dan forfaitaire vergoeding kan slechts worden toegepast indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, omdat een forfaitaire vergoeding volgens het Bpb niet passend zou zijn. Derhalve is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitaire proceskosten als bedoeld in het Bpb.

25. De proceskosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467. Gezien de geringe complexiteit van de zaak en de loutere omstandigheid dat het beroep gegrond wordt verklaard op basis van een te lage proceskostenvergoeding in de bezwaarfase, hanteert de rechtbank een wegingsfactor van 0,25. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25. Bij dat bedrag komt de aanvullende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het totaalbedrag komt dus neer op € 837.

26. Verweerder moet ook het door eiser betaalde griffierecht van € 184 vergoeden. Eiser heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het griffierecht. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiser wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht, oftewel een bedrag van € 184, aan eiser te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Artikel delen