Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:18929

Veroordeling vier woninginbraken. Vrijspraak één woninginbraak vanwege onvoldoende bewijs. Gevangenisstraf 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden. Twee vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen.

Rechtbank Den Haag 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18929 text/xml public 2026-07-09T16:41:38 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-09 09/088434-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18929 text/html public 2026-07-09T16:24:06 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18929 Rechtbank Den Haag , 09-07-2026 / 09/088434-26
Veroordeling vier woninginbraken. Vrijspraak één woninginbraak vanwege onvoldoende bewijs. Gevangenisstraf 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden. Twee vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/088434-26

Datum uitspraak: 9 juli 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,

locatie [locatie] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 25 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P. Lootsma naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 19 december 2025 te Naaldwijk, gemeente Westland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en/of contant geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2025 tot en met 01 januari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3

hij op of omstreeks 30 januari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en/of contant geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4

hij op of omstreeks 17 februari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten het [adres 5] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5

hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2026 tot en met 19 februari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 6] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, nader ingaan op specifieke standpunten van de

verdediging.
3.3.
Vrijspraak

De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.

In de nacht van 31 januari 2025 op 1 januari 2026 is er in de woning aan de [adres 3] te Naaldwijk ingebroken. Uit de camerabeelden van de ringdeurbel van de woning aan de [adres 7] te Naaldwijk volgt dat op 1 januari 2026 om 03:20 uur een man kwam aangelopen vanuit de richting van de [straat 1] en linksaf de [straat 2] in sloeg. Vervolgens liep dezelfde man om 03:34 uur vanuit de [straat 2] in de richting van de [straat 1] . Deze man wordt later herkend als de verdachte. De rechtbank stelt vast dat het enkele herkennen van de verdachte als de persoon die op nieuwjaarsnacht uit/in de richting van de [straat 1] liep onvoldoende is om betrokkenheid van de verdachte bij dit feit vast te stellen, nu de verdachte tevens in de omgeving woonachtig is. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit feit.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de

bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

De rechtbank heeft voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde volstaan met een opgave van de

bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 Sv. De verdachte heeft deze feiten, zoals

bewezenverklaard, namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de

raadsman ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft

met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
3.5.
Bewijsoverweging

In de periode van 19 december 2025 tot en met 18 februari 2026 hebben woninginbraken plaatsgevonden aan de [adres 2] (feit 1), de [adres 4] (feit 3), het [adres 5] (feit 4) en de [adres 6] (feit 5) in Naaldwijk. Bij al deze woninginbraken zijn sieraden en/of contant geld weggenomen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van deze feiten. Zij overweegt hiertoe als volgt.

De verdachte heeft ten aanzien van de feiten 1 en 3 op de terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd. De rechtbank komt daarmee op grond van de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien tot een bewezenverklaring.

Met betrekking tot de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten stelt de rechtbank vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de persoon op de camerabeelden van feit 1 dezelfde persoon is als de persoon op de camerabeelden van de feiten 4 en 5. Zoals reeds benoemd heeft de verdachte bekend de inbraken onder feit 1 en 3 te hebben gepleegd. Daarnaast heeft de bewoner die de camerabeelden ten aanzien van feit 4 heeft aangeleverd, uit zichzelf verklaard: “dit is [verdachte] , iedereen kent hem, hij woont hier in de buurt”. Verder komt de kleding en het signalement van de persoon op de camerabeelden overeen met de kleding die is aangetroffen in de woning van de verdachte en het signalement van de verdachte. De rechtbank leidt hieruit af dat het de verdachte is op de camerabeelden. Uit de beelden van zowel feit 4 als feit 5 volgt dat de verdachte naar een steeg aan de achterzijde van de woningen liep. Op de camerabeelden van feit 5 is vervolgens te zien dat de verdachte over de schutting is geklommen. Zowel bij de woninginbraak aan het [adres 5] (feit 4) als bij de [adres 6] (feit 5) is vervolgens een ruit ingegooid om de woning binnen te komen. De hiervoor omschreven omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, zijn redengevend voor de betrokkenheid van de verdachte bij de inbraken. De verdachte heeft hierover wisselende verklaringen afgelegd. Dat de verdachte slechts ging plassen in de steeg acht de rechtbank gelet op voornoemde omstandigheden ongeloofwaardig. De rechtbank zal deze verklaring dan ook terzijde schuiven. De rechtbank komt gelet op het vorenstaande tot de conclusie dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
3.6.
De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 19 december 2025 te Naaldwijk, gemeente Westland, in een woning, te weten de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en contant geld, die aan [aangever 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

3

hij op 30 januari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland, in een woning, te weten de [adres 4] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en contant geld, die aan [aangever 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

4

hij op 17 februari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland, in een woning, te weten het [adres 5] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden, die aan [aangever 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

5

hij op 18 februari 2026 te Naaldwijk, gemeente Westland, in een woning, te weten de [adres 6] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden, die aan [aangever 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
<nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om een lagere onvoorwaardelijke straf op te leggen dan de eis van de officier van justitie.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier woninginbraken, waarbij sieraden en geld zijn weggenomen. De verdachte zocht naar woningen in zijn eigen omgeving, waar op dat moment niemand thuis was. Veelal ging hij vervolgens via de achterzijde door middel van braak de woning binnen en nam de goederen mee. Dit zijn bijzonder kwalijke feiten, nu een woning bij uitstek een plek is waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Door in te breken in de woningen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de privacy van de slachtoffers. Inbraken veroorzaken daarnaast vaak schade, overlast en gevoelens van angst bij de slachtoffers. Dat dit ook voor de aangevers geldt, blijkt onder andere uit de toelichting op de vorderingen tot schadevergoeding. Bovendien dragen dergelijke feiten ook bij aan de versterking van gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële belangen, zonder rekening te houden met de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 juni 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 23 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte altijd een drang heeft gehad tot het plegen van woninginbraken. Daarnaast lijdt de verdachte aan schizofrenie en heeft hij een licht verstandelijke beperking. Dit leidt ertoe dat de verdachte niet helder kan nadenken, geen inzicht heeft in de gevolgen van zijn daden, impulsief is, weinig rekening houdt met anderen en makkelijk beïnvloedbaar is. Het risico op recidive wordt dan ook ingeschat als hoog. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, controle op middelengebruik en dagbesteding.

Straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor een inbraak in een woning wanneer sprake is van recidive vijf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.

De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Gelet op de problematiek van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding om de proeftijd vast te stellen op drie jaren.
<nr>7</nr>De vorderingen van de benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 26.644,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.610,51, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 860,51 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] op het standpunt gesteld dat de vordering primair niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu de zoon van de benadeelde partij op de terechtzitting heeft aangegeven dat er nog een geschil loopt bij de verzekering over de hoogte van de uitbetaling en dit afwachten een onevenredige belasting van het strafgeding is. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de geldbedragen van de gestolen sieraden niet te herleiden zijn tot de aangifte.

De verdediging heeft ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] aangevoerd dat de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard moet worden, nu de verzekering bij uitbetaling van de schade aan de keuken rekening zou hebben gehouden met afschrijving en de verdachte niet verantwoordelijk is voor het resterende bedrag. Ten aanzien van de immateriële schade is tevens betoogd om dit gedeelte niet-ontvankelijk te verklaren, nu dit op grond van art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet voor vergoeding in aanmerking komt.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
7.3.1
Vordering tot schadevergoeding [aangever 1]

Niet-ontvankelijk

Op de terechtzitting heeft de zoon van de benadeelde partij verklaard dat de verzekering minder heeft uitgekeerd dan aanvankelijk werd gedacht, nu zij in de veronderstelling waren dat het verzekerde bedrag hoger was. Gesteld noch gebleken is dat er nog een specifieke claim loopt bij/met de verzekeraar. Derhalve zal de rechtbank uitgaan van de door benadeelde partij ingediende vordering.

Op grond van de aangifte staat vast dat de benadeelde schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Bij de aangifte is een bijlage met goederen gevoegd van de gestolen goederen. De rechtbank kan deze goederen echter niet herleiden tot de in het taxatierapport genoemde sieraden, dat is overgelegd als bijlage bij het schedevergoedingsverzoek. Derhalve ontbreekt het de rechtbank aan aanknopingspunten om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 BW). De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskostenveroordeling benadeelde partij

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
7.3.2
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]

Toewijzen materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de gevorderde materiële schade van € 860,51 bestaat uit € 150,- voor vergoeding van de sieraden die niet door de verzekering zijn gedekt en € 710,50 voor vergoeding van de afgebroken vakantie. De rechtbank gaat er in deze redenering vanuit dat de verzekeraar de volledige schade aan de keuken heeft vergoed. De rechtbank overweegt dat er bij de berekening sprake is geweest van een reken- of schrijffout van 1 cent.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 5 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag te weten € 860,50.

Afwijzen immateriële schade

De benadeelde partij heeft € 750,- aan immateriële schade gevorderd vanwege het opnemen van vakantiedagen van haar partner voor de herstelwerkzaamheden van de keuken. Op grond van artikel 6:106 BW levert dit geen grond op die recht geeft op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade daarom afwijzen.

Totaal

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 860,50, bestaande uit materiële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 5 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 860,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde] .
<nr>8</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>9</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;

ten aanzien van feit 3:

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;

ten aanzien van feit 4:

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;

ten aanzien van feit 5:

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 (TWINTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 8 (ACHT) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de [adres 8] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een GGZ Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;

- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het middelengebruik en/of het gebruik leren beheersen van zijn middelengebruik. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, waarbij de dagbesteding bijdraagt aan het voorkomen van delictgedrag;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

vordering tot schadevergoeding [aangever 1] (feit 1)

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

vordering tot schadevergoeding [benadeelde] (feit 5)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 860,50, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

schadevergoedingsmaatregel (feit 5)

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 860,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.C. Kranenburg, voorzitter,

mr. C.M. Zandbergen, rechter,

mr. L. Anemaet, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.A. Duijm, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.


Artikel delen