Vreemdelingenbewaring – eerste beroep – buiten zitting – gronden betwist – recht op rechtsbijstand tijdens gehoor – lichter middel – zicht op overdracht en voortvarend handelen – beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag 9 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18930
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2026
Datum publicatie
09-07-2026
Zaaknummer
NL26.36351
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:18930text/xmlpublic2026-07-09T16:08:082026-07-09Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-09NL26.36351UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLMiddelburgBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18930text/htmlpublic2026-07-09T16:07:132026-07-09Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:18930 Rechtbank Den Haag , 09-07-2026 / NL26.36351 Vreemdelingenbewaring – eerste beroep – buiten zitting – gronden betwist – recht op rechtsbijstand tijdens gehoor – lichter middel – zicht op overdracht en voortvarend handelen – beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.36351
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Rasul), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H. Toonders). Procesverloop Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 2 juli 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 7 juli 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 9 juli 2026 gesloten. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. 2. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. 3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Recht op rechtsbijstand 4. Eiser voert aan dat het recht op effectieve rechtsbijstand niet volledig is geëerbiedigd. Het gehoor is namelijk aangevangen voordat eiser met zijn advocaat heeft kunnen overleggen. Verweerder had het gehoor moeten en kunnen uitstellen totdat eiser met zijn advocaat had kunnen spreken. 5. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat om 9:51 uur en 10:15 uur contact is geweest met (het kantoor van) de voorkeursadvocaat van eiser, maar dat gebleken is dat deze advocaat geen bewaringszaken doet. Om 9:59 uur heeft verweerder een piketmelding gedaan. Om 11:27 uur en 11:57 uur heeft verweerder contact opgenomen met de Raad voor de Rechtsbijstand met de vraag of de piketmelding geaccepteerd was, wat nog niet het geval was. Ruim twee uur na de piketmelding, namelijk om 12:14 uur, is het gehoor aangevangen. Dit is in overeenstemming met het beleid neergelegd in paragraaf A5/6.6 van de Vc, waarin is bepaald dat het gehoor zonder aanwezigheid van een advocaat mag worden aangevangen indien de vreemdeling geen advocaat wenst of indien binnen twee uur na verzending van de piketmelding geen advocaat aanwezig is. Toen om 12:32 uur alsnog bericht was ontvangen dat de piketmelding was geaccepteerd, is het gehoor direct daarop onderbroken zodat eiser in overleg kon treden met de piketadvocaat. Gelet heeft verweerder zorgvuldig gehandeld en is geen sprake van een schending van het recht op rechtsbijstand. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 6. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. 7. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 8. Eiser betwist alle gronden. 9. Verweerder heeft de grond d laten vallen. 10. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden onvoldoende te achten. Verweerder heeft de grond a aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet in het bezit is van de vereiste reisdocumenten en hij zich zonder toestemming door meerdere lidstaten heeft bewogen. Verder mag verweerder grond k aan eiser tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist is. Een eerder geplande overdracht op 8 april 2026 heeft geen doorgang kunnen vinden omdat eiser niet was verschenen. Ook heeft hij tijdens het gehoor verklaard niet naar Kroatië te willen. De gronden a en k zijn voldoende om de maatregel te dragen. Het risico op onderduiken is daarmee gegeven. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de overige gronden niet. Lichter middel 11. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan vreemdelingenbewaring. Daarbij wijst eiser onder meer op zijn medische omstandigheden, dat hij gedurende langere tijd aan de meldplicht heeft voldaan en dat ten tijde van het opleggen van de maatregel sprake was van hitteomstandigheden. 12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onderduikrisico te ondervangen. Verweerder heeft daarbij terecht gewezen op de eerdere overdracht die geen doorgang heeft kunnen vinden omdat eiser daarvoor niet is verschenen. Gelet daarop heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een gedwongen setting nodig is voor de overdracht van eiser. Ten aanzien van eisers medische omstandigheden heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet detentieongeschikt is en dat in het detentiecentrum adequate medische zorg aanwezig is waar eiser een beroep op kan doen. Voor zover eiser meent dat de zorg in het detentiecentrum onvoldoende is, kan hij hierover klagen bij het detentiecentrum.
Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eiser niet heeft geconcretiseerd waarom de temperatuur ten tijde van de oplegging van de maatregel een relevante te betrekken omstandigheid is bij de afweging of er met een lichter middel moet worden volstaan. Tot slot is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken. Voortvarend handelen en zicht op overdracht 12. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat er onvoldoende zicht is op overdracht. 13. Deze beroepsgronden slagen niet. Verweerder heeft toegelicht dat op 1 juli 2026 contact is opgenomen met de Kroatische autoriteiten, op 2 juli 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden, op 3 juli 2026 akkoord is ontvangen voor een overdracht op 14 juli 2026 en dat op diezelfde datum ook een vlucht is aangevraagd voor eiser. Op 6 juli 2026 is de overdracht aangekondigd bij de Kroatische autoriteiten en zijn medische escorts geregeld. Gelet hierop werkt verweerder naar het oordeel van de rechtbank voortvarend aan de overdracht van eiser. Ook ontbreekt het zicht op overdracht niet, nu eiser op 14 juli 2026 zal worden overgedragen. Ambtshalve toets 14. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel in op enig moment onrechtmatig was. Conclusie 15. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 16. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Vreemdelingenwet 2000. Vreemdelingenbesluit 2000.