Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:19402

pensioenuitkeringen, ICJ

Rechtbank Den Haag 30 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19402 text/xml public 2026-07-30T10:57:08 2026-07-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-09 SGR 24/9890, SGR 25/5451, SGR 25/5451 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19402 text/html public 2026-07-30T10:56:50 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:19402 Rechtbank Den Haag , 09-04-2026 / SGR 24/9890, SGR 25/5451, SGR 25/5451
pensioenuitkeringen, ICJ
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 24/9890, 24/9892, 25/5451 en 25/5454
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2026 in de zaken tussen [eiser] , wonende te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Jagersma),

en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft met dagtekening 14 juni 2024 aan eiser voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Bij beide aanslagen is een beschikking belastingrente opgelegd.

In de uitspraken op bezwaar van 4 december 2024 (Zvw) en 6 december 2024 (IB/PVV) is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen en zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw 2020 en daarbij behorende beschikkingen belastingrente verlaagd.

Verweerder heeft met dagtekening 27 mei 2025 aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag IB/PVV en een aanslag Zvw opgelegd. Bij beide aanslagen is een beschikking belastingrente opgelegd.

Bij uitspraken op bezwaar van 7 augustus 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2021 afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen alle uitspraken op bezwaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .
Overwegingen
Feiten

1. Eiser is geboren op [datum] 1943 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Sinds maart 2009 woont eiser in [plaats] .

2. Eiser was in de periode van 6 februari 1994 tot en met 5 februari 2012 werkzaam als [functie 1] voor het Internationaal Gerechtshof (ICJ). Eiser is met ingang van 6 februari 2012 gepensioneerd en heeft sindsdien recht op een ouderdomspensioen van het ICJ. Eiser heeft in de onderhavige jaren van het ICJ pensioenuitkeringen ontvangen van € 106.027 (2020) en € 108.041 (2021) (tezamen: de pensioenuitkeringen).

3. Sinds 31 mei 2023 is eiser (weer) betrokken bij het ICJ als “ [functie 2] ” in een bij dat gerecht aanhangige specifieke zaak.

Geschil 4. In geschil is of de pensioenuitkeringen terecht in de belasting- en premieheffing zijn betrokken. Tussen partijen is niet in geschil dat ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase in de zaken betreffende het jaar 2020 is toegekend.

5. Eiser stelt primair dat de pensioenuitkeringen volledig zijn vrijgesteld van de belasting- en premieheffing op grond van artikel 39 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) jo. artikel 32 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof (het Statuut). Hij verwijst daarbij naar de door hem overgelegde brieven van diverse opeenvolgende presidenten van het ICJ aan de President van de Hoge Raad (de brieven). Tevens stelt eiser dat het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009 niet van toepassing is op zijn situatie, omdat het arrest ziet op de griffier bij het ICJ en niet op [functie 1] bij het ICJ. Subsidiair stelt eiser dat de aanslagen verminderd moeten worden, omdat het Besluit pensioenen internationale organisaties van 19 augustus 2022 (het Besluit), al dan niet op grond van het gelijkheidsbeginsel, van toepassing is.

6. Verweerder stelt daarentegen dat de pensioenuitkeringen terecht en tot de juiste bedragen in de belasting- en premieheffing zijn betrokken. Verweerder wijst er op dat de Hoge Raad in het arrest van 16 januari 2009 heeft geoordeeld dat op basis van zowel een grammaticale-, historische-, systematische-, en theologische interpretatie van het Statuut de pensioenuitkeringen niet zijn vrijgesteld van belastingheffing. Verweerder is verder van oordeel dat er geen onderscheid gemaakt moet worden tussen [functie 1] en griffiers van het ICJ met betrekking tot de fiscale kwalificatie van pensioenuitkeringen. Het beroep van eiser op het Besluit moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen die op ongelijke wijze worden behandeld.

Beoordeling van het geschil+

7. Artikel 32 van het Statuut, voor zover van belang, luidt:

“1. Elk lid van het hof ontvangt een jaarlijkse bezoldiging.

(…)

4. De [functie 1] gekozen ingevolge het in artikel 31 bepaalde, die geen lid van het

Hof zijn, ontvangen een vergoeding voor elke dag dat zij hun functie uitoefenen.

5. Deze bezoldigingen, toelagen en vergoeding worden vastgesteld door de Algemene Vergadering. Tijdens de ambtstermijn kunnen zij niet worden verminderd.

(…)

7. Door de Algemene Vergadering aanvaarde voorschriften bepalen de

voorwaarden waarop aan de leden van het Hof en aan de Griffier pensioen wordt

toegekend, alsmede de voorwaarden waarop hun reiskosten worden vergoed.

8. De hierboven bedoelde bezoldigingen, toelagen en vergoedingen zijn vrijgesteld

van alle belastingen.”

8. In het arrest van 16 januari 2009 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de pensioenuitkeringen ontvangen door een griffier van het ICJ niet zijn vrijgesteld:
“3.3.1. Het eerste middel bestrijdt het eerstgenoemde oordeel van het Hof, en betoogt dat belanghebbendes pensioen op grond van artikel 32, lid 8, van het Statuut wel is vrijgesteld.
3.3.2. Deze bepaling uit het Statuut voorziet in een belastingvrijstelling die - voor zover het de griffier betreft - slechts betrekking heeft op "the above salaries". Gelet op de tekst en structuur van artikel 32 van het Statuut ligt het voor de hand dat deze formulering ten aanzien van de griffier alleen ziet op diens "salary", dat als zodanig is geregeld in het zesde lid, en geen betrekking heeft op diens "pensions", die afzonderlijk zijn geregeld in het zevende lid en die niet genoemd worden in de vrijstellingsbepaling van het achtste lid.

3.3.3. Deze uitleg sluit aan bij de gewone betekenis van het woord "salaries" (Frans: "traitements"). Naar normaal spraakgebruik zien deze termen niet op pensioenen, die na de beëindiging van een functie worden uitbetaald. In gelijke zin werd beslist door de Franse Conseil d'État in zijn arrest van 6 juni 1997, nr. 148683, Recueil Lebon, 1997, blz. 206 e.v., tevens gedeeltelijk gepubliceerd in Ars Aequi 1998, blz. 44 e.v. Dit arrest betrof een voorganger van belanghebbende als griffier van het IGH. De overwegingen van de Conseil d'État komen erop neer dat uit de bewoordingen ("les termes mêmes") van artikel 32, lid 8, van het Statuut volgt dat pensioenen niet in de daarin geregelde vrijstelling delen. Eveneens in gelijke zin is op 14 januari 2003 beslist door het arbitrale tribunaal, ingesteld ter beslechting van een geschil tussen Frankrijk en de UNESCO, Reports of International Arbitral Awards Volume XXV, blz. 231 e.v. Dit tribunaal was van oordeel dat de fiscale vrijstelling voor "traitements et émoluments" in de zetelovereenkomst tussen Frankrijk en de UNESCO geen betrekking heeft op de pensioenen van voormalige medewerkers van de UNESCO. Daartoe beriep het tribunaal zich onder meer op de normale taalkundige betekenis van deze termen.

3.3.4. Dat de belastingvrijstelling van artikel 32, lid 8, van het Statuut zich niet uitstrekt tot pensioenen, is voorts in overeenstemming met het doel van deze bepaling. Voorrechten en immuniteiten, waaronder het fiscale voorrecht, zijn aan de griffier verleend in het belang van het IGH, met het oog op een onafhankelijke uitoefening van de functie van dit gerecht. De onafhankelijkheid van het IGH wordt niet aangetast indien het ouderdomspensioen van een belanghebbende die zijn functie als griffier van dit gerechtshof niet meer vervult, in zijn woonland in de belastingheffing wordt betrokken. Het gerechtelijke karakter van de voormalige werkzaamheden vormt hiervoor geen belemmering, zoals blijkt uit het Verdrag van 29 juli 1994, Trb. 1994, 189 over de zetel van - kort gezegd - het Joegoslavië Tribunaal van de Verenigde Naties. In art. XIV, lid 2, van dat verdrag is bepaald dat de pensioenen van (onder meer) griffiers van het Tribunaal in het gastland niet zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting. Eenzelfde regeling is sindsdien getroffen voor de pensioenen van (onder meer) griffiers van het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee en het Internationaal Strafhof.

3.3.5. Deze uitleg van het Statuut vindt steun in de geschiedenis van de totstandkoming van het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties van 13 februari 1946 (Stb. 1947, H 452). In artikel V, paragraaf 18, aanhef en letter (b), van dit verdrag is geregeld dat "salaries and emoluments" van functionarissen van de Verenigde Naties zijn vrijgesteld van belasting. De opstellers van dit verdrag hebben uitdrukkelijk overwogen om daarnaast ook pensioenen vrij te stellen. Uiteindelijk hebben zij echter besloten dat het vooralsnog niet opportuun was om een dergelijke vrijstelling in het verdrag op te nemen (Report of the Sixth Committee to the General Assembly, Document A/43/Rev. 1, 1946 Plenary Meetings of the General Assembly, blz. 643-644). Kennelijk werd er daarbij van uitgegaan dat pensioenen niet bestreken worden door de woorden "salaries and emoluments". Dan is het niet waarschijnlijk dat de leden van de Verenigde Naties er korte tijd tevoren, bij het opstellen van het Statuut, van uit zouden zijn gegaan dat de daarin gebruikte term "salaries" mede pensioenen omvat.

3.3.6. Belanghebbende beroept zich voor zijn uitleg van het Statuut nog op de praktijk van een aantal verdragsluitende staten, inhoudende dat deze staten pensioenen wel onder de vrijstelling uit het Statuut zouden begrijpen. Er is echter geen sprake van een algemeen aanvaarde praktijk van de betrokken staten in de zin van artikel 31, lid 3, letter b van het Verdrag van Wenen van 23 mei 1969, Trb. 1977, 169 inzake het Verdragenrecht (hierna: het Weense verdragenverdrag). Dit blijkt uit de zaak die leidde tot het onder 3.3.3 vermelde arrest van de Franse Conseil d'État in de zaak van een voorganger van belanghebbende als griffier bij het IGH. Diens pensioen van de Verenigde Naties werd door zijn woonland Frankrijk belast. De betrokkene heeft dit tot in hoogste instantie bestreden met een beroep op artikel 32, lid 8, van het Statuut, maar dit beroep werd door de Conseil d'État verworpen.

3.3.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een uitleg van artikel 32 van het Statuut in overeenstemming met de regels die zijn neergelegd in het Weense verdragenverdrag, meebrengt dat belanghebbendes pensioen niet valt onder de vrijstelling van het achtste lid van dit artikel.

3.3.8. De omstandigheid dat het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken en opeenvolgende presidenten van het IGH zich op het standpunt stellen dat het Statuut anders moet worden uitgelegd, kan hier niet aan afdoen.

3.3.9. Het eerste middel faalt derhalve.”

9. De rechtbank is van oordeel dat het arrest van 16 januari 2009 ook heeft te gelden voor de pensioenuitkeringen aan eiser. In artikel 32, zevende lid, van het Statuut worden namelijk zowel de leden van het Hof ( [functie 1] ) als de griffier vermeld. De rechtbank ziet daarom geen ruimte om met betrekking tot de pensioenuitkeringen van het ICJ aan (voormalig) [functie 1] anders te oordelen dan voor die aan (voormalig) griffiers. Uit r.o. 3.3.8 van het arrest van 16 januari 2009 volgt bovendien dat de brieven met daarin de standpunten van de presidenten van het ICJ (inhoudende dat het pensioen onbelast moet zijn) bij de Hoge Raad bekend waren en dat de Hoge Raad deze bij zijn beoordeling heeft betrokken. Eiser heeft in de onderhavige procedure ook (soortgelijke) brieven van presidenten van het ICJ aan de Hoge Raad overgelegd van na 16 januari 2009. Nu deze brieven inhoudelijk niet wezenlijk verschillen van de eerdere brieven, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Hoge Raad.

10. De stelling van eiser dat de fiscale behandeling van de pensioenuitkeringen van het ICJ in andere landen verschilt met de behandeling van de pensioenuitkeringen in Nederland, wat daar verder ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is daar namelijk niet aan gebonden. Voor zover eiser stelt dat hij vanwege zijn huidige functie ( [functie 2] ) bij het ICJ recht heeft op een vrijstelling, geldt dat eiser in de onderhavige jaren niet werkzaam was bij het ICJ, zodat deze stelling reeds daarom faalt.

11. Het beroep van eiser dat de aanslagen moeten worden verminderd omdat (op grond van het gelijkheidsbeginsel) het Besluit van toepassing is, slaagt evenmin. Er is geen sprake van feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen die op ongelijke wijze worden behandeld. Eiser heeft namelijk, zoals hij ter zitting heeft bevestigd, geen premies betaald voor de opbouw van zijn pensioen. Dit is een essentieel verschil met betrekking tot pensioenen waarop het Besluit van toepassing is. Daarbij wordt namelijk wel over (een gedeelte van) de opbouw van de pensioenen pensioenpremie betaald.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de aanslagen terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. De beroepen met betrekking tot het jaar 2020 zijn gegrond vanwege de ten onrechte niet toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Proceskostenvergoeding

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.332 voor de bezwaarfase (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 1) en € 467 voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,25). Voor de beroepsfase is een wegingsfactor 0,25 gebruikt omdat het beroep louter gegrond is verklaard wegens het achterwege laten van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.

14. Nu het beroep in de zaken SGR 24/9890 en SGR 24/9892 gegrond is en daarvoor éénmaal griffierecht is geheven in de zaak SGR 24/9890, dient verweerder het in die zaak door eiser betaalde griffierecht van € 51 te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart de beroepen voor het jaar 2020 gegrond;

- vernietigt de daarop betrekking hebbende uitspraken op bezwaar van 4 en 6 december 2024 voor zover daarin geen proceskostenvergoeding is toegekend;

- stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraken op bezwaar;

- verklaart de beroepen voor het jaar 2021 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 467;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 (SGR 24/9890) aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, mr. D.M. Drok en mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. A. Pavković, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Zaaknummer SGR 24/9890, in deze zaak is € 51 griffierecht geheven.

Zaaknummer SGR 24/9892.

Zaaknummer SGR 25/5451, in deze zaak is € 53 griffierecht geheven.

Zaaknummer SGR 25/5454.

Het betreft de zaken SGR 24/9890 (aanslag IB/PVV 2020) en SGR 24/9892 (aanslag Zvw).

ECLI:NL:HR:2009:BF7264

nr. 2022-206968.

Artikel delen