Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:19467

Beroep niet tijdig beslissen (ntb) in medische zaak van het Uwv, gegrond; samenhangende zaken; 8:55d lid 3 Awb: beslistermijn twee weken.

Rechtbank Den Haag 31 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19467 text/xml public 2026-07-31T10:13:50 2026-07-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-14 SGR 26/4659 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19467 text/html public 2026-07-29T13:57:49 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:19467 Rechtbank Den Haag , 14-07-2026 / SGR 26/4659
Beroep niet tijdig beslissen (ntb) in medische zaak van het Uwv, gegrond; samenhangende zaken; 8:55d lid 3 Awb: beslistermijn twee weken.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/4659
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

(gemachtigde: mr. G. Metz).
Inleiding
1. In het besluit van 12 februari 2026 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet stopt. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
De rechtbank heeft het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar op 9 juni 2026 ontvangen.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep is ontvankelijk en gegrond

2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiser heeft het Uwv in gebreke gesteld en tussen de ontvangst daarvan door het Uwv op 22 mei 2026 en het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.

De nadere beslistermijn

4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.

5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
5.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen een redelijke termijn, te stellen op twee weken, alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van eiser.

6. Bij het Uwv is al geruime tijd sprake van tekorten aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank daarom bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een besluit waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts, of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een besluit bekend te maken.
6.1.
Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, wordt daarmee rekening gehouden. Het Uwv krijgt dan in ieder geval de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om dit aan te voeren.
6.2.
In vier uitspraken van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de bovengenoemde termijnen bevestigd.

De nadere beslistermijn in deze zaak

7. In dit beroep stelt het Uwv in het verweerschrift dat de hoorzitting en/of het medisch onderzoek op 14 april 2026 heeft plaatsgehad. Gelet op de hiervoor genoemde rechtspraak betekent dit dat het Uwv binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend moet maken. Van bijzondere omstandigheden die een verder uitstel rechtvaardigen, is de rechtbank niet gebleken.

Rechterlijke dwangsom

8. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
9.1.
De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in deze zaak en in de zaak met zaaknummer SGR 26/4489 waarin eveneens door eiser beroep is ingesteld. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de rechtbank namelijk gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon, van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). In verband met de samenhang tussen beide genoemde zaken wordt in elke zaak de helft van dit bedrag toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 233,50 (1/2 x € 467,-).
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

draagt het Uwv op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;

- bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;

veroordeelt het Uwv tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van

S.C.M. Lodder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Dit staat in artikel 6:12 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).

De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2. De rechtbank verwijst ook naar haar overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, onder 4.4 en 4.5.

De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.3 en 5.4.

De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11558, ECLI:NL:RBDHA:2026:11559, ECLI:NL:RBDHA:2026:11560 en ECLI:NL:RBDHA:2026:11561.

https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.

Artikel delen