Huurzaak. Positie bewindvoerder. Vordering tot ontbinding en ontruiming afgewezen, omdat huurachterstand kan worden gesaneerd.
Rechtbank Den Haag 29 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19496
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2026
Datum publicatie
29-07-2026
Zaaknummer
K/4502/11700490
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:19496text/xmlpublic2026-07-29T15:58:352026-07-15Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:1211Rechtbank Den Haag2026-01-22K/4502/11700490UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigVerzetNLDen HaagCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19496text/htmlpublic2026-07-29T15:33:492026-07-29Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:19496 Rechtbank Den Haag , 22-01-2026 / K/4502/11700490 Huurzaak. Positie bewindvoerder. Vordering tot ontbinding en ontruiming afgewezen, omdat huurachterstand kan worden gesaneerd.
RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag ME (B/C)
Zaaknummer: 11700490 RL EXPL 25-9012 Vonnis in verzet van 22 januari 2026 in de zaak van 1 [eisende partij 1] , te [woonplaats] ,2. [eisende partij 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in het verzet,
hierna samen te noemen: [eisende partijen] c.s.,
gemachtigde: mr. O. Sahin, tegen STICHTING STAEDION,
te Den Haag,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: Staedion,
gemachtigde: Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders Incasso en Juridisch Advies. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van Staedion van 1 oktober 2025 met productie 1 t/m 4;- het verstekvonnis van 17 oktober 2025 met zaaknummer 11351270 RL EXPL 24-18974;
- de dagvaarding in verzet van [eisende partijen] c.s. van 25 april 2025 met productie 1 t/m 11;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende producties van [eisende partijen] c.s. genummerd 12 t/m 21;
- de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 november 2025;
- een door Staedion op de mondelinge behandeling van 6 november 2025 overgelegd stuk;- de akte van [eisende partijen] c.s. van 4 december 2025 met productie 22;- de akte van Staedion van 4 december 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten2.1. Staedion verhuurt aan [eisende partijen] c.s. met ingang van 1 juni 2022 de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 907,25 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. 2.2.
[eisende partijen] c.s. is vanaf april 2023 meermaals in verzuim geraakt met de (tijdige) nakoming van haar maandelijkse betalingsverplichtingen. Op de datum van de dagvaarding van Staedion (1 oktober 2025) bedroeg de betalingsachterstand € 2.682,26. 2.3 Staedion heeft [eisende partijen] c.s. gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. Staedion heeft [eisende partijen] c.s. daarna bij de gemeente Den Haag aangemeld in het kader van vroegsignalering. 2.4 Vanaf april 2025 heeft de gemeente Den Haag in het kader van budgetbeheer gedurende enkele maanden de lopende huur aan Staedion voldaan. Daarop aansluitend is het vermogen van [eisende partijen] c.s. onder bewind gesteld, met aanstelling van de gemeente Den Haag als bewindvoerder. Sindsdien betaalt de bewindvoerder voor [eisende partijen] c.s. de lopende huur. 2.5. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 november 2025 staat: “(…)
Partijen komen het volgende overeen: 1. Partijen stellen vast dat huurders aan Staedion ter zake van huur en servicekosten een totaalbedrag van € 6.352,70 verschuldigd zijn. Dit bedrag bestaat uit:
- de afrekening servicekosten van € 531,27,
- de huurachterstand tot en met november 2025 van € 5.821,43. 2. Huurders zullen Sociale Fondsen Den Haag aanschrijven met het verzoek aan Staedion een voorstel te doen tot sanering van deze vordering overeenkomstig het convenant tussen Sociale Fondsen Den Haag en Staedion. 3. Partijen verzoeken de kantonrechter de zaak voor het overige aan te houden.
(…)” 3Het geschil3.1. Staedion heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: de huurovereenkomst ontbindt;
[eisende partijen] c.s. veroordeelt om het gehuurde te ontruimen binnen drie dagen na betekening van een daartoe strekkend vonnis;
[eisende partijen] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 3.045,13, te vermeerderen met wettelijke rente over € 2.682,26 vanaf 1 oktober 2025;
[eisende partijen] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 884,52 (te vermeerderen met de wettelijk toegestane huurverhoging) voor iedere maand dat [eisende partijen] c.s. vanaf 1 oktober 2025 in gebreke blijft met de ontruiming,
een en ander met veroordeling van [eisende partijen] c.s. in de proceskosten. 3.2. Staedion legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eisende partijen] c.s. is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. 3.3. Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van Staedion (grotendeels) toegewezen. 3.4.
[eisende partijen] c.s. vordert in het verzet dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, het verstekvonnis vernietigt en de vorderingen van Staedion alsnog afwijst, met veroordeling van Staedion in de proceskosten. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Bewindvoerder 4.1. Ter zitting is gebleken dat medio 2025 het vermogen van [eisende partijen] c.s. onder bewind is gesteld. Deze procedure was op dat moment al aanhangig. Omdat de huurovereenkomst onder de reikwijdte van het bewind valt, moet in beginsel de bewindvoerder in de gelegenheid worden gesteld om in de procedure te verschijnen en het geding als formele procespartij over te nemen. De bewindvoerder is in dit geval de gemeente Den Haag. De gemeente Den Haag is in de procedure niet opgeroepen en/of verschenen, maar op de zitting heeft mr. Sahin gemeld dat zijn in overleg met de gemeente Den Haag in deze procedure als gemachtigde voor [eisende partijen] c.s. optreedt. De kantonrechter leidt daaruit af dat de bewindvoerder niet de wens heeft om het geding als formele procespartij over te nemen. De procedure zal daarom onverkort worden voortgezet. Convenant met Sociale Fondsen Den Haag 4.2. In de processtukken en op de zitting heeft mr. Sahin melding gemaakt van een convenant tussen Sociale Fondsen Den Haag (verder: SFDH) en de grote woningcorporaties in Den Haag, waaronder Staedion. Onder verwijzing naar e-mails van SFDH heeft mr. Sahin toegelicht dat SFDH een bijdrage wil doen om de huurschuld van [eisende partijen] c.s. te saneren. Als aan de voorwaarden is voldaan, betaalt SFDH de helft van de totale huurschuld tot een maximum van € 3.750,00 en zal de woningcorporatie overeenkomstig het convenant de huurovereenkomst in stand laten en de andere helft van de huurschuld niet opeisen, onder de conditie dat de huurder binnen twee jaar niet opnieuw een huurachterstand laat ontstaan. Een van de voorwaarden is dat een onderbewindstelling wordt uitgesproken. Daaraan is inmiddels voldaan. De andere voorwaarde is dat de huurschuld en de proceskosten aan de kant van de huurder niet verder oplopen, zo heeft mr. Sahin toegelicht. Proces-verbaal en aanhouding van de procedure 4.3. Met het oog hierop hebben partijen ter zitting een overeenkomst gesloten waarvan de inhoud hiervoor in punt 2.5 is geciteerd. In deze overeenkomst heeft [eisende partijen] c.s. aan Staedion erkend dat zij ter zake van huur en servicekosten in totaal een bedrag van € 6.352,70 schuldig is. Dit is vastgelegd in een proces-verbaal. Partijen hebben vervolgens verzocht om de procedure vier weken aan te houden om [eisende partijen] c.s. in de gelegenheid te stellen om op basis van de aldus vastgestelde huurschuld aan SFDH te verzoeken een definitief saneringsvoorstel te doen. Verder is overeengekomen dat partijen afhankelijk van de uitkomst daarvan, de kantonrechter zullen berichten over de vraag of er nog een beslissing nodig is op de nog resterende vorderingen, waaronder de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Vervolg van de procedure 4.4. Uit de akte van [eisende partijen] c.s. van 4 december 2025 en de daarbij overgelegde e-mailcorrespondentie met SFDH volgt dat mr. Sahin het proces-verbaal van de zitting aan SFDH heeft toegestuurd met het verzoek om op basis van de daarin vermelde schuld een saneringsvoorstel te doen. SFDH heeft daarop geantwoord dat zij pas een voorstel kan doen als de procedure door middel van een vonnis ten einde is gekomen. Op basis van alleen het proces-verbaal is SFDH daartoe kennelijk niet bereid. Beide partijen hebben aan de kantonrechter verzocht om een vonnis te wijzen. Beoordeling 4.5. De tekortkomingen van [eisende partijen] c.s. in de nakoming van de huurbetalingsverplichting geven in beginsel een grond om de huurovereenkomst overeenkomstig artikel 6:265 lid 1 BW te ontbinden. Dit artikel laat echter de ruimte open dat de omstandigheden van het geval en een weging van de wederzijdse belangen kunnen meebrengen dat de ontbinding toch niet gerechtvaardigd is. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat hier aan de orde. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en de vordering tot ontruiming van het gehuurde zullen daarom worden afgewezen. Dit wordt hierna toegelicht. 4.6. Vast staat dat de huurschuld van [eisende partijen] c.s. sinds de betrokkenheid van de gemeente Den Haag – eerst in het kader van budgetbeheer en daarna als bewindvoerder – niet verder is toegenomen (afgezien van de eindafrekening van de servicekosten, waarover hierna meer). De onderbewindstelling geeft een waarborg dat ook in de toekomst de betalingsverplichtingen correct zullen worden nagekomen. Verder staat voldoende vast dat SFDH bereid is een voorstel te doen om de bestaande huurschuld (inclusief de eindafrekening van de servicekosten, zoals in het proces-verbaal genoemd) te saneren. De kantonrechter heeft van de inhoud van het convenant geen kennis kunnen nemen – [eisende partijen] c.s. beschikt naar eigen zeggen niet over een exemplaar en Staedion heeft het convenant ook niet in het geding gebracht – maar Staedion heeft niet weersproken dat zij, als SFDH overeenkomstig het convenant een saneringsvoorstel doet, in beginsel gehouden is het restant van de huurschuld niet op te eisen en de huurovereenkomst in stand te laten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Stadion in dat geval ook geen belang meer bij de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de huurwoning. 4.7. Om een saneringsvoorstel te doen, stelt SFDH kennelijk als voorwaarde dat deze procedure niet eindigt door middel van een proces-verbaal maar met een vonnis. Dat vonnis zal de kantonrechter afgeven, zodat (ook) aan die voorwaarde zal worden voldaan. 4.8. Staedion heeft in haar akte van 4 december 2025 nog aangevoerd dat zij niet verwacht dat SFDH bij de huidige stand van zaken nog daadwerkelijk bereid is een saneringsvoorstel te doen, omdat de huurschuld na februari 2025 (het moment waarop [eisende partijen] c.s. haar verzoek voor het eerst aan SFDH heeft voorgelegd) is toegenomen. Volgens Staedion c.s. voldoet [eisende partijen] c.s. daarom niet langer aan de voorwaarden uit het convenant. De kantonrechter gaat hieraan voorbij. Staedion heeft deze stelling niet onderbouwd, terwijl uit de akte van [eisende partijen] c.s. van 4 december 2025 juist volgt dat SFDH inmiddels heeft kennisgenomen van de actuele schuld en dat SFDH nog steeds bereid is om (zodra de procedure met een vonnis is geëindigd) een saneringsvoorstel te doen. Slotsom 4.9. In dit licht kan ervan uit worden gegaan dat de huurschuld overeenkomstig het convenant kan worden afgewikkeld en dat de huurovereenkomst onverkort kan voortduren. De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde (zoals weergegeven in punt 3.1 onder a en b) zullen daarom worden afgewezen, evenals de daaraan gekoppelde nevenvordering tot betaling van een gebruiksvergoeding tot de datum van de ontruiming (zoals weergegeven in punt 3.1 onder d). De vordering tot betaling van de achterstallige huur (zoals weergegeven in punt 3.1. onder c) zal ook worden afgewezen, omdat partijen daarover al een minnelijk regeling hebben getroffen, die is vastgelegd in een proces-verbaal met dezelfde rechtskracht als een vonnis. Proceskosten 4.10. Omdat partijen ten aanzien van een deel van het geschil een minnelijke regeling hebben getroffen en de overige vorderingen niet worden toegewezen, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. 5De beslissing De kantonrechter, 5.1. vernietigt het op 17 oktober 2024 gewezen verstekvonnis met zaaknummer 11351270 RL EXPL 24-18974 en beslist opnieuw rechtdoende het volgende: 5.2. wijst het gevorderde af; 5.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.